In de synagoge wordt in de week van 25 mei de tekst van Behar-Bechukotai gelezen: Leviticus 25:1 – 27:34. Het gedeelte begint met de wetten voor de sjabbat van het land (25:1-7) en het Jubileumjaar (25:8-19). Hieronder een eerste verkenning van deze tekst.
Spreek tot de kinderen van Israël en zeg tot hen: Wanneer gij komt in het land dat Ik u geef, dan zal het land een sabbat houden voor de HEERE. Zes jaar lang zult gij uw akker bezaaien en zes jaar lang zult gij uw wijngaard snoeien en de vruchten ervan verzamelen; maar in het zevende jaar zal er een sabbat zijn, een sabbat van volledige rust voor het land, een sabbat voor de HEERE; gij zult uw akker niet bezaaien en uw wijngaard niet snoeien.
In de Hebreeuwse Bijbel wordt het sabbatjaar, ook wel bekend als het sjmita-jaar, voorgeschreven door God als een manier om de aarde de rust te geven die haar toekomt. Volgens de wetten in het boek Leviticus (Leviticus 25:23) is het land uiteindelijk het eigendom van God en is de mens slechts een tijdelijke beheerder van de grond waarop hij leeft en werkt.
Het land mag niet voor altijd worden verkocht, want het land is van mij; jullie zijn vreemdelingen en bijwoners bij mij.
Dit gebod was een revolutionair idee binnen een agrarische samenleving, waarin boeren volledig afhankelijk waren van hun oogsten om te kunnen leven. Toch werd hen opgedragen om elk zevende jaar hun landbouwactiviteiten volledig stil te leggen. Dit vereiste een diep vertrouwen in God, aangezien ze geen gewassen zouden verbouwen en dus geen normale opbrengst zouden kunnen genereren. Ze mochten wel eten (gebruiken en genieten) wat zonder menselijke tussenkomst op het land groeide, maar het niet verkopen of op een andere wijze gebruiken.
היתה שבת הארץ וגו EN DE SABBAT VAN HET LAND ZAL [VOEDSEL VOOR JULLIE] ZIJN — Hoewel ik ze (de vruchten van het sabbatjaar) voor jullie heb verboden door te zeggen “gij zult niet oogsten enz.”, bedoel ik niet dat ik ze jullie als voedsel of voor enig ander nuttig doel verbied, maar wat ik bedoelde was dat jullie je ten opzichte van hen niet als exclusieve eigenaar moeten gedragen, maar dat iedereen gelijk moet zijn met betrekking tot hen (de opbrengst van het sabbatjaar) — jullie en jullie ingehuurde knechten en jullie vreemdelingen. ) Rashi
De redenen achter dit gebod waren veelzijdig en omvatten zowel praktische als spirituele dimensies. Ten eerste diende het sabbatjaar als een periode van rust voor het land. Gedurende een heel jaar mochten boeren hun velden niet bewerken, waardoor de bodem de kans kreeg om zich te herstellen. Dit proces hielp om essentiële voedingsstoffen aan te vullen, zodat het land niet uitgeput raakte door voortdurende landbouw. Op deze manier werd het principe van duurzame landbouw al duizenden jaren geleden in de wet van Israël verankerd.
Daarnaast had het een sociale en morele dimensie. Tijdens het sabbatjaar mocht alles wat spontaan opkwam op de akkers niet geoogst worden voor commercieel gebruik, maar stond het ter beschikking van iedereen die het nodig had. Dit betekende dat armen en zelfs wilde dieren mochten eten van alles wat op natuurlijke wijze groeide. Dit systeem zorgde ervoor dat voedsel eerlijk werd verdeeld, en benadrukte het belang van zorg voor de minderbedeelden in de samenleving. Het was een manier waarop de samenleving werd herinnerd aan haar plicht om zorg te dragen voor de kwetsbaren en hen een kans te geven om zonder enige beperking van de rijkdom van de aarde te genieten.
Bovendien had het een theologische betekenis. Het Sabbatjaar diende als een krachtig symbool van vertrouwen in God. Het volk van Israël werd eraan herinnerd dat hun ware bron van levensonderhoud niet hun eigen arbeid was, maar Gods voorzienigheid. Door hun werk neer te leggen en zich over te geven aan Gods zorg, oefenden ze een diep spiritueel vertrouwen.
Dit gebod stond niet op zichzelf, maar maakte deel uit van een breder patroon dat zich uiteindelijk uitbreidde tot het Jubeljaar, dat elke vijftig jaar plaatsvond. Tijdens het Jubeljaar, beschreven in Leviticus 25:8-55, werden schulden kwijtgescholden, slaven vrijgelaten en bezittingen keerden terug naar hun oorspronkelijke eigenaars. Beide geboden benadrukten het idee dat eigendom uiteindelijk tijdelijk is en dat echte vrijheid komt door gehoorzaamheid aan God.
Historisch werd deze wet doorgegeven op de berg Sinaï, kort nadat de Israëlieten de Tien Geboden hadden ontvangen. Het was een integraal onderdeel van het verbond dat God met Israël sloot toen zij zich voorbereidden op hun reis naar het Beloofde Land. Door hen deze wetten te geven, gaf God hen richtlijnen die niet alleen hun religieuze leven bepaalden, maar ook hun sociale en economische structuren vormgaven. Dit maakte van de Torah een allesomvattend systeem dat zowel spirituele als praktische aspecten van het leven regelde.
Hoewel christenen niet verplicht zijn om het sabbatjaar te houden zoals het in de oudheid werd voorgeschreven, blijven de onderliggende principes uiterst relevant. Het idee dat rust, vertrouwen in God en zorg voor de armen fundamentele waarden zijn, is tijdloos. Dit gebod herinnert ons eraan dat een samenleving niet alleen moet streven naar materiële vooruitgang, maar ook oog moet hebben voor het welzijn van haar kwetsbaarste leden. In een wereld waarin duurzaamheid en sociale rechtvaardigheid steeds belangrijker worden, biedt het Sabbatjaar een model van hoe mensen hun verantwoordelijkheid tegenover de natuur en elkaar kunnen dragen. Hier zie je dat het onderwijs van de Torah van rechtstreeks belang is voor christenen.