De hanepoten van de demonen in de Talmoed – Berachot 6a

We lezen in de Babylonische Talmoed, Berachot 6a:

We hebben geleerd: Abba Benjamin zegt, “als het oog het vermogen had om ze te zien, zou niemand de demonen kunnen verdragen.” Abaye zei: “ze zijn groter in aantal dan wij en omringen ons als de randen van een veld.”

Rabbi Huna zei: “ieder van ons heeft er 1000 op zijn linkerhand en 10.000 op zijn rechterhand.”

Raba zegt: “het gedrang bij de lezingen in de Babylonische leerhuizen is aan hen te wijten. Vermoeidheid in de knieën is aan hen te wijten. De slijtage van de kleren van de geleerden is te wijten aan het feit dat ze er tegen aan wrijven. Gekneusde voeten zijn aan hen te wijten. Als iemand ze wil ontdekken, moet hij gezeefde as nemen en die rond zijn bed strooien, en ’s morgens zal hij iets zien dat lijkt op de voetafdrukken van een haan. Als iemand ze wil zien, laat hij dan de nageboorte nemen van een zwarte poes, de nakomeling van een zwarte poes, de eerstgeborene van een eerstgeborene, laat hem die op vuur roosteren en tot fijn poeder vermalen, en daarna iets daarvan in zijn ogen doen, en hij zal hen kunnen zien. Hij moet het ook in een ijzeren pijp gieten en die verzegelen met een ijzeren verzegeling zodat zij (de demonen) het niet van hem zullen stelen. Hij moet ook zijn mond sluiten, om schade te voorkomen.

Rabbi Bibi ben Abaye deed dit, zag ze en lijdt schade. De geleerden echter hebben voor hem gebeden en hij herstelde.

Wat is dit voor een passage? Het moderne vooroordeel over vooroordelen laat ons hier zeggen, dat dit typerend moet zijn voor de wereldbeschouwing van mensen in de premoderne tijd. Het geloof in onzichtbare machten, in engelen en demonen, in de geesten van voorvaderen en de bedreiging van de zielen van overledenen horen allemaal tot de definitief verleden tijd. De Verlichting heeft deze bijgelovige duisternis in het museum van de menselijke fantasie doen belanden.

Als je deze vaak herhaalde en bijna mechanisch toegepaste redenering volgt, ontgaat je de werkelijke functie van deze passage. De tekst kan niet worden gelezen als een bewuste affirmatie van het (zelfstandige) bestaan van demonen. Niet alleen omdat er geen discussie was, geen twijfel over de realiteit van kwade machten en geesten. Demonen behoorden tot het vocabulaire waarmee mensen hun ervaringen konden verklaren, evenzeer als met de zichtbare machten van gezagsdragers of de tastbare werking van wapens. Demonen behoorden tot het gespecialiseerde religieuze vocabulaire waarmee over de beschadiging aan de menselijke werkelijkheid kon worden gesproken waaraan geen rechtstreekse, onloochenbare, menselijke of natuurlijke oorzaak gekoppeld was.  De vraag of hun bestaan kon worden opgevat als analoog aan de existentie van een mens of dier, was zinloos zolang het bestaan van iets of iemand niet de uitkomst was van een empirisch onderzoek of moest worden aangetoond door middel van een redenatie op grond van ervaring, maar alleen werd aangenomen op grond van een conformiteit met bestaande religieuze overtuigingen, vervat in een gecodificeerd en gezaghebbende literatuur.

Daarom is de passage uit de Talmoed zo bijzonder. Zelfs de schijnbaar ernstige opvatting van Abba Benjamin waarmee deze passoek begint, ontleent zijn eigenlijke betekenis aan de luchthartige overdrijving van de realiteit. Immers, het oog heeft het vermogen niet om ze te zien, de onzichtbaarheid van de demonen is de reden dat ze geen schade berokkenen. Om de ontluistering van de demonen goed te zien, is slechts een kleine fantasievolle transformatie van de tekst benodigd. Abba Benjamin zegt dat niemand de demonen zou kunnen verdragen, ware het niet dat ze onzichtbaar waren. Daarachter schuilt de gedachte, dat iedereen de demonen kan verdragen, juist omdat we ze niet kunnen zien. In die vorm is de uitspraak een contradictie tegenover allen die klagen over de voortdurende kwalijke werking van demonen in hun leven. Ons menselijk falen, onverklaarbare momenten van angst, verkeerde beslissingen met tragische gevolgen, al dat zou aan de demonen kunnen worden toegeschreven. Maar gelukkig! De demonen zijn naar hun eigen aard onzichtbaar en daarmee onschadelijk gemaakt.

Abaye’s bewering dat de demonen groter in aantal zijn dan wij, is eveneens schijnbaar een ernstige uitspraak over de kwaadaardige realiteit van de demonenwereld. Maar kan dat nog worden volgehouden na lezing van het tweede deel van zijn uitspraak? De gedachte dat de demonen ons omringen als de rand van een veld zegt immers eveneens dat ze niet tot ons innerlijk bestaan kunnen doordringen. Daarmee is hun bestaan tot niets gereduceerd. Evenmin als de rand van een veld eigenlijk zelf iets is, behalve dan het einde van het veld. Is de rand van een veld eigenlijk niet zelf ook onzichtbaar en alleen maar een abstracte gedachte aan de eindigheid in de ruimte van een veld? Dat is eigen aan elk begrip dat een grens wil uitdrukken, nl. dat die grens zelf helemaal niets is. Ook hier wordt in feite korte metten gemaakt met de gedachte dat hun grotere aantal ook een daadwerkelijke bedreiging van ons bestaan zou betekenen. Zij “omringen ons” immers zonder tot ons te kunnen doordringen. Ze hebben evenveel uitwerking op ons als de rand van een veld op dat veld.

Rabbi Huna is de derde stem in deze discussie wanneer hij zegt: “ieder van ons heeft er 1000 op zijn linkerhand en 10.000 op zijn rechterhand.” Opnieuw is op het eerste gezicht de strekking van de uitspraak een waarschuwing voor de nabijheid van kwaadaardige machten. Maar de tekst van Huna is in feite een citaat uit Psalm 91. We lezen daar in het zevende vers: “al zullen er 1000 vallen aan uw zijde en 10.000 aan uw rechterhand – bij u zal het onheil niet komen.” De 1000 op je linkerhand zijn in de psalm echter menselijke strijders. Het is een beeld van een koning in de strijd die door een overmacht van vijanden ter linker- en ter rechterzijde bedreigd wordt. Daarin ligt toch de suggestie, dat het werkelijke gevaar van de strijders in de oorlog komt, van zichtbare “demonen” dus. De “demonen” worden door de toepassing van het psalmvers tot een metafoor van de werkelijke strijders van Psalm 91. Daarmee worden ze beroofd van hun zelfstandige realiteit. Sterker nog, voor de eerste lezers staat het vervolg van het citaat onmiddellijk voor de geest: “bij u zal het onheil niet komen.” Wanneer dat de belofte is van de Psalm 91 voor de koning in de werkelijke strijd, dan wordt het door de opname van deze uitspraak van Rabbi Huna tot de belofte van een volledige bescherming zelfs tegenover een overmacht aan demonen.

Tenslotte worden de demonen van hun kwaadaardige werking beroofd, juist door de luchtige trivialiteit van de voorbeelden van hun werking in de uitspraken van Raba. Alles wat de demonen kunnen doen is een gevoel geven van “gedrang”, dat niet voortkomt uit het werkelijke grote aantal van de leerlingen dat deze bijzondere lezingen bijwonen. Daarvoor kan ik maar één verklaring voor vinden. Zou het hier kunnen gaan om het verschil tussen de waarneming van een volle zaal en het gevoel opgesloten te zijn in een mensenmassa? Het feit dus dat wij een gedrang beleven terwijl we in werkelijkheid niet eens zo dicht op elkaar gepakt zijn? Zo kan aan de demonen – maar dat is dan fictie! – iets worden toegeschreven wat in werkelijkheid een psychische overdreven reactie is op een waarneming.

Het eerste deel van de passoek lijkt dus eerder op een relativering van de gedachte aan een demonische invloed, dan een ondersteuning ervan. Dat lijkt anders te zijn in het tweede gedeelte dat begint in het midden van de uitspraken van Raba. “Als iemand ze wil ontdekken…” Hier kun je meteen al een moment pauzeren om te vragen, waarom iemand dat zou willen. De onzichbaarheid van de demonen is juist een bescherming tegen die demonen.  Maar dan het vervolg. Het hierna beschreven magische ritueel bevestigt opnieuw op het eerste gezicht onze vooroordelen over het bijgeloof van de premoderne tijd. Het lijkt op een voodoo-ritueel. Men kan de aanwezigheid van demonen zichtbaar maken door as te strooien rond het bed zodat de volgende ochtend de pootafdrukken van een haan zichtbaar worden. Ten eerste: waarom zou iemand die demonen zichtbaar willen maken? Dat op zich al suggereert een ongeloof aan hun bestaan. Ten tweede: als de demonen zichtbaar worden blijken ze net zulke pootjes te hebben als hanen Is dat niet een luchthartige wijze om elke waardigheid aan de demonen te ontzeggen? Ten derde: de demonen worden met een hanenpoot zichtbaar rond om het bed. Dat maakt opnieuw duidelijk dat de wereldbeschouwing die hier aan het werk is een innerlijke werking, laat staan een bezetenheid van demonen ontkent.  Of men in het taaluniversum van het Hebreeuws en Aramees kan zeggen, dat de demonen dus met hanepootjes  – onhanding en onhelder – “geschreven” zijn in onze levensbeschouwing, is nog maar de vraag.

Mij geeft het in ieder geval en norm veel plezier om te ontdekken dat Rabbi Bibi dit ingewikkelde ritueel, dat het mogelijk maakt om de demonen ook te zien, ook  werkelijk wist uit te voeren. De poes die hij daarvoor nodig had moet een bijzonder zeldzaam verschijnsel zijn: zwart, nakomeling van een zwarte poes, en dan nog de eerstgeborene van eerstgeborene – probeer dat maar eens vast te stellen wanneer een poes jongen krijgt. En probeer maar eens snel genoeg erbij te zijn om de nageboorte te kunnen wegnemen voordat de moederpoes die zelf opeet.

De laatste regels vormen het waardige slot van deze tekstuele degradatie van de demonen. Rabbi Bibi  lijdt schade. Het is het enige moment dat er van waarachtig kwaad sprake lijkt te zijn. De laatste regel werkt daarom als de punchline in een goede grap:
“De geleerden hebben echter voor hem gebeden en hij herstelde.”

De taal hier is de premoderne taal die schijnbaar het bestaan van kwade geesten en demonen eenvoudigweg als een realiteit aanneemt. Maar de gedachtegang wijst eerder op het tegendeel, ze is modern in haar gewilde ontmaskering van een mythische, disfunctionele taal, de ontwapening van de demonen, die op hun plaats worden gezet. Als opgewonden haantjes kakelen ze rondom de gelovigen, die hen niet zien noch horen en daardoor ook geen schade lijden. Behalve wat pijn in de knieën en slijtage aan de kleren en het gevoel van beknelde voeten, hebben de demonen in deze wereld niets te betekenen. En zo is het.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *