De reden van het zijn (13/19)

Jacques Ellul, De reden van het zijn, Meditatie over Prediker[1]

Samenvatting

Deel 13

Het stel is prachtig, helaas is de kans oneindig klein dat het werkelijkheid wordt! Bij het opnieuw zoeken naar wijsheid en het opsporen van de waanzin, ontmoet Qohelet de vrouw. En het is dan (VII, 26-29) dat wij tegen deze muur aanlopen:

“Dit is wat ik gevonden heb, bitterder dan de dood is een vrouw die een strik is, wanneer haar hart een val is en haar armen ketenen. Wie de God behaagt, ontsnapt, maar de verliezer wordt gevangen genomen. Kijk eens wat ik gevonden heb, zegt de Verzamelaar, één voor één, om de reden te vinden die ik nog steeds zoek, maar niet gevonden heb! één man, vond ik op de duizend, maar één vrouw onder hen allen, vond ik niet. Kijk alleen naar wat ik gevonden heb: dat God de mens eerlijk gemaakt heeft, maar zij zoeken te veel naar rede. (Lys vertaling)[86]

Het is dus niet “de vrouw” in zichzelf die een valstrik, een strik, enz. is, anders zou hij haar natuurlijk wel gevonden hebben, en hij heeft haar ook gevonden! Het is dus noodzakelijk: de vrouw is verschrikkelijk als zij wordt…[87]
Zij [de vrouw] is het toppunt van de schepping, datgene wat al het goede, al het schone, al de wijsheid zou moeten samenvatten… En zie, wanneer zij voor de mens een val wordt die hem doet vallen, banden die hem gevangen houden, dan is zij veel erger dan al het andere!
Bovendien vormt de vrouw die de onvoltooide man voltooit, met hem het beeld van God door de liefde die zij elkaar toedragen. Maar wanneer zij in de plaats komt van de liefde en de banden van het geslacht, dan is zij bitterder dan de dood, en dit houdt zeer direct verband met het Hooglied [Boek der Liederen], dat ons zegt dat de liefde zo sterk is als de dood, en dat profeteert dat uiteindelijk de liefde (van God!) de dood zal overwinnen.[88]
(…) telkens eindigt alles met een perspectief op God. Wat het woord betreft, na de overvloed van woorden aan de kaak gesteld te hebben, besluit de Wijze: “Maar vreest God” (V, 6). De vreze Gods is de ware grens van het spreken, die ons moet beletten deze gave te misbruiken, en telkens als wij spreken, worden wij dus opgeroepen te bedenken dat het God is, die het Woord is. In den beginne was het Woord… Dit is de bron en de grens van ons spreken. En dit is het laatste woord van Qohelet erover! Wat het hebben betreft, komt het er allemaal op neer: “Het werk van God, die alles doet” (XI, 5) (…). Zolang wij dat hebben voor wat wij doen, moeten wij het terugbrengen tot deze laatste waarheid, dat uiteindelijk (“in laatste instantie” zouden geleerden zeggen), het inderdaad God is die de baas is over het werk, en de ware eigenaar van dit goed dat u wijd en zijd te geven hebt. Voor de vrouw en de man (…) is het laatste woord dat God de man recht (rechtvaardig, eerlijk) heeft gemaakt. Zo brengt elke weg ons terug naar dit beslissende punt.[89]


Jacques Ellul, La raison d’être, Méditation sur l’Ecclésiaste, Editons du Seuil, Paris, 1987

[1] Vertaald uit het Frans. Hier is het origineel: la-raison-detre-meditation-sur-lecclesiaste-par-jacques-ellul/

[86] Idem, pp. 190-191

[87] Idem, p. 191

[88] Idem, pp. 192-193

[89] Idem, p. 196

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.