De mitswa van de Hebreeuwse slaaf, zoals uitgewerkt in de Sefer HaChinuch (mitswa 42), wortelt in de woorden van de Torah: “כִּי תִקְנֶה עֶבֶד עִבְרִי שֵׁשׁ שָׁנִים יַעֲבֹד וּבַשְּׁבִעִת יֵצֵא לַחָפְשִׁי חִנָּם” (Wanneer je een Hebreeuwse slaaf koopt, zal hij zes jaar dienen, maar in het zevende jaar zal hij vrij uitgaan, zonder betaling; Exodus 21:2). Deze wetgeving, die in de oudheid een concrete sociale structuur vormde, is vandaag niet meer praktisch toepasbaar, maar haar morele en spirituele betekenis blijft een bron van reflectie.
De Torah erkent twee situaties waarin een Jood een Hebreeuwse slaaf kon worden: wanneer iemand gestolen had en de schade niet kon vergoeden, of wanneer extreme armoede hem ertoe bracht zichzelf te verkopen om in zijn levensonderhoud te voorzien. In beide gevallen gaat het om volwassen mannen; vrouwen konden niet als Hebreeuwse slavin worden verkocht vanwege diefstal, en zij konden zichzelf evenmin verkopen. Een minderjarig meisje kon onder bepaalde omstandigheden wel worden verkocht, maar dat valt onder andere wetten, zoals uiteengezet in de Sefer HaChinuch bij de mitswot 43 en 44.
De basis van deze wetgeving ligt in Exodus 21:2–6, waar de Torah niet alleen de duur van de dienstbaarheid bepaalt, maar ook de manieren waarop de slaaf zijn vrijheid kan terugkrijgen. De eerste manier is de meest fundamentele: aan het begin van het zevende jaar moet hij worden vrijgelaten. Zelfs als de meester weigert hem formeel te ontslaan, is de slaaf juridisch vrij. Wie zichzelf verkoopt, mag overigens een langere diensttijd overeenkomen dan zes jaar, maar wie door de rechtbank wordt verkocht, wordt nooit langer dan zes jaar gehouden.
Een tweede manier van vrijlating is het jubeljaar. “וּקְרָאתֶם דְּרוֹר בָּאָרֶץ לְכָל יֹשְׁבֶיהָ” (Jullie zullen vrijheid uitroepen in het land voor al zijn inwoners; Leviticus 25:10). In dat vijftigste jaar worden alle Hebreeuwse slaven vrijgelaten, ongeacht hoeveel tijd zij nog te dienen hadden. De Sefer HaChinuch bespreekt dit uitvoerig in de mitswot 330 en 331.
Een derde mogelijkheid is zelfbevrijding door betaling, בְּגִירְעוֹן כֶּסֶף (door vermindering van geld). De slaaf mag de waarde van de reeds gewerkte jaren aftrekken van de oorspronkelijke koopprijs en het resterende bedrag betalen om zijn vrijheid te verwerven. De waardering van zijn arbeid wordt berekend op basis van de oorspronkelijke prijs, zoals de Sefer HaChinuch uitlegt bij mitswa 44. Is een slaaf gekocht voor 60 denaren, dan is elk jaar 10 denaren waard. Als de slaaf dus 5 jaar heeft gewerkt kan hij 50 denaren aftrekken van de originele koopsom. Door het restant van 10 denaren te betalen, kan hij zijn vrijheid kopen.
De vierde manier betreft het overlijden van de meester. Als de meester sterft zonder mannelijke erfgenaam, gaat de slaaf vrij. De dienstbaarheid wordt niet doorgegeven aan dochters of andere erfgenamen, zoals uiteengezet in mitswa 400. Alleen wanneer er een zoon is, blijft de slaaf gebonden tot het einde van zijn diensttijd.
De Torah voorziet ook in de mogelijkheid dat een slaaf niet wil vertrekken na zes jaar. In dat geval ondergaat hij het ritueel van רְצִיעָה (doorboring), waarbij zijn oor tegen een deurpost wordt doorboord, zoals beschreven in Exodus 21:5–6. Hij wordt dan een נִרְצָע (doorboorde slaaf) en dient zijn meester tot het jubeljaar. Dit geldt uitsluitend voor iemand die door de rechtbank is verkocht; wie zichzelf verkoopt, kan zijn dienstverband niet op deze manier verlengen.
De diepere bedoeling van deze mitswa wordt door de Sefer HaChinuch helder verwoord: Israël moet een heilig volk zijn, gekenmerkt door barmhartigheid en morele verhevenheid. De omgang met de Hebreeuwse slaaf is een oefening in menselijkheid. De Torah gebiedt niet slechts om hem te bevrijden, maar om hem gedurende zijn diensttijd met vriendelijkheid en waardigheid te behandelen.
De mondelinge traditie vult dit aan met talrijke bepalingen die de slaaf beschermen en zijn waardigheid waarborgen. De rabbijnen benadrukken dat de wet onderscheid maakt tussen iemand die zichzelf verkoopt en iemand die door de rechtbank wordt verkocht. Ook de wijze van verwerving speelt een rol: een slaaf kan worden gekocht door betaling van geld of door een document waarin zijn verkoop wordt vastgelegd. Hoewel een vrouw volgens de Bijbelse wet eigenaar kan zijn van een Hebreeuwse slaaf, verboden de wijzen haar om een mannelijke slaaf te kopen om elke verdenking van onzedelijkheid te vermijden.
De geldigheid van deze wetten is gebonden aan het land Israël en aan de geldigheid van het jubeljaar. De Talmoed (Arakhin 29a) stelt dat het jubeljaar alleen van kracht is wanneer alle twaalf stammen in het land wonen. Daarmee vervalt ook de toepassing van de wetten van de Hebreeuwse slaaf in de huidige tijd.
Wie deze mitswa overtreedt, zo stelt de Sefer HaChinuch, handelt niet slechts tegen een juridische verplichting, maar tegen het karakter van Israël zelf. Barmhartigheid is een erfgoed van de aartsvaders; wie zich hard opstelt tegenover de zwakkere onder zijn gezag, getuigt daarmee dat hij zich verwijdert van de essentie van het Joodse volk.
Wanneer we Exodus 21 in zijn geheel beschouwen, wordt duidelijk dat de Torah de wetten van de Hebreeuwse slaaf plaatst in het bredere kader van rechtvaardigheid en menselijke waardigheid. Rashi merkt op dat de opening van het hoofdstuk, “וְאֵלֶּה הַמִּשְׁפָּטִים” (En dit zijn de verordeningen), betekent dat deze wetten net zo goddelijk zijn als de Tien Geboden; zij werden eveneens op de Sinaï gegeven. Ramban voegt daaraan toe dat de Torah hier begint met de Hebreeuwse slaaf omdat ware vrijheid begint met het erkennen van de menselijkheid van de ander. De eerste wet na de openbaring is een wet over de bescherming van de meest kwetsbare persoon in de samenleving. Dat is geen toeval, maar een theologische uitspraak: de openbaring is pas werkelijk ontvangen wanneer zij wordt omgezet in barmhartigheid.
Wanneer we deze Bijbelse wetgeving vergelijken met moderne arbeidswetgeving, zien we een verrassende continuïteit. Hoewel de historische context totaal verschillend is, raken beide systemen aan dezelfde morele kern: de bescherming van de afhankelijke mens. De Bijbelse wet gaat uit van een persoonlijke relatie tussen meester en slaaf, waarin de meester verantwoordelijk is voor het welzijn van de slaaf, inclusief voedsel, huisvesting en waardige behandeling. Moderne arbeidswetgeving is systemisch en contractueel, ontstaan uit de industriële revolutie, en beschermt werknemers door middel van minimumloon, werktijden, ontslagbescherming en sociale zekerheid. Toch is de ethische intuïtie dezelfde: economische afhankelijkheid creëert macht, en macht moet worden begrensd door rechtvaardigheid en menselijkheid. De Torah doet dat door de meester te verplichten tot barmhartigheid; de moderne staat doet dat door de werkgever te verplichten tot rechtvaardige arbeidsvoorwaarden. In beide gevallen wordt de samenleving beoordeeld op de manier waarop zij omgaat met mensen die afhankelijk zijn van de macht van anderen.
Zo vormt de mitswa van de Hebreeuwse slaaf een spiegel van de openbaring zelf. Zoals Israël bij de Sinaï leerde dat de wereld meer is dan wat de zintuigen tonen, zo leert deze mitswa dat de sociale werkelijkheid meer is dan economische transacties of juridische structuren. De slaaf is geen bezit, maar een broeder die tijdelijk onder onze zorg staat. De Torah vraagt van ons om in hem te zien wat God in ons ziet: een mens die vrijheid verdient, een mens die barmhartigheid verdient, een mens die nooit gereduceerd mag worden tot zijn omstandigheden. In die zin is de mitswa van de Hebreeuwse slaaf geen archaïsche wet, maar een blijvende oproep tot morele gevoeligheid. Zij herinnert ons eraan dat macht altijd gepaard moet gaan met verantwoordelijkheid, dat vrijheid nooit vanzelfsprekend is, en dat de ware maat van een heilig volk ligt in de manier waarop het omgaat met de meest kwetsbaren in zijn midden.