3. De Bijbel is christocentrisch en vindt zijn climax in Christus, niet in etnisch Israël.
Citaat: “De Bijbel kan alleen worden geïnterpreteerd vanuit Christus als centrum.”
Deze stelling beweert dat het Joods‑zijn van Jezus en het Nieuwe Testament geen blijvende normatieve betekenis hebben voor de Kerk, omdat Christus zelf de enige beslissende uitleg van de Schrift is.
Vanuit het perspectief dat God met Israël een blijvende heilsweg gaat, overtuigt deze redenering niet.
Het Nieuwe Testament zelf verbindt Jezus’ identiteit onlosmakelijk met Israël, niet alleen historisch, maar ook theologisch. Matteüs opent zijn evangelie met de woorden: “Geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David, de zoon van Abraham” (Mt. 1:1). Dat is geen toevallige genealogie, maar een programmatische uitspraak: de Messias staat in het midden van Gods weg met Israël en niet erbuiten.
Ook Paulus benadrukt dat Christus’ komst niet betekent dat Israëls roeping is opgeheven. Hij schrijft dat Christus “een dienaar van de besnijdenis is geworden om de beloften aan de vaderen te bevestigen” (Rom. 15:8). Christus bevestigt dus de beloften aan Abraham, Isaak en Jakob; Hij maakt ze niet overbodig. De gedachte dat de Kerk de ware betekenis van het Joodse karakter van Jezus pas nu zou ontdekken, wordt door Paulus zelf tegengesproken. Hij spreekt over de Joden als degenen “aan wie de verbonden, de beloften en de eredienst toebehoren” (Rom. 9:4). Dat is geen verleden tijd. Paulus gebruikt de tegenwoordige tijd, alsof deze gaven nog steeds bij Israël horen.
Het joods-zijn van Jezus is bovendien niet slechts een historische voorwaarde voor de komst van de Messias, maar een blijvend theologisch gegeven. Jezus zegt tegen de Samaritaanse vrouw: “Het heil is uit de Joden” (Joh. 4:22). Dat is geen uitspraak die ophoudt te gelden zodra de Kerk ontstaat. Het heil blijft uit de Joden komen, omdat de Messias zelf Jood is en blijft. De incarnatie is geen tijdelijke culturele verpakking, maar een blijvende identiteit. De opgestane Christus wordt in Openbaring nog steeds aangeduid als “de leeuw uit de stam Juda” (Op. 5:5). Zelfs in de eschatologische toekomst blijft zijn Joodse identiteit betekenisvol.
Ook de apostelen zelf lezen het Oude Testament niet los van Israël, maar juist vanuit de overtuiging dat Gods weg met Israël de bedding vormt waarin Christus verschijnt. Petrus zegt in Handelingen 3 dat God “eerst tot u heeft gesproken” (Hand. 3:26), waarmee hij Israël als eerste adres van het evangelie erkent. De Kerk wordt niet in de plaats van Israël gezet, maar wordt uit de volken toegevoegd aan wat God al begonnen was. Daarom spreekt Paulus over heidenen die “mede‑erfgenamen” worden (Ef. 3:6). Mede‑erfgenaam ben je alleen als er een oorspronkelijke erfgenaam is die zijn plaats niet verliest.
Vanuit dit geheel van bijbelse gegevens is het goed verdedigbaar
dat het Joods‑zijn van Jezus en het Joodse karakter van het Nieuwe Testament niet slechts historische randvoorwaarden zijn, maar blijvende theologische realiteiten. Christus staat centraal, maar Hij staat centraal als de Messias van Israël. Wie de Joodse bedding wegdenkt, loopt het risico Christus los te maken van de weg die God zelf met Israël is gegaan en nog steeds gaat.