Een alternatieve “Belijdenissen” – Augustinus in een andere wereld

Als we Augustinus plaatsen in de alternatieve wereld die ik in de voorgaande blogs heb geschetst — een wereld zonder paulinische theologie, zonder erfzondeleer, zonder een kerk die draait om genade tegenover natuur, zonder een innerlijke strijd die wordt gelezen door de lens van Romeinen 7 — dan worden de Confessiones een totaal ander boek.

Niet minder intens, niet minder existentieel, maar anders van toon, structuur en doel. Het wordt geen schuldbelijdenis, maar een spirituele autobiografie in de traditie van de Joodse wijzen, de psalmen en de filosofische dialogen van Plato. Een zoektocht naar wijsheid, niet naar verlossing; naar vorming, niet naar vergeving; naar deugd, niet naar genade.

In plaats van te openen met “Groot zijt Gij, Heer, en ten zeerste te prijzen”, zou Augustinus beginnen met een lofzang die meer lijkt op Psalm 1 of Psalm 19: een meditatie over de Thora als levensweg, over de schoonheid van gerechtigheid, over de vreugde van wie wandelt in Gods geboden. Hij zou niet spreken over zijn onvermogen om het goede te doen, maar over zijn verlangen om wijsheid te vinden, zijn honger naar waarheid, zijn worsteling met trots, begeerte en eerzucht — niet als erfelijke zonde, maar als menselijke zwakheid die door oefening en discipline kan worden getransformeerd.

Zijn jeugdherinneringen zouden niet draaien om de perenroof als symbool van zijn radicale verdorvenheid, maar om momenten waarop hij de weg van wijsheid verliet en de weg van dwaasheid koos. Hij zou zichzelf niet zien als iemand die door een erfelijke schuld van God gescheiden was, maar als iemand die de stem van de wijsheid (Spreuken 8) niet altijd heeft gehoord. Zijn reflecties zouden meer lijken op de rabbijnse traditie van tesjoeva: terugkeer, omkeer, heroriëntatie. Niet boete, maar herstel.

Zijn intellectuele zoektocht zou nog steeds door de manicheeërs, de academici en de neoplatonisten gaan, maar hij zou die tradities niet afwijzen omdat ze geen genade kennen. Hij zou ze afwijzen, omdat ze geen recht doen aan de concrete ethiek van de Thora en de radicale eenvoud van Jezus’ onderricht. Hij zou schrijven over zijn fascinatie voor het Ene, voor de Idee van het Goede, maar hij zou uiteindelijk ontdekken dat wijsheid niet alleen in contemplatie ligt, maar in gerechtigheid, barmhartigheid en nederigheid — precies zoals Micha 6:8 het formuleert.

Zijn bekering zou geen dramatische overgave zijn aan een God die hem van zijn zonden bevrijdt, maar een langzaam rijpen van inzicht: dat de weg van Jezus — vijanden liefhebben, de armen centraal stellen, de waarheid spreken, de sabbat eren, de Thora verdiepen — de weg is die zijn ziel werkelijk zoekt. Hij zou niet horen “Neem en lees” als een oproep tot Romeinen 13, maar als een uitnodiging om de Bergrede opnieuw te lezen, of de woorden van Jakobus: “Weest daders van het woord en niet alleen hoorders.”

De latere boeken van de Confessiones, waarin Augustinus in onze wereld reflecteert op tijd, geheugen en schepping, zouden in deze alternatieve wereld nog steeds bestaan, maar ze zouden een andere toon hebben. Ze zouden minder metafysisch zijn, minder gericht op de val van Adam en meer op de wijsheid van de schepping. Hij zou Genesis lezen zoals Philo dat deed: als een kosmische allegorie van orde, harmonie en de roeping van de mens om rechtvaardig te leven. Zijn meditatie over tijd zou niet uitmonden in een theologie van de genade, maar in een besef van menselijke eindigheid en de noodzaak om elke dag te leven in overeenstemming met de Thora en de woorden van de Messias.

Het boek zou eindigen niet met een lofzang op Gods genade die de zondaar redt, maar met een lofzang op Gods wijsheid die de mens vormt. Geen “onrustig is ons hart totdat het rust vindt in U”, maar iets als: “Gelukkig is de mens die wandelt in Uw wegen, want in Uw geboden vindt zijn ziel vrede.” Een echo van Psalm 119, niet van Paulus.

De Confessiones zouden in deze wereld geen fundament worden van de westerse theologie, maar een klassieker van spirituele filosofie. Een boek dat gelezen wordt naast de Phaedo, de Ethica Nicomachea, de Psalmen en de geschriften van de rabbijnen. Een boek dat niet de erfzonde definieert, maar de menselijke ziel onderzoekt. Niet de genade verheerlijkt, maar de wijsheid. Niet de kerk vormt, maar de mens.

Zo zou misschien de opening van een andere Confessiones eruit kunnen zien:

“Heer, Gij zijt het licht dat mijn ogen zo vaak zochten en toch niet herkenden. Gij zijt de wijsheid die mij riep in de stilte van mijn jeugd, in de zachte stem van mijn moeder, in de woorden van Uw Wet die ik hoorde maar niet verstond. Want ik liep de wegen van de wereld, niet omdat ik U verachtte, maar omdat mijn hart onrustig was en de vrede zocht waar zij niet te vinden was. Ik zocht U in de lof van mensen, in de wellust van ogen, in de trots van mijn eigen geest. Maar Gij waart niet daar, en toch waart Gij overal.

Gij hebt mij gevormd met een verlangen naar het goede, maar mijn voeten dwaalden naar het gemakkelijke. Ik kende Uw geboden, maar ik kende hun schoonheid niet. Ik hoorde de woorden van de wijzen, maar ik proefde hun zoetheid niet. En zo werd mijn jeugd een kringloop van zoeken en verliezen, van streven en vallen, niet door een erfelijke schuld, maar door de zwakte van een ziel die zichzelf niet kende.

Toch hebt Gij mij niet verlaten. In elke vreugde die vervloog, in elke eer die leeg bleek, in elke liefde die mij niet vervulde, fluisterde Gij: ‘Dit is niet de weg.’ En ik hoorde U soms, Heer, maar ik wilde U niet volgen. Want de weg van Uw Messias is smal, en mijn hart was breed van verlangens. Maar Gij zijt geduldig, en Uw wijsheid wacht.

Nu keer ik terug tot U, niet als een slaaf die vreest, maar als een leerling die eindelijk wil verstaan. Leer mij de eenvoud van Uw Wet, de diepte van Uw gerechtigheid, de vrede van Uw sabbat. Maak mijn hart zacht, opdat het Uw woorden ontvangt; maak mijn tong waarachtig, opdat zij geen dubbelheid spreekt; maak mijn handen mild, opdat zij doen wat Gij gebiedt. Want in Uw geboden is leven, en in Uw Messias is de weg die ik zo lang gezocht heb.

Heer, Gij kent mij beter dan ik mijzelf ken. Daarom spreek ik tot U, opdat ik mijzelf leer kennen in Uw licht.”

 

 

Dit bericht is geplaatst in Augustinus, Discussie. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *