De fout van het christenzionisme (2)

1. Christenzionisme en israëlisme kennen Israël ten onrechte een blijvende religieuze uitzonderingspositie toe.

Citaat: “Ten onrechte een speciale religieuze status toegedacht aan het Joodse volk en het na‑Bijbelse Israël.”


Vanuit mijn perspectief op deze kwestie, namelijk dat God met Israël een blijvende heilsweg gaat, is het moeilijk vol te houden

dat een blijvende religieuze status voor Israël “ten onrechte” zou zijn. De Schrift zelf spreekt immers met grote nadruk over Gods onopgeefbare trouw aan dit volk. Paulus stelt de vraag of God zijn volk heeft verstoten en antwoordt onmiddellijk: “Volstrekt niet!” (Rom. 11:1). Even verderop zegt hij dat “de genadegaven en de roeping van God onberouwelijk zijn” (Rom. 11:29). Deze woorden laten weinig ruimte voor de gedachte dat Gods verbond met Israël zou zijn opgeheven of vervangen. Ook de Tenach zelf bevestigt deze blijvende trouw: “Ik zal mijn verbond met hen niet verbreken” (Lev. 26:44).

Dat Christus de vervulling van de Wet en de Profeten is, betekent volgens mij niet dat Israël daarmee theologisch buitenspel staat. Jezus zegt zelf: “Ik ben niet gekomen om de wet of de profeten af te schaffen, maar om te vervullen” (Mt. 5:17). Vervulling is geen opheffing, maar voltooiing en verdieping. Als de Torah niet wordt afgeschaft door vervulling, waarom zou het verbond met Israël dat dan wel worden?

Paulus gebruikt in Romeinen 11 het beeld van de olijfboom om precies dit punt te maken. De heidenen zijn als wilde loten die geënt worden op de edele olijf, en hij waarschuwt: “Niet jij draagt de wortel, maar de wortel draagt jou” (Rom. 11:18). De Kerk leeft dus uit de wortel van Israël; zij neemt die wortel niet over en vervangt haar niet. Dit impliceert dat Israël een blijvende, dragende rol heeft in Gods heilsplan.

Ook de roeping van Israël zelf is nooit opgeheven. Vanaf het begin was die roeping universeel: “In u zullen alle volken gezegend worden” (Gen. 12:3) en “Gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn” (Ex. 19:6). Deze roeping wordt nergens in de Schrift ingetrokken. Het Nieuwe Testament bevestigt bovendien dat de verwachting van een toekomst voor Israël niet wordt afgewezen. Wanneer de leerlingen vragen: “Zult Gij in deze tijd het koninkrijk voor Israël herstellen?” (Hand. 1:6), corrigeert Jezus niet de inhoud van de verwachting, maar alleen de timing: “Het komt u niet toe de tijden of gelegenheden te weten…” De gedachte dat Israël geen eigen plaats meer zou hebben, wordt dus niet door Jezus zelf uitgesproken. Paulus gaat zelfs verder en zegt: “Heel Israël zal behouden worden” (Rom. 11:26), waarmee hij aangeeft dat Israël niet buiten Gods toekomst valt.

Vanuit dit geheel van bijbelse getuigenissen is het goed verdedigbaar:

dat Christus Israël niet vervangt, maar juist de vervulling is van Gods trouw aan Israël. De Kerk deelt in die trouw door op de edele olijf te worden geënt, maar neemt Israëls plaats niet over. Gods verbond met Israël blijft staan, omdat Hij dat zelf heeft beloofd.

 

 

 

 

 

 

Dit bericht is geplaatst in polemiek. Bookmark de permalink.

4 reacties op De fout van het christenzionisme (2)

  1. Bart Santema schreef:

    Het is opmerkelijk dat Paas zijn mening publiceert in een tijd van oplaaiend antisemitisme. Kerk is door de eeuwen in weinig dingen zo goed geweest als in het opstoken van antisemitisme,

    • Robbert Veen schreef:

      Het maakt – waarschijnlijk onopzettelijk, maar door zijn sympathie voor de Palestijnse slachtoffers – een kerkelijk antizionisme salonfähig.

  2. Jan Luiten schreef:

    Als je Openbaring 7 leest, lijkt het me toch glashelder dat Israel een aparte positie heeft ten opzichte van de heidenen.

    • Robbert Veen schreef:

      Ik denk het niet! Het is nog mooier: de heidenen worden gezien als een deel van het Verbondsvolk. Ik heb daar een blog over geschreven n.a.v. jouw opmerking.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *