8. De romantische zoektocht naar ‘Joodse wortels’ kan leiden tot theologische verschuivingen die Christus marginaliseren.
Citaat: “Deze nieuwe zoektocht… loopt ernstig gevaar een verschuiving in geloof en theologie te faciliteren.”
Stelling 8 stelt dat christenzionisme en bredere Israëlvisies de centrale plaats van Christus onder druk zetten en daarom schadelijk zijn voor de universele missie van de Kerk.
Vanuit het perspectief dat Gods trouw aan Israël blijvend is, overtuigt deze conclusie niet.
De Schrift zelf verbindt de universele missie van Christus juist met de bevestiging van Gods beloften aan Israël. Paulus schrijft dat Christus “een dienaar van de besnijdenis is geworden om de beloften aan de vaderen te bevestigen” (Rom. 15:8). De universaliteit van het evangelie staat dus niet tegenover Israëls bijzondere roeping, maar wordt erdoor gedragen. Christus’ werk onder de volken is geen alternatief voor Gods weg met Israël, maar de voortzetting ervan.
De gedachte dat een blijvende rol voor Israël de christocentrische focus zou ondermijnen, wordt door het Nieuwe Testament zelf tegengesproken. Paulus benadrukt dat “God zijn volk niet heeft verstoten” (Rom. 11:1) en dat “de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn” (Rom. 11:29). Deze uitspraken zijn geen randnotities, maar onderdeel van Paulus’ uitleg van het evangelie. Hij verbindt de redding van de volken rechtstreeks met Gods trouw aan Israël: “Door hun val is het heil tot de heidenen gekomen” (Rom. 11:11). Israëls ongeloof vormt geen theologische afwijzing, maar een fase in een groter heilsplan waarin Israël en de volken samen worden opgenomen.
Ook Jezus zelf spreekt niet over een opheffing van Israëls betekenis. Hij zegt tegen de Samaritaanse vrouw: “Het heil is uit de Joden” (Joh. 4:22). Dat is geen historische constatering, maar een theologische uitspraak over de oorsprong van Gods redding. De Messias blijft de “leeuw uit de stam Juda” (Op. 5:5), zelfs in de eschatologische toekomst. De identiteit van Christus is dus blijvend verbonden met Israël. Een theologie die Israëls rol minimaliseert, loopt het risico Christus los te maken van de weg die God zelf is gegaan.
De stelling dat Israëlvisies de universele missie van Christus zouden verleggen naar het “idoliseren van Israël” miskent bovendien dat de Schrift zelf een toekomst voor Israël schetst die niet in conflict staat met de zending onder de volken. Jesaja voorziet een tijd waarin Israël een “licht voor de heidenen” zal zijn (Jes. 49:6), en Zacharia spreekt over volken die “de slip van een Jood zullen vastgrijpen” (Zach. 8:23). Deze beelden beschrijven geen afgoderij, maar een toekomst waarin Israël een instrument van universele zegen is. De volken worden niet van Christus afgeleid, maar juist naar Hem toegetrokken via de weg die God met Israël gaat.
Vanuit dit geheel van bijbelse getuigenissen is het goed verdedigbaar
dat een blijvende rol voor Israël niet in strijd is met de christocentrische en universele aard van het evangelie. Christus staat centraal, maar Hij staat centraal als de Messias van Israël. Gods trouw aan Israël vormt geen bedreiging voor de missie van de Kerk, maar juist een bevestiging van de weg die God zelf heeft gekozen om de wereld te redden.