De reden van het zijn (3/19)

Jacques Ellul, De reden van het zijn, Meditatie over Prediker[1]

Samenvatting

Deel 3

Eerste zekerheid
Er is geen vooruitgang. Dit is de eerste grote zekerheid (I, 4-10). En het verschrikkelijke oordeel is hier allereerst de vereenzelviging van de Geschiedenis met de Natuur! Wij zijn zo gewoon het tegendeel te denken. De zon komt op, de zon gaat onder; zij hijgt naar haar huis, en dan daar… komt zij op.
(…)
Een banale opmerking. Wat niet onbelangrijk is voor Lys [exegeet], die er terecht een desacralisatie van de zon in ziet: “Dit vers onderstreept het belachelijke karakter van deze zonneslaaf van wie men geen god kan maken, de wanhopige en niet heilzame herhaling, zoals in mysteriegodsdiensten om aan het mysterie te ontkomen”[16].
Wat de vijfde of derde eeuw betreft, Qohelet, die geen dwaas is, schrijft dit, hij ziet heel goed dat er al drieduizend jaar iets nieuws is in dit Nabije Oosten waar hij woont! Het wiel, de irrigatie, de landbouw, de navigatie, de domesticatie van de dieren… Wij zijn niet opgehouden met vooruitgang te maken! Natuurlijk weet hij dat. Een vooruitgang die niet zo snel gaat als de onze, maar die ook van fundamenteel belang is voor de toekomst van de mensheid. En toch zegt hij wat hij zegt. Het is omdat hij deze vooruitgang zeker niet nastreeft. Hij heeft het niet over wetenschap en technologie. Hij heeft het niet over instrumenten. Hij heeft het over de mens.
(…)
De mens van vandaag is niet intelligenter dan hij vijfduizend jaar geleden was. Hij is niet rechtvaardiger – hij is niet beter. Hij heeft niet eens meer kennis, want de kennis die hij tegenwoordig massaal verwerft (en die niet geïntegreerd is in een cultuur of in zijn persoonlijkheid!) wordt grotendeels gecompenseerd door de kennis die hij verliest, uit de natuur, uit het instinct, uit de intuïtie, uit de relatie.
(…) Wat kost elk voorschot eigenlijk? Wat verdwijnt er bij elke uitvinding? Welk nieuw gevaar schuilt er in elke techniek? Wat is de uiteindelijke “winst”? zou Qohelet zeggen. Zolang wij niet in staat zijn deze vragen volledig te beantwoorden, moeten wij de verheerlijking van de vooruitgang weer in ere herstellen.
(…)
Als christenen moeten wij vast weten dat wij niet op weg zijn naar het Koninkrijk van God. Zij zal niet komen wanneer de wereld geleidelijk gekerstend, bekeerd is, wanneer de maatschappij rechtvaardiger geworden is, enz.
Het is absoluut verbazingwekkend (in etymologische zin!) om de duurzaamheid, de bestendiging van deze enorme ketterij (die in onze moderne tijd culmineert in Teilhard de Chardin…) op te merken volgens welke geestelijke, religieuze, culturele vooruitgang ons naar het Koninkrijk Gods voert. [18]
Hij [Prediker] zegt niet dat er een val is en een vernieuwing, hij neemt niet het klassieke voorbeeld van de vegetatie. Hij geeft geen cyclisch model.
Als hij zich echter permitteert onze vooruitgangsideologie in twijfel te trekken, vervalt Prediker niet in de tegenovergestelde ideologie, die in een hele gedachtestroming van zijn tijd overheerst: het wonderbaarlijke verleden, de gouden eeuw van het verleden. [20]
Geen vlucht in het geheugen of in de glorierijke toekomst. Vandaag moet u zijn wat u bent. Dat is alles.


Jacques Ellul, La raison d’être, Méditation sur l’Ecclésiaste, Editons du Seuil, Paris, 1987

[1] Vertaald uit het Frans. Hier is het origineel: la-raison-detre-meditation-sur-lecclesiaste-par-jacques-ellul/

[16] Idem, p. 61

[17] Idem, p. 64

[18] Idem, p. 65

[19] Idem, p. 66

[20] Idem, p. 67

Een gedachte over “De reden van het zijn (3/19)

  1. Kort samengevat dus:
    In alles wat de mens doet, in zijn innovaties, in zijn vermeerdering van kennis, enzovoort, wordt de mens niet wijzer, en heeft alles geen effect op het bestaan.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.