De mythe van de Israëlische agressie: hoe ideologie geschiedenis vervangt

Ook Israëlische journalisten doen hun uiterste best de politieke situatie van Israël te verzwaren door een kritiek te leveren die bol staat van de aannames en ideologische argumentaties. Neem nu eens het volgende artikel van Gideon Levy in Haaretz, geciteerd door Michael Srba-Deywicz in LinkedIN. In samenvatting ziet dat er zó uit:

1. Israël handelt volgens Levy niet incidenteel maar structureel buiten juridische en morele grenzen: bombardementen in buurlanden, negeren van internationale instituties, en het inzetten van geweld zonder rem. De exclusieve controle over zware bewapening, inclusief kernwapens, is volgens hem geen stabiliserende factor maar een regionaal risico.
2. Het dominante narratief dat Israël altijd defensief zou hebben gehandeld, fungeert als stille legitimatie voor zijn monopolie op geweld. Levy stelt dat dit narratief historisch onhoudbaar is en dat het dringend moet worden gecorrigeerd.
3.Israëlische historici (Morris, Shlaim, Gordon) tonen volgens Levy aan dat Israël herhaaldelijk oorlogen provoceerde, escaleerde of preventief ontketende om strategische, territoriale en demografische doelen te bereiken. Oorlog was geen laatste redmiddel maar een instrument voor expansie. Het idee dat Israël “altijd werd aangevallen” is volgens hem een propagandistische mythe.
4. Als geweld structureel wordt ingezet om dominantie te vestigen, verandert de betekenis van “veiligheid”. Gaza is dan geen ontsporing maar een culminatie van een lang bestaande doctrine van overweldigende macht.
5. Israël eist regionale ontwapening terwijl het zelf maximale bewapening behoudt. De vraag waarom Palestijnen zich niet mogen bewapenen tegen kolonistenmilities en bezetting wordt beantwoord met het argument dat Israël een “verantwoordelijke staat” zou zijn. Levy noemt dit cynisch, omdat Israël volgens hem zelf internationale normen schendt.
6. Levy stelt dat Israël internationale rechtbanken negeert, humanitaire normen schendt en collectieve bestraffing toepast. De claim van morele superioriteit is volgens hem leeg wanneer Israël wederkerigheid (soevereiniteit, zelfverdediging, juridische gelijkheid) categorisch ontzegt aan anderen.
7. Israël gebruikt het gevaar van autoritaire regimes als argument tegen hun bewapening. Levy draait dit om: als onderdrukking en wetteloosheid argumenten zijn tegen Iraanse bewapening, waarom gelden die dan niet voor Israël zelf? De situatie van Palestijnen in bezet gebied is volgens hem slechter dan die van burgers in Iran.
8. De centrale vraag wordt: wie moet worden beschermd tegen Israël, niet andersom. Israël voert volgens Levy een oorlog van annihilatie en eist vervolgens ontwapening van iedereen behalve zichzelf. Dit is geen streven naar veiligheid maar naar een absoluut monopolie op geweld.
9. Dat monopolie, historisch bevochten en vandaag doorgevoerd, is volgens Levy al een eeuw lang de belangrijkste destabiliserende factor in de regio. En dit alles, benadrukt hij, is gebaseerd op Israëlische bronnen, niet op activistische slogans.

De analyse die hier wordt gepresenteerd, pretendeert een ontmaskering te zijn van een vermeend Israëlisch machtsmonopolie, maar rust op een selectieve lezing van de geschiedenis en een opmerkelijke blindheid voor de geopolitieke realiteit van het Midden-Oosten. Wat als “grensoverschrijdend geweld” wordt gepresenteerd, is in feite het gevolg van een unieke veiligheidsomgeving waarin geen enkele andere staat ter wereld functioneert. De auteur verwart noodzakelijke defensieve strategieën met expansionistische ambities en projecteert daarmee een ideologisch narratief op een complexe historische werkelijkheid.

1. De mythe van de “grenzeloze staat”

Het beeld van Israël als een staat die willekeurig buurlanden bombardeert en internationale instituties negeert, is een karikatuur. Israël opereert in een regio waarin meerdere staten en gewapende groeperingen expliciet hebben opgeroepen tot zijn vernietiging. Preventieve of extraterritoriale acties zijn geen uitdrukking van machtswellust, maar van een strategische noodzaak die voortkomt uit een combinatie van geografische kwetsbaarheid, asymmetrische oorlogsvoering en een decennialange geschiedenis van existentiële dreiging.

De suggestie dat Israël internationale instituties “naast zich neerlegt” miskent bovendien de structurele politisering van die instituties, waarin numerieke meerderheden vaak belangrijker zijn dan juridische consistentie. Een staat die zich verdedigt tegen raketten, infiltraties en terreuraanslagen kan niet afhankelijk zijn van organen die in de praktijk traag, verdeeld en vaak partijdig opereren.

2. De selectieve inzet van de New Historians

Levy/Srba-Deywicz  beroept zich op Morris en Shlaim alsof hun werk een definitieve historische consensus vertegenwoordigt. Dat is niet het geval. Hun interpretaties zijn onderwerp van intens debat, en zelfs Morris heeft later afstand genomen van eerdere conclusies die te ver gingen in het toeschrijven van agressieve intenties aan Israël.

Het feit dat sommige oorlogen preventieve elementen bevatten, betekent niet dat zij expansionistisch waren. Preventieve oorlog is een erkend fenomeen in internationale betrekkingen en wordt juist ingezet wanneer een staat een reële, acute dreiging ervaart. De Arabische staten die Israël in 1948, 1967 en 1973 bevochten, deden dat niet uit territoriale voorzichtigheid, maar uit expliciete vernietigingsdoelen. Dat gegeven wordt in de tekst volledig genegeerd.

3. Het misverstand over het “monopolie op geweld”

Levy/Srba-Deywicz stelt dat het “cynisch” is dat Israël bewapening voor zichzelf reserveert maar anderen ontwapening oplegt. Dat is een miskenning van een fundamenteel principe van internationaal recht: alleen staten hebben een legitiem monopolie op geweld.

De Palestijnse Autoriteit heeft herhaaldelijk laten zien niet in staat te zijn haar eigen veiligheidsdiensten te controleren, laat staan milities te beteugelen. Het idee dat bewapening van niet-statelijke actoren stabiliserend zou werken, is historisch en empirisch onhoudbaar. Israëlische kernwapens worden bovendien algemeen beschouwd als een afschrikkingsmiddel, niet als een instrument van agressie — een feit dat wordt bevestigd door het simpele gegeven dat ze nooit zijn ingezet.

4. De morele vergelijking met autoritaire regimes

De vergelijking tussen Israël en autoritaire regimes in de regio is retorisch effectief, maar analytisch leeg. Israël is een democratische rechtsstaat met onafhankelijke rechtspraak, vrije pers en regelmatige machtswisselingen. Dat het land in oorlogssituaties fouten maakt, plaatst het niet in dezelfde categorie als regimes die systematisch politieke gevangenen martelen, minderheden onderdrukken en geen enkele vorm van democratische legitimiteit kennen. Levy/Srba-Deywicz verwart morele imperfectie met morele gelijkwaardigheid. Dat is een categoriefout.

5. Gaza als “culminatie” van een doctrine

Levy/Srba-Deywicz’s claim dat Gaza de “ultieme consequentie” is van een Israëlische doctrine van dominantie, negeert de rol van Hamas volledig. Hamas heeft sinds zijn oprichting expliciet de vernietiging van Israël nagestreefd, heeft herhaaldelijk wapenstilstanden geschonden en gebruikt zijn eigen bevolking als menselijk schild.

Dat Israël reageert op raketaanvallen, gijzelingen en massamoorden is geen bewijs van expansionisme, maar van de plicht van een staat om zijn burgers te beschermen. De term “annihilatieoorlog” is een hyperbool die meer zegt over de retoriek van de auteur dan over de feiten op de grond.

6. De misplaatste beschuldiging van regionale destabilisatie

De regio was instabiel lang vóór de oprichting van Israël: sektarische conflicten, koloniale grenzen, militaire coups en burgeroorlogen bepaalden het politieke landschap. De grootste destabiliserende factoren van de afgelopen decennia waren de Iraanse revolutie, de Syrische burgeroorlog, de opkomst van ISIS en de voortdurende rivaliteit tussen regionale grootmachten.

Israël heeft daarentegen vredesverdragen gesloten met Egypte, Jordanië en meerdere Arabische staten via de Abraham-akkoorden. Dat zijn objectieve stabiliserende factoren die de auteur volledig negeert.

7. De retorische paradox

Levy/Srba-Deywicz beweert dat Israël zichzelf boven het recht plaatst, maar doet dat door eenzijdig bronnen te selecteren, context weg te laten en complexe geopolitieke realiteiten te reduceren tot een moralistisch schema. De tekst pretendeert kritisch te zijn, maar vervalt in dezelfde simplificaties die hij anderen verwijt.

Wie werkelijk geïnteresseerd is in regionale veiligheid, moet erkennen dat Israël niet opereert in een vacuüm, maar in een omgeving waarin vijandigheid, asymmetrische dreiging en politieke instabiliteit de norm zijn. De vraag is niet of Israël perfect handelt — geen enkele staat doet dat — maar of het handelen begrijpelijk is binnen de omstandigheden. Een analyse die die omstandigheden negeert, is geen kritiek maar een politieke constructie.

 

 

Dit bericht is geplaatst in Israël. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *