De vraag of Israël in Gaza handelt binnen de grenzen van het internationaal recht raakt aan een van de meest complexe domeinen van het hedendaagse volkenrecht: jus ad bellum, het rechtskader dat bepaalt wanneer staten geweld mogen gebruiken. In de discussie over Gaza staat dit kader centraal, omdat het bepaalt of Israëlische militaire operaties moeten worden gezien als een rechtmatige uitoefening van zelfverdediging of als een onrechtmatige daad van agressie. De bestaande literatuur en juridische analyses laten zien dat deze vraag niet eenvoudig te beantwoorden is, omdat verschillende interpretaties van het recht naast elkaar bestaan en elkaar soms rechtstreeks tegenspreken. Van essentieel belang is ook de vraag of er sprake is van een bezetting door Israël van Gaza.
Een eerste benadering richt zich op de vraag of Israël zich in een voortdurende gewapende confrontatie met Hamas bevindt. Volgens deze redenering vormt het conflict geen reeks afzonderlijke episodes, maar één doorlopend geheel dat teruggaat tot ten minste 2007. Vanuit dit perspectief hoeft Israël niet telkens opnieuw een beroep te doen op artikel 51 van het VN‑Handvest om militaire operaties te rechtvaardigen; de voortdurende vijandelijkheden zouden dat beroep als het ware “vervangen”. Critici plaatsen hier echter kanttekeningen bij. Zij vrezen dat deze benadering het Handvest uitholt door staten een permanent recht op geweld toe te kennen, zonder dat telkens opnieuw wordt getoetst aan de vereisten van noodzakelijkheid en proportionaliteit. Daarmee zou een fundamenteel beschermingsmechanisme van het internationale recht worden verzwakt.
Een tweede benadering concentreert zich op het klassieke recht op zelfverdediging. Israël en zijn bondgenoten stellen dat aanvallen zoals die van 7 oktober 2023 ondubbelzinnig vallen onder de categorie “gewapende aanval”, waardoor het inherente recht op zelfverdediging wordt geactiveerd. De discussie spitst zich hier toe op de vraag of dit recht ook kan worden ingeroepen tegen een niet‑statelijke actor als Hamas. Sommige juristen houden vast aan een strikt interstatelijke interpretatie van artikel 51, terwijl anderen betogen dat Gaza een uitzonderlijk geval vormt: een gemeenschap die wel aanspraak maakt op zelfbeschikking, maar niet in staat is te voorkomen dat een gewapende organisatie vanaf haar grondgebied aanvallen uitvoert. In dat licht zou een defensieve reactie toch gerechtvaardigd kunnen zijn.
Een complicerende factor is de vraag of Israël op 7 oktober als bezettende macht kon worden beschouwd. In het advies van het Internationaal Gerechtshof uit 2004 over de Westoeverbarrière werd gesuggereerd dat een bezettende macht geen beroep kan doen op zelfverdediging tegen aanvallen afkomstig uit het door haar gecontroleerde gebied. Verschillende analyses wijzen er echter op dat Israël op het moment van de aanval geen permanente militaire aanwezigheid in Gaza had en daarmee niet voldeed aan de klassieke criteria voor bezetting. Deze interpretatie opent de deur voor een zelfverdedigingsclaim, al blijft dit onderwerp omstreden.
Sharvit‑Baruch, Pnina. “Is the Gaza Strip Occupied by Israel?” in: Israel’s Rights as a State in International Diplomacy.
“Sinds de terugtrekking van Israëlische troepen en burgers, en de ontmanteling van de nederzettingen in de Gazastrook in 2006, is er veel geschreven en gedebatteerd over de vraag of Israël het gebied desondanks blijft ‘bezetten’. Inderdaad blijven VN‑resoluties en VN‑rapporteurs Israël aanduiden als de ‘bezettingsmacht’ in de Gazastrook, ondanks het feit dat Israël daar niet langer aanwezig is en de terreurorganisatie Hamas er inmiddels haar eigen bestuur heeft gevestigd.
Zelfs wanneer het recht op geweldgebruik wordt aangenomen, blijven de beginselen van noodzakelijkheid en proportionaliteit van kracht. Noodzakelijkheid vereist dat geen redelijk alternatief voorhanden is dat minder ingrijpend is dan militair geweld. Proportionaliteit vraagt dat het ingezette geweld niet verder gaat dan nodig is om het defensieve doel te bereiken. In de context van Gaza wordt deze proportionaliteit op twee manieren besproken. Enerzijds is er de functionele proportionaliteit: de vraag of het doel — bijvoorbeeld het uitschakelen van Hamas — niet zo breed wordt geformuleerd dat het vrijwel onbeperkte geweld legitimeert. Anderzijds is er de kwantitatieve proportionaliteit, waarbij de schade die wordt aangericht wordt afgewogen tegen de schade die men probeert te voorkomen. Critici wijzen op het hoge aantal burgerslachtoffers en de humanitaire situatie in Gaza als aanwijzingen dat deze balans mogelijk is doorgeslagen.
Een bijzonder punt van discussie vormt de periode waarin Israël de doorgang van humanitaire hulp tijdelijk volledig opschortte. Sommige juristen beschouwen dit als een blokkade die als een zelfstandige daad van geweld moet worden beoordeeld onder jus ad bellum. Vanuit dat perspectief zou de maatregel disproportioneel kunnen zijn geweest in verhouding tot de beoogde defensieve doelen.
Tegenover deze benaderingen staat een geheel andere interpretatie, die niet uitgaat van zelfverdediging maar van agressie. Verschillende internationale instellingen en staten beschouwen de Israëlische aanwezigheid in Gaza — ook na de terugtrekking van 2005 — als een vorm van voortdurende controle die neerkomt op een onrechtmatige bezetting. Wanneer een bezetting wordt gezien als onderdeel van een bredere intentie om grondgebied te annexeren of permanent te beheersen, kan zij worden aangemerkt als een illegale daad van geweld vanaf het begin. Vanuit dit perspectief is niet de vraag of Israël proportioneel handelt, maar of het überhaupt gerechtigd is om geweld te gebruiken in een gebied waarvan de status zelf als onrechtmatig wordt beschouwd.
De kwestie van de bezetting van Gaza: