De reden van het zijn (1/19)

Jacques Ellul, De reden van het zijn, Meditatie over Prediker[1]

Samenvatting

Deel 1

Na binnen een ruime “marge” (tussen de zevende eeuw v. Chr. en het einde van de derde eeuw) gevarieerd te hebben, wordt onze tekst tegenwoordig gedateerd tussen 350 en 250, met een voorkeur voor de periode van de verovering van Alexander, iets ervoor of iets erna, d.w.z. rond 320.
(…)
Zonder twijfel komt Qohelet van qahal, dat vergadering betekent, maar het schijnt dat de afgeleide daarvan een creatie is die eigen is aan ons boek.
Hoeveel predikers durven over Qohelet te preken (op twee of drie verzen na, altijd dezelfde!) Welke grote theologen baseren zich erop? Ik noem willekeurig Thomas a Kempis, Kierkegaard… twee solisten bij uitstek.
Salomo wordt in de tekst niet uitdrukkelijk genoemd. Maar er kan nauwelijks twijfel bestaan over de bedoeling van de schrijver: hij is de zoon van David, koning van Israël en koning van Jeruzalem; dat wil zeggen, hij is gesitueerd vóór de breuk van de twee koninkrijken (Juda en Israël) en bijgevolg kan hij alleen Salomo zijn, en niet een of andere afstammeling van David.
(…)
In feite is de keuze van Koning Salomo als eponieme koning van uiterst belang! Natuurlijk is er Wijsheid. Wie zou er zo over kunnen spreken als hij, van wie gezegd wordt dat hij de auteur is van vijftienhonderd zinnen van Wijsheid, die voorgesteld wordt als het toonbeeld van rechtvaardigheid?
Wijsheid is geen erg duidelijk begrip. Deze Wijsheid van Qohelet is totaal verschillend van wat wij onder Wijsheid verstaan in het boek Job, dat zelf weer verschilt van de Wijsheid van Spreuken. [5]
Wat God aangaat is er geen “na de natuurkunde” [metafysica]; de Openbaring over God is geen filosofische verhandeling.
(…)
Er is geen filosofische voorbijgang aan de natuurkundige verklaring,  die  toegang zou kunnen geven tot de Openbaring.[6]
Zeker, hij [Prediker] is nog minder een moralist! Er is geen sprake van moraal in dit boek. Wanneer wij het tot dit niveau willen herleiden, dan is het waar dat de moraal die het aankondigt (net als die van Spreuken!) ons heel simplistisch, heel elementair lijkt!
(…)
Misschien is het juist een anti-moraal: al die vrome gemeenplaatsen gaan stuk op het punt: “Alles is ijdelheid”. Maar ja! Ook de moraal is ijdelheid!
(…)
Qohelet zegt niet wat zou moeten zijn, noch wat wenselijk is, maar wat is. Het menselijk leven, zou hij ons zeggen, is wat het is. Dit is geen les, het is een feit. Omdat wij teruggezonden worden naar de rauwe, onverbloemde, ongeillusioneerde werkelijkheid, dan moeten wij de consequenties trekken, wij staan tegen de muur. Laten we niet gaan dromen.
Karl Marx zou als zijn motto hebben genomen: “Twijfel aan alles.” Hij is niet de eerste. Wij kennen het “De omnibus dubitandum est”. Maar hij twijfelde helemaal niet: hij twijfelde noch aan zichzelf (aan het lijkenhuis en de haat van Proudhon of Bakoenin!), noch aan de vooruitgang, noch aan het werk.
Qohelet ging in alle opzichten veel verder dan Marx. Te beginnen met zichzelf op het toneel te zetten, om te laten zien hoeveel hij gedaan had.[8]


Jacques Ellul, La raison d’être, Méditation sur l’Ecclésiaste, Editons du Seuil, Paris, 1987

[1] Vertaald uit het Frans. Hier is het origineel: la-raison-detre-meditation-sur-lecclesiaste-par-jacques-ellul/

[2] Idem, p. 20

[3] Idem, p. 22

[4] Idem, p. 23

[5] Idem, p. 26

[6] Idem, p. 29

[7] Idem, p. 30

[8] Idem, p. 32

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.