De hervormingen van Koning Josia in 2 Koningen 23 – de kritiek van Jacques Ellul

De hervormingen van koning Josia in 2 Koningen 23 vormen in de Bijbelse geschiedenis een moment van uitzonderlijke helderheid: een koning die werkelijk doet wat recht is in de ogen van de Heer, een volk dat — althans voor een ogenblik — terugkeert naar het verbond, en een land dat wordt gezuiverd van de afgoden die generaties lang het religieuze landschap hadden vervuild.

Maar in de lezing van Jacques Ellul, die de geschiedenis van Israël steeds beschouwt binnen de spanning tussen de politiek van de mens en de politiek van God, krijgt Josia’s hervorming een tragische diepte. Zij is een hoogtepunt, maar tegelijk een teken van hoe ver de geschiedenis al gevorderd was naar een punt van onomkeerbaarheid.

Ellul ziet in de Deuteronomistische geschiedenis een verslag van de mislukking van menselijke machtssystemen. De monarchie, ooit ingesteld uit een verlangen om “als de andere volken” te zijn, draagt vanaf het begin de kiem van haar eigen ondergang in zich. Tegen die achtergrond verschijnt Josia als een lichtflits: een koning die werkelijk luistert, die het boek van de Tora hoort en niet wegkijkt, die het land zuivert en het volk opnieuw onder het juk van het verbond brengt. Maar juist deze uitzonderlijkheid bevestigt voor Ellul de regel. Josia’s hervorming is oprecht, maar zij komt te laat. De geschiedenis van ontrouw, de inertie van het koninklijke systeem, en de diepe verstrengeling van religie en politiek hebben het oordeel al in beweging gezet. De ballingschap is niet het gevolg van Josia’s falen, maar van het falen van het systeem dat hij tijdelijk wist te corrigeren. In Elluls termen: de politiek van de mens had haar eigen logica al voltrokken, en zelfs een rechtvaardige koning kon die niet meer ombuigen.

Daarmee raakt Ellul aan een tweede punt: de structurele onmogelijkheid dat zelfs een “goede” koning het volk duurzaam kan dragen. De monarchie is voor hem geen neutraal instrument, maar een instelling die vanaf haar oorsprong gebouwd is op wantrouwen tegenover God. Josia’s trouw is daarom niet het bewijs dat het koningschap werkt, maar het bewijs dat het soms ondanks zichzelf iets goeds voortbrengt. Zijn regering is een vicariaat, een tijdelijke vertegenwoordiging van gerechtigheid, maar geen structurele oplossing. De geschiedenis van Israël laat volgens Ellul zien dat de staat — zelfs in zijn beste vorm — de mens eerder verleidt tot vertrouwen op macht dan tot vertrouwen op God. De hervorming van Josia is daarom een schittering in een systeem dat uiteindelijk niet kan redden.

Vanuit dit perspectief wordt ook duidelijk waarom Ellul zo kritisch is op religieuze hervormingen die van bovenaf worden opgelegd. Josia’s hervorming is intens, radicaal, en oprecht. Hij vernietigt de altaren, breekt de hoogten af, verwijdert de afgodsbeelden, en centraliseert de eredienst in Jeruzalem. Maar voor Ellul schuilt hierin een gevaar dat hij de politieke illusie noemt: het idee dat religieuze zuiverheid door politieke macht kan worden afgedwongen. De zonde van Jerobeam — religieuze beslissingen nemen om politieke redenen — wordt door Josia niet herhaald, maar de structuur blijft dezelfde: de staat grijpt in op het domein van de eredienst. Ellul benadrukt dat echte verandering niet voortkomt uit decreten, maar uit het Woord dat de mens aanspreekt en hem tot een vrije beslissing brengt. Waar religie wordt beheerd door politieke middelen, dreigt zij te worden gereduceerd tot een instrument van nationale eenheid of morele controle. De hervorming van Josia is daarom zowel indrukwekkend als ambigu: zij toont de ernst van het verbond, maar ook de grenzen van staatsgestuurde religie.

In zijn vergelijking met de hervormingen van Hizkia laat Ellul zien dat zelfs succesvolle hervormingen vaak niet radicaal genoeg zijn in hun breuk met de wereld. Hizkia vertrouwde uiteindelijk toch op politieke berekening, op bondgenootschappen en militaire strategieën, en die dubbelheid ondermijnde zijn religieuze vernieuwing. Voor Josia geldt iets soortgelijks: hoewel hij de afgoden verwijdert, blijft het koninkrijk functioneren binnen dezelfde logica van macht, veiligheid en politieke zorg. De hervorming toont Gods heiligheid, maar zij toont niet de “gans andere” aard van Gods politiek, die niet steunt op macht maar op het Woord, niet op centralisatie maar op roeping, niet op staatskracht maar op gehoorzaamheid.

Het meest aangrijpende element in Elluls lezing is echter zijn onderscheid tussen tijdelijke verwerping en eeuwige liefde. De ondergang van Josia’s dynastie en de val van Jeruzalem zijn geen bewijs dat God zijn volk heeft verlaten. Zij zijn een teken dat God een politiek systeem kan verwerpen zonder het volk zelf te verwerpen. De monarchie sterft, maar het volk blijft. De tempel wordt verwoest, maar het Woord blijft. De geschiedenis wordt onderbroken, maar de belofte niet. In de ballingschap ontstaat de rest, het kleine overblijfsel dat wortel en vrucht zal dragen. Josia’s hervorming is daarom niet vergeefs: zij is een getuigenis, een herinnering aan wat trouw eruitziet, en een waarschuwing dat zelfs de beste menselijke politiek niet kan redden wat alleen God kan bewaren.

Zo wordt Josia bij Ellul een figuur van tragische schoonheid. Zijn hervorming is echt, zijn gehoorzaamheid is diep, zijn verlangen naar zuiverheid is oprecht. Maar zijn project staat binnen de grenzen van de politiek van de mens, en die politiek kan nooit het laatste woord hebben. Het laatste woord behoort toe aan de politiek van God: het onverwachte, vrije, oncontroleerbare handelen dat menselijke structuren doorbreekt en de geschiedenis openhoudt voor verlossing. In dat licht is Josia’s hervorming zowel een hoogtepunt als een grenssteen, zowel een herinnering aan wat mogelijk is als een getuigenis van wat de mens niet kan. En precies daar, in die spanning, wordt de geschiedenis van Israël tot een spiegel voor elke tijd die hoopt zichzelf te redden door macht, hervorming of techniek — terwijl de ware vernieuwing altijd begint bij het Woord dat spreekt en de mens die luistert.

Dit bericht is geplaatst in Jodendom. Bookmark de permalink.

Eén reactie op De hervormingen van Koning Josia in 2 Koningen 23 – de kritiek van Jacques Ellul

  1. B Santema schreef:

    Een mogelijkheid is ook dat Josia luistert naar de profeet. Maar dan…als God en Zijn profeet zwijgen… dan is het einde Megiddo. Zie prachtige boek van Franz Werfel over de profeet Jetemia.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *