Douglas Murrays “Vreemde dood van Europa” en de legitimiteit van Israël

Douglas Murrays beschouwingen over Israël in The Strange Death of Europe komen niet van iemand die zichzelf een politieke identiteit aanmeet. Hij noemt zichzelf nergens een zionist, en hij formuleert geen strakke definitie van zionisme als ideologie. Zijn positie wordt eerder zichtbaar in de manier waarop hij de verhalen rond Israël analyseert—vooral binnen Europa—en in zijn overtuiging dat een groot deel van het hedendaagse antizionisme minder een politieke analyse is dan een projectie van onopgeloste Europese schuld.

Voor Murray is een van de meest problematische elementen van de antizionistische beweging de hardnekkige neiging om de stichting van Israël als een “erfzonde” te behandelen. De oprichting van de staat in 1948 wordt voorgesteld als een catastrofe waarvoor Israël zich tot in de eeuwigheid zou moeten verontschuldigen. Murray betoogt dat deze manier van voorstellen minder te maken heeft met de historische realiteit van het Midden-Oosten en meer met Europa’s eigen morele last. Israël wordt in dit verhaal een symbolisch vat waarin Europeanen hun schuldgevoel over de Holocaust gieten, alsof de Joodse staat een geopolitieke verontschuldiging is die aan de Arabische wereld is opgelegd. Het gevolg is een morele vertekening: Israël wordt niet beoordeeld op zijn daden, maar op het gewicht van Europa’s geweten.

Die vertekening wordt volgens Murray nog duidelijker wanneer Israël wordt vergeleken met andere staten die in dezelfde periode ontstonden. Pakistan bijvoorbeeld werd in 1947 geboren te midden van massamoorden en de gedwongen verplaatsing van miljoenen mensen—gebeurtenissen die qua schaal de conflicten rond Israëls stichting ruimschoots overtreffen. Toch draagt Pakistan geen permanente smet in het mondiale bewustzijn. Burgers van Pakistan of Bangladesh kunnen Groot-Brittannië de schuld geven van de geschiedenis, maar ze worden niet geacht in een toestand van eeuwige boetedoening te leven. Israël daarentegen wordt aan een unieke morele standaard gehouden, alsof zijn bestaan voortdurend moet worden gerechtvaardigd.

Murray verzet zich ook tegen de retoriek van “omgekeerde migratie” – het idee dat Israëli’s van Europese afkomst zouden moeten worden verdreven, zodat het land exclusief Arabisch bezit kan worden. Hij merkt op dat zulke voorstellen, hoe extreem ook, in delen van het Midden-Oosten als legitieme beleidsopties worden behandeld. Tegelijkertijd pleit vrijwel niemand ervoor om alle Europeanen uit Noord- en Zuid-Amerika of Australië te verdrijven, ondanks vergelijkbare koloniale geschiedenissen. Het selectieve karakter van deze eisen, zo stelt Murray, onthult een dieper liggende vijandigheid die zich vermomt als morele consistentie.

Tegen deze achtergrond van veroordeling wijst Murray op Israël als een zeldzaam voorbeeld van succesvolle integratie. Hij benadrukt het vermogen van het land om enorme aantallen immigranten—met name Russische Joden—in korte tijd op te nemen zonder sociale cohesie te verliezen. Deze prestatie was indrukwekkend genoeg dat Angela Merkel naar verluidt advies vroeg aan Benjamin Netanyahu tijdens Europa’s eigen migratiecrisis. Voor Murray ondermijnt Israëls ervaring de simplistische verhalen die het land neerzetten als een  koloniaal project.

Maar misschien betreft het meest urgente deel van Murrays kritiek de kruising tussen antizionisme en antisemitisme. Hij stelt dat antizionistische retoriek in Europa vaak fungeert als een dunne sluier voor vijandigheid jegens Joden. Hij verwijst naar het voorbeeld van een imam in Berlijn die God opriep om “de zionistische Joden te vernietigen”—een formulering die politieke oppositie laat samenvallen met religieuze haat. Aanslagen zoals de moord op vier mensen in het Joods Museum in Brussel zijn volgens hem geen op zichzelf staande incidenten, maar symptomen van een bredere weigering om de specifieke aard van hedendaags antisemitisme onder ogen te zien. Politieke leiders, bang voor ongemakkelijke waarheden, bagatelliseren of negeren de verbinding tussen antizionistische retoriek en geweld tegen Joodse gemeenschappen.

In Murrays lezing is de antizionistische beweging niet simpelweg een kritiek op Israëlisch beleid. Het is een moreel drama waarin Israël het toneel wordt waarop Europa zijn schuld, angsten en onopgeloste geschiedenissen herhaalt. Het resultaat is een discours dat van Israël eist wat het van geen enkel ander land verlangt, dat Joodse zelfbeschikking als uniek verdacht behandelt, en dat te vaak terugvalt in oude patronen van vijandigheid onder nieuwe politieke vlaggen. Murray’s kritiek is niet dat Israël boven kritiek verheven zou zijn, maar dat de termen van zijn veroordeling meer onthullen over Europa’s psychologische landschap dan over de werkelijkheid van het Midden-Oosten.

 

 

Dit bericht is geplaatst in Boeken, Israël, Theologische kritiek. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *