De reden van het zijn (10/19)

Jacques Ellul, De reden van het zijn, Meditatie over Prediker[1]

Samenvatting

Deel 10

Ironie
De dwaas doet anderen verliezen en verliest zichzelf. “De lippen van een dwaas verliezen hem, het begin van de woorden van zijn mond is dwaasheid en het einde van zijn spreken is kwade dwaasheid.” Dit is geen oordeel van veroordeling, het is geen uitsluiting of “racisme”, het is ook geen verwerping en ontkenning van relatie, maar het is wel zo. De gek is respectabel, maar hij doet kwaad. Wij zien het elke dag in onze maatschappij.[61]
En weldra, met de beschaving van het beeld [de uitgave van Ellul’s boek dateert van 1987, en het is geschreven in 1984], zal zelfs het boek verdwijnen om vervangen te worden door de onmiddellijkheid van het zichtbare. Dan, als het televisiebeeld of zelfs het bioscoopbeeld (ondanks de videorecorder!) gemaakt is om snel geconsumeerd te worden en dan te verdwijnen, zal er geen soort hulpbron of herbronning van Wijsheid meer zijn. Trouwens, wat zou het mogelijk maken om via de televisie een Wijsheid uit te zenden die wijd en zijd, langzaam gerijpt is?[62]
De wijze wordt vergeten, zijn Wijsheid is tevergeefs. Niets kan van de ene generatie op de andere worden overgedragen. De dwaasheid die in 1930 begaan werd, herhaalt zich in 1960 en 1980. Met twee verschillen: het eerste is dat de dingen nu zo snel gaan dat er geen tijd meer is om enige Wijsheid uit de ervaring te trekken, en verder dat de middelen zoveel machtiger zijn geworden dat de gevolgen van deze dwaasheden onvergelijkelijk veel groter zijn dan die van de fouten die wij misschien gemaakt hebben. De afstand tussen de wijzen en de dwazen is dus oneindig klein. Qohelet waarschuwde ons. Wij beleven het met intensiteit, zonder deze waarschuwing te kennen, die wij vergeten zijn.
Soms schijnen wij aan de grenzen te komen, helemaal niet van de te begrijpen werkelijkheid, maar van de capaciteiten van onze intelligentie om te begrijpen… Maar hier is dan de ironie. Juist op het moment dat men gedwongen wordt deze ongrijpbaarheid te aanvaarden (zonder op te geven, natuurlijk, zich in te spannen!) verklaart Qohelet: “De wijze zegt dat hij weet…” Er is geen ergere goddeloosheid! De Wijsheid van deze wijze bestaat hierin, dat hij zegt: Ik weet…waar in werkelijkheid niemand gevonden heeft.[64]
I, 18: “Hij die zijn kennis vermeerdert, vermeerdert zijn pijn.”
Voor het eerst domineert de wetenschap alles, neemt alles over, gebruikt alles. Zij is de Grote Godin. Niemand kan iets tegen haar zeggen. En als wij toegeven dat het soms verkeerd wordt toegepast, dat er verkeerd gebruik van de wetenschap wordt gemaakt, dan is dat niet haar schuld. Als wij kunnen erkennen dat er soms ernstige wetenschappelijke fouten zijn gemaakt, dat wij gedwongen zijn om bloedige keuzes te maken, dat theorieën die tientallen jaren als waar werden aanvaard niet meer waar zijn, geven wij de wetenschap een wederdienst: “Ziet u, de wetenschap gaat vooruit, het is de grootheid van de wetenschap om haar fouten te erkennen. En als wij vandaag spreken over de crisis van de wetenschap, dan is dit opnieuw haar verdienste.

Want deze crisis is niets anders dan het moment van overgang van minder kennis naar betere kennis. Er bestaat geen twijfel over de uitkomst van de crisis: het zal een vooruitgang van de wetenschap zijn. Het is dus onoverwinnelijk. En uiteindelijk is het totaal onmogelijk om de balans op te maken.


Jacques Ellul, La raison d’être, Méditation sur l’Ecclésiaste, Editons du Seuil, Paris, 1987

[1] Vertaald uit het Frans. Hier is het origineel: la-raison-detre-meditation-sur-lecclesiaste-par-jacques-ellul/

[61] Idem, p. 138

[62] Idem, p. 140

[63] Idem, p. 141

[64] Idem, p. 144

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.