De reden van het zijn (19/19)

Jacques Ellul, De reden van het zijn, Meditatie over Prediker[1]

Samenvatting

Deel 19

Hij [Prediker] heeft het allemaal gezegd. De verhandelingen over het menselijk leven, over het vertrouwen dat men in de mens moet stellen (onze ontelbare proclamaties over het geloof in de mens!) worden hier op de proef gesteld en er blijft niets van over. De toespraak eindigt, niet omdat de wijze meent zijn boek voltooid te hebben, maar omdat er niets meer over is, omdat er niets van de menselijke grandioze overblijft.
(…)
En als er geen menselijk gewin meer over is, dan is het enige wat veilig gehouden kan worden de vreze Gods en het in acht nemen van Zijn gebod.[124]
Inderdaad, de vreze Gods erkent deze God voor het absolute “U”, de mogelijkheid van een ware dialoog. Het is de grondslag van de ethiek die onmiddellijk religieus zal zijn. “Vreest God en houdt Zijn geboden; maar dat zijn geen twee verschillende gezindheden! Want God te vrezen is al Zijn geboden te onderhouden” (Dt V, 29).[125] Een laatste opmerking.
Een laatste opmerking. Deze eenvoudige woorden, vrees God, onderhoud zijn geboden, bevestigen de hypothese dat Qohelet een Griekse anti-filosofie schreef. Inderdaad, wanneer hij bevestigt dat hier het Al van de mens is, verkondigt hij het tegendeel van de filosofie.
(…)
De filosofie kan niet beginnen met zichzelf ongrijpbare en ongegronde voorschriften te geven. En dat is precies wat Qohelet doet: enerzijds moet men, als men zonder ijdelheid wil leven, een zekere vitale houding, vrees en eerbied hebben. Maar de filosoof kan geen eerbied vooraf hebben. Hij hoeft niet te gehoorzamen aan een vrees! Aan de andere kant, als u een geheel, een samenhang, een volheid wilt zijn, gehoorzaam dan de geboden van de Heer. Het is van hen dat gij zowel vrij als intelligent kunt zijn.[126]
“Vreest God, luistert naar Zijn woord”. Het enige vaste, stabiele punt. Heel de mens komt hierop neer. Alles, dat wil zeggen, daarbuiten is de mens niets.[127] Gehoorzaamheid is geen kwestie van de wil van God.

Gehoorzaamheid is niet in strijd met vrijheid. En hier hebben wij een niet over het hoofd te zien factor, die Qohelet kenmerkt. Hij heeft voortdurend blijk gegeven van een totale onafhankelijkheid van geest, hij heeft alle taboes ontruimd, hij heeft alle traditionele zeden en leerstellingen bekritiseerd, hij heeft alle gevestigde orde om hem heen overtreden, en hier keert hij terug tot wat het meest traditionele lijkt, het meest archaïsche, gehoorzaamheid aan de geboden.[128]
Maar het laatste woord blijft bij het oordeel. God zal elk werk, het goede en het slechte, alles wat verborgen is, in het oordeel brengen [XII, 14]. Nu verdient dit zinnetje het om nog een laatste keer overdacht te worden, en niet te snel afgedaan te worden. “Goed! Wij weten het! Het is het oordeel van de mens dat aangekondigd wordt, nogmaals na al deze meditatie komen wij alleen uit bij de God die de Rechter is. En toch! Hier zijn het niet de mensen die geoordeeld worden, God brengt elk werk in het oordeel. Het zijn de werken die geoordeeld worden, de mensen staan in zekere zin buiten dit oordeel. Het is de geschiedenis, het is de uitvinding, het is de wetenschap, het is de politieke of de economische activiteit, het is de cultuur, het zijn de piramiden of de kathedralen, het zijn de concentratiekampen en de ziekenhuizen, het zijn de werken, allemaal, intellectueel, moreel, geestelijk, materieel, dat zijn de dingen die in het oordeel overgaan.[129]


Jacques Ellul, La raison d’être, Méditation sur l’Ecclésiaste, Editons du Seuil, Paris, 1987

[1] Vertaald uit het Frans. Hier is het origineel: la-raison-detre-meditation-sur-lecclesiaste-par-jacques-ellul/

[124] Idem, p. 278

[125] Idem, pp. 279-280

[126] Idem, p. 280

[127] Idem, p. 282

[128] Idem, p. 282

[129] Idem, pp. 284-285

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.