De Zondeval in Jodendom en Christendom

Het verhaal van Adam en Eva in Genesis 3:6–8 heeft in het jodendom en het christendom twee diep verschillende interpretatietradities voortgebracht. In de rabbijnse traditie, vertegenwoordigd door Rasjie, Ramban, Rambam en de Midrash, is dit niet het verslag van een metafysische catastrofe, maar het begin van het menselijk moreel bewustzijn. Het christendom, vooral zoals verwoord in Romeinen 5:12–15, leest dezelfde verzen als het ontstaan van universele menselijke gevallenheid. Deze tegenstelling wortelt in verschillende aannames over menselijke natuur, verantwoordelijkheid en de betekenis van zonde.

De Hebreeuwse tekst van Genesis benadrukt waarneming, verlangen en moreel ontwaken. Eva “zag dat de boom goed was om van te eten” — וַתֵּרֶא הָאִשָּׁה כִּי־טוֹב הָעֵץ לְמַאֲכָל (“de vrouw zag dat de boom goed was om te eten,” Gen 3:6). Nadat zij gegeten hebben, “werden de ogen van beiden geopend” — וַתִּפָּקַחְנָה עֵינֵי שְׁנֵיהֶם (“de ogen van beiden werden geopend,” Gen 3:7). Wanneer zij God horen wandelen in de tuin, “verborgen de mens en zijn vrouw zich” — וַיִּתְחַבֵּא הָאָדָם וְאִשְׁתּוֹ (“de mens en zijn vrouw verborgen zich,” Gen 3:8). Deze verzen beschrijven een verschuiving in bewustzijn, geen metafysische breuk.

Rasjie leest de verleiding van de slang als psychologische manipulatie, niet als een verandering van menselijke natuur. Hij verwijst naar de Midrash dat de slang Eva tegen de boom duwde om te laten zien dat aanraken niet dodelijk was, waardoor de goddelijke waarschuwing werd ondermijnd¹. Zijn commentaar op “hun ogen werden geopend” gebruikt de uitdrukking לְדַעַת שֶׁהֵם עֲרוּמִים (“om te weten dat zij naakt waren”)², waarmee hij de geboorte van schaamte en besef van lichamelijkheid benadrukt, niet de erfenis van schuld.

Ramban verdiept dit door te stellen dat de mens vóór de zonde handelde vanuit zuivere rede, terwijl na de zonde verlangen en innerlijke strijd het menselijk bestaan binnentreden. Hij interpreteert de woorden van de slang — וִהְיִיתֶם כֵּאלֹהִים (“jullie zullen als God zijn,” Gen 3:5) — als de belofte van autonome morele oordeelsvorming, niet van goddelijke status³. Voor Ramban is וַיִּתְחַבֵּא (“zij verborgen zich”) een teken van vervreemding en angst, niet van een gevallen natuur.

Rambam biedt in de Gids der Verdoolden (I:2) een filosofische interpretatie. Voor hem markeert de zonde een overgang van een wereld die men begrijpt in termen van waarheid en onwaarheid naar een wereld die men begrijpt in termen van goed en kwaad. De sleutelterm is טוֹב וָרָע (“goed en kwaad,” Gen 2:17), die hij leest als het ontstaan van morele en sociale categorieën⁴. De daad van verbergen — וַיִּתְחַבֵּא — symboliseert voor hem het verlies van intellectuele helderheid en de opkomst van verbeelding, angst en schaamte.

De Midrash voegt narratieve diepte toe. Bereshit Rabbah beschrijft de slang als jaloers en ambitieus, verwijzend naar וְהַנָּחָשׁ הָיָה עָרוּם (“de slang was sluw,” Gen 3:1) om te suggereren dat zijn sluwheid voortkwam uit afgunst⁵. Andere Midrashim stellen dat de vrucht een vijg, druif, tarwe of etrog was, elk met een symbolische betekenis. De Midrash benadrukt dat de vrucht zelf niet kwaad was; het probleem was ongehoorzaamheid. Ook leest de Midrash וַיִּתְחַבֵּא als de eerste menselijke poging om verantwoordelijkheid te ontlopen, niet als bewijs van een gevallen natuur⁶. In de rabbijnse traditie is dit verhaal het begin van ethisch leven, niet van menselijke verdorvenheid.

Het christendom, vooral in Paulus’ brief aan de Romeinen, beweegt in een andere richting. Paulus schrijft: “Door één mens is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood” — δι’ ἑνὸς ἀνθρώπου ἡ ἁμαρτία εἰς τὸν κόσμον εἰσῆλθεν (“door één mens is de zonde in de wereld binnengekomen,” Rom 5:12). Adam wordt de figuur wiens ongehoorzaamheid de dood voor allen brengt, en Christus wordt degene wiens gehoorzaamheid leven brengt. Paulus’ argument is niet alleen dat Adam zondigde, maar dat Adams zonde de toestand van de mensheid als geheel veranderde. Veel christelijke tradities, vooral onder invloed van Augustinus, lezen dit als de leer van de erfzonde: de erfenis van schuld, de aantasting van de menselijke natuur en de universele behoefte aan verlossing.

Wanneer men beide tradities naast elkaar legt, verschijnen twee verschillende visies op de menselijke conditie. In het jodendom introduceert de daad van Adam en Eva morele complexiteit, verlangen, schaamte en de noodzaak van tesjoeva, maar ieder mens blijft verantwoordelijk voor zijn eigen daden. Er is geen erfelijke schuld, geen ontologische corruptie en geen noodzaak voor een verlosser die de menselijke natuur herstelt. In het christendom heeft Adams daad kosmische gevolgen: de mensheid wordt onderworpen aan zonde en dood, en Christus’ verlossingswerk wordt noodzakelijk om te herstellen wat verloren ging. Waar het jodendom Genesis 3 leest als het begin van morele verantwoordelijkheid, leest het christendom het als het begin van universele gevallenheid.

Deze tegenstelling wordt duidelijk in de volgende tabel:

Thema Rabbijns Jodendom Christendom (Rom. 5:12–15)
Menselijke natuur na Eden Onveranderd; morele strijd begint Aangetast; gevallen natuur
Overdracht van zonde Geen erfelijke schuld Zonde en dood verspreiden zich tot allen
Betekenis van Adams daad Eerste morele misstap Kosmische val
Dood Gedeeltelijk natuurlijk Direct gevolg van Adams zonde
Verlossing Torah, mitsvot, tesjoeva Christus als “tweede Adam”
Rol van de slang Sluw (עָרוּם), jaloers Vaak geïdentificeerd met Satan
Doel van het verhaal Oorsprong van moreel bewustzijn Oorsprong van behoefte aan genade

Wat uit deze vergelijking naar voren komt, is een belangrijke strijd tussen twee tegengestelde interpretaties. Het jodendom leest Genesis 3 als het begin van moreel leven; het christendom van Paulus en de protestantse traditie leest het als het begin van het gevallen, zondige, door en door verdorven leven. Zo worden het eten van de vrucht, het openen van de ogen en het verbergen voor God in het jodendom de oorsprong van menselijke verantwoordelijkheid, maar in het christendom de oorsprong van de menselijke behoefte aan verlossing. Zou het christendom niet juist op dit punt een andere afweging moeten maken?


VOETNOTEN

1. Rasjie op Gen. 3:3, verwijzend naar Bereshit Rabbah: דחפה הנחש על העץ (“de slang duwde haar tegen de boom”).
2. Rasjie op Gen. 3:7: לדעת שהם ערומים (“om te weten dat zij naakt waren”).
3. Ramban op Gen. 3:5: והייתם כאלוהים (“jullie zullen als God zijn”).
4. Rambam, Moreh Nevukhim I:2, bespreking van טוב ורע (“goed en kwaad”).
5. Bereshit Rabbah 19:1: והנחש היה ערום (“de slang was sluw”).
6. Midrash Rabbah op Gen. 3:8, interpretatie van ויתחבא (“hij verborg zich”).

Dit bericht is geplaatst in Bijbelse Theologie, Jodendom, Paulus. Bookmark de permalink.

2 reacties op De Zondeval in Jodendom en Christendom

  1. Robbert Veen schreef:

    Jan Luiten schreef:

    “Als de zondeval niet is, zoals Paulus die beschrijft, stort het christelijke bouwwerk in.”

    Alleen als je het christendom identificeert met een lezing van Paulus die dit benadrukt.

  2. Jan Luiten schreef:

    Mooi overzicht! Ik heb de volgende (deels kritische) opmerkingen.

    1. Het kwaad in de wereld is toch wel het grootste probleem van de wereld te noemen. Gereformeerde theologen zullen zeggen dat dit het grootste wereldraadsel is. Henk van Riessen (bij leven filosoof aan de VU) noemt in zijn boekje ‘Christelijke politiek in een wereld zonder God’ het verschijnsel van ‘de vier’. Die vier zijn Gods soevereiniteit, de menselijke verantwoordelijkheid, de aan de schepping gestelde wetten en de duivel. Het onderlinge verband tussen deze vier is voor ons niet te doorgronden. Natuurlijk moeten we een poging wagen er wat over te zeggen.
    2. Misschien is het goed te beseffen dat de door jou aangegeven verschillen in eerste instantie een ‘binnen-Joods’ verschil betreffen. Immers, Jezus, de apostelen, Paulus de eerste christenen waren allen Joden.
    3. Bij Nathan Cordozo (Nederlandse rabbijn woonachtig in Israel) lees ik dat God goed en kwaad schiep. Zijn conclusie naar aanleiding van Genesis 3 is dat wij het kwaad te boven kunnen komen door proberen goed te handelen. Het is onze opdracht dat te doen. De komt dus overeen met wat jij schreef over de rabbijnse visie op de menselijke natuur na Eden. Een heel groot probleem bij Cardozo vind ik, dat de mens geschapen is met zowel goede als kwade eigenschappen. Daarmee wordt God toch de auteur van het kwade. Maar in Genesis 1:31 zegt God dat alles wat Hij gemaakt had, zeer goed was, dus ook de mens.
    4. De midrash benoemt mijns inziens terecht dat het probleem van het kwaad voortkomt uit ongehoorzaamheid aan een gebod. En het lijkt me dan, dat er sprake is van schuld. De relatie met God is verstoort, de betrouwbaarheid van God gewantrouwd. En wantrouwen leidt tot kwaad.
    5. De noodzaak van bekering is zowel in Jodendom als Christendom aanwezig.
    6. Dat de dood gedeeltelijk natuurlijk zou zijn volgens de rabbijnen verbaast mij. Het is toch duidelijk in Genesis 3 dat als Adam en Eva van de boom der kennis van goed en kwaad eten (of zelfs die boom aanraken) ze zullen sterven (vers 3)?
    7. De directe straf op de ongehoorzaamheid is onder andere de vervloeking van de aardbodem. Kort gezegd: er is sprake van een plotselinge wijziging in de kosmos. Mijn stelling is altijd geweest: wat we nu zien van de wereld is niet de goede wereld, zoals die was in Genesis 1 en 2. De wereld van nu is abnormaal.
    8. De geschiedenis van Israel in het oude testament laat zien dat het leiden van een moreel leven een uitermate lastige zaak is. Voor mij is een raadsel dat het met het christendom in de loop der eeuwen niet veel beter gegaan lijkt te zijn.
    9. Wat zegt het Oude Testament over de staat van de mens? Onder andere het volgende. Gen. 6,5: al wat de overleggingen van zijn hart voortbrengen is te allen tijde slechts boos. Psalm 51,7: zie, in ongerechtigheid ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen. Job 14,4: komt ooit een reine uit een onreine – niet één. Weliswaar wordt hier niet over erfzonde gesproken, maar het verschijnsel is er wel.
    10. De vraag naar de zondeval is in ieder geval fundamenteel voor het Christendom. Als de zondeval niet is, zoals Paulus die beschrijft, stort het christelijke bouwwerk in.

    Misschien een wat onsamenhangend verhaal, maar ik vind het vooralsnog een lastig (en ook tijdrovend) onderwerp.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *