De ingevoegde verzen in Johannes 1:1-18 kunnen als volgt worden vertaald:
Er trad een mens op, door God gezonden; zijn naam was Johannes. Hij kwam om te getuigen, om van het licht te getuigen, zodat allen door hem zouden geloven. Hij was zelf niet het licht, maar hij moest getuigen van het licht.
Maar allen die hem wel ontvingen en in zijn naam geloofden, heeft hij het recht gegeven kinderen van God te worden. Zij zijn niet uit bloed, niet uit de wil van het vlees of de wil van een man geboren, maar uit God.
Johannes getuigde van hem en riep: ‘Hij die na mij komt, gaat mij voor, want hij was er vóór mij.’
Want de wet is door Mozes gegeven, maar de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen. Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon, die zelf God is en in het hart van de Vader verblijft, heeft hem bekendgemaakt.
Het begin van het Johannesevangelie kan worden gezien als een hymne aan het Woord, een verheven meditatie over de eeuwige Logos die bij God was, door wie alles geschapen is, en die is belichaamd in Jezus van Nazareth.
Dat blijkt bijvoorbeeld uit de poetische vorm die deze proloog in de Aramese Peshitta heeft gekregen. Toch zijn er in deze hymne prozaïsche onderbrekingen te vinden: zinnen die de poëtische stroom doorbreken en de hymne verankeren in de geschiedenis. Deze toevoegingen zijn geen toevallige verstoringen, maar bewuste theologische verduidelijkingen die de hymne omvormen tot een proloog voor het evangelie.
De eerste onderbreking komt in de verzen 6–8, waar Johannes de Doper wordt geïntroduceerd. De hymne spreekt over het licht dat in de duisternis schijnt, maar ineens horen we over “een mens, door God gezonden, Johannes genaamd”. Dit is geen onderdeel van de kosmische cadans van de hymne, maar een narratieve kanttekening. Ze zorgt ervoor dat de gemeenschap Johannes niet verwart met het licht zelf. Zijn rol is getuige, niet bron. In een context waarin sommigen Johannes mogelijk een te hoge status gaven, benadrukt de evangelist dat Christus het ware licht is, en dat Johannes’ grootheid ligt in zijn getuigenis.
In de verzen 12–13 volgt een tweede toevoeging. De hymne beschrijft hoe het Woord in de wereld kwam en door de zijnen niet werd ontvangen. Hier legt de evangelist uit wat het betekent om het Woord wél te ontvangen: wie gelooft, krijgt de volmacht om een kind van God te worden. Dit is geen poëtische wending, maar een pastorale verduidelijking. Het maakt duidelijk dat het kindschap van God niet berust op natuurlijke afkomst, maar op geloof en goddelijke geboorte. Voor de gemeenschap is dit een identiteitsverklaring: hun nieuwe bestaan is geworteld in Gods initiatief.
Vers 15 onderbreekt opnieuw met Johannes’ getuigenis: “Hij die na mij komt, gaat mij voor, want hij was er vóór mij.” Deze parenthetische opmerking versterkt het eerdere punt. Johannes erkent Jezus’ pre-existentie en superioriteit, en echoot zo het thema van de hymne dat het Woord van eeuwigheid is. Het is alsof de evangelist Johannes’ stem in de hymne wil verweven, zodat de Doper zelf Christus’ voorrang bevestigt.
Ten slotte geven de verzen 17–18 een prozaïsche climax. De hymne heeft al verklaard dat het Woord is belichaamd en Gods heerlijkheid heeft geopenbaard. Nu wil Johannes de rol van de Messias verduidelijken door te stellen dat Mozes weliswaar de Wet heeft geopenbaard, maar dat met Jezus Christus de genade en waarheid van de Torah tot volle uitdrukking kwam. De onzichtbare God in de Torah, zelfs voor Mozes ontoegankelijk, wordt door de Zoon bekendgemaakt. Deze toevoeging is niet slechts commentaar, maar een theologische omlijsting. Ze plaatst de hymne binnen de geschiedenis van Israël en toont continuïteit met de Torah, maar het insisteert ook op een radicale vervulling ervan in Christus.
Samen maken deze toevoegingen van de hymne een proloog. Ze verbinden de kosmische Logos met de historische Jezus, verduidelijken Johannes’ rol, definiëren de identiteit van gelovigen, en benadrukken dat Christus de ultieme openbaring van God is. Zonder deze onderbrekingen zou de hymne een prachtige, maar abstracte meditatie blijven. Met hen wordt ze de inleiding tot een verhaal dat zich ontvouwt in het evangelie, en dat Jezus presenteert als het belichaamde Woord of de Torah die God als de Vader zichtbaar maakt.