De christelijke kerk: spiegel of bron?

Ik blijf maar terugkomen bij een vraag die me niet met rust laat: hoe zou het christendom eruitzien als het werkelijk zou proberen terug te keren naar zijn vroegste, meest Joodse vorm? En wat zou het daarbij verliezen? Ik stel die vraag niet als academicus of predikant , maar als iemand die het ethische gewicht van de christelijke geschiedenis voelt drukken op zijn eigen geloof. Hoe langer ik naar de ontwikkeling van de Kerk kijk, hoe sterker ik het gevoel krijg dat er iets fundamenteels verloren is gegaan toen het christendom zich losmaakte van zijn Joodse wortels. En de gevolgen van die breuk zijn niet alleen theologisch, maar ook moreel desastreus geweest.

Door na te denken over die desastreuze ontwikkeling is mijn oorspronkelijk zo sterke evangelische geloof gaan wankelen en is me nu bijna geheel vreemd geworden. 

De Shoah en de huidige explosie van antisemitisme na 7/11/23 blijven de donkere schaduwen die deze vraag telkens opnieuw naar voren duwen. Het is niet slechts een politieke mislukking of een morele ontsporing van individuen. Het zijn onthullingen van een diepe structurele zwakte in de christelijke ethiek. Eeuwen van anti-Joodse theologie, van minachting en vervangingstheorie, bleven niet beperkt tot kerkmuren. Ze sijpelden in de cultuur, in de taal, in de manier waarop Europeanen naar Joden keken. Toen het erop aankwam, bleek het christendom geen moreel kompas te hebben dat nauwkeurig genoeg kon waarschuwen. Het feit dat Hamas propaganda de houding van veel kerkmensen heeft vergiftigd komt daar nog eens bovenop. Kerken zwegen, keken weg, of reageerden veel te laat. Net als nu. En ik kan het gevoel niet loslaten dat een christendom dat dichter bij zijn Joodse oorsprong was gebleven—met zijn nadruk op gerechtigheid, gemeenschap, verbond en een diep wantrouwen tegenover macht—misschien anders had gereageerd.

Tegelijkertijd zie ik een ander probleem in het christendom van vandaag. De christelijke ethiek is bijna volledig opgegaan in de seculiere moraal. De taal van waardigheid, gelijkheid, compassie en mensenrechten is nu vooral seculier bezit. Kerken lopen vaak achter maatschappelijke ontwikkelingen aan in plaats van ze te dragen. Het christendom lijkt zijn morele eigenheid kwijt te zijn, zijn profetische stem, zijn worteling in iets dat ouder en dieper is dan de cultuur van het moment.

Het voelt alsof het christelijk geloof een spiegel is geworden in plaats van een bron.

Daarom voel ik me aangetrokken tot het idee van een terugkeer naar het Joodse christendom van de eerste eeuw. Niet uit nostalgie of romantiek, maar omdat ik denk dat de ethische kern van het christelijk geloof te ver is afgedreven van zijn bron. Het vroege Joodse christendom was concreet, gemeenschapsgericht, geworteld in de Thora, en wantrouwig tegenover politieke macht. Het was een geleefde ethiek, geen abstract systeem. Er zat een eerlijkheid en een weerbaarheid in die vroege vorm die ik mis in het christendom dat ik heb geërfd. In die context nam je als heiden een messiaans-joods geloof aan, en was de relatie met Israël van groot gewicht.

Maar zelfs binnen die zoektocht bots ik op nieuwe vragen. Neem bijvoorbeeld het messiaans jodendom. Op papier lijkt het een beweging die precies die herverbinding probeert te maken waar ik naar verlang. Maar in de praktijk zie ik vooral evangelisch christendom met een Joods sausje: wat rabbijnse vormen, wat Hebreeuwse woorden, wat liturgische elementen, maar zonder echte theologische transformatie. Het blijft in hoge mate binnen het evangelische kader denken, met dezelfde dogma’s, dezelfde missionaire reflex, dezelfde afstand tot de Joodse traditie die het zegt te omarmen. En dat maakt me onzeker over de waarde ervan. Het voelt niet als een terugkeer naar de wortels, maar als een cosmetische aanpassing.

En dan blijft mijn dilemma staan: als het christendom inderdaad een radicale (ethische) vernieuwing nodig heeft, zie ik niet hoe de meerderheid van de christenen ooit zo’n terugkeer naar de Joodse bronnen zou accepteren. Het christendom dat de meeste mensen kennen is gevormd door eeuwen van concilies, dogma’s, liturgieën en culturele gewoonten. Het vragen om terug te keren naar zijn Joodse oorsprong voelt alsof je het vraagt zichzelf opnieuw uit te vinden. Het zou betekenen dat eeuwen aan theologische ontwikkeling opnieuw ter discussie komen te staan. Het zou betekenen dat de Kerk moet erkennen dat ze op cruciale punten verkeerd is afgeslagen. Dat is een pijnlijk proces, en ik weet niet of het haalbaar is.

Toch blijft het gevoel dat er iets moet veranderen. Het christendom kan niet blijven doen alsof zijn ethische mislukkingen toevallig waren. Het kan niet blijven negeren hoe de breuk met het Jodendom zijn morele verbeelding heeft vervormd. Het kan niet blijven meedrijven op seculiere ethiek en dat trouw noemen. Ik weet niet hoe de weg vooruit eruitziet. Maar ik weet wel dat eerlijkheid over het verleden en een herontdekking van het Joodse hart van het geloof onvermijdelijk zijn.

Misschien is de oplossing geen volledige terugkeer naar het Joodse christendom van de eerste eeuw. Misschien gaat het om het herontdekken van het ethische raamwerk dat Jezus en zijn eerste volgelingen gevormd heeft: verbond, gerechtigheid, gemeenschap, nederigheid.

Misschien hoeft het christendom niet opnieuw Joods te worden, maar wel trouwer aan de Joodse Jezus en dus “joodser”.

Dat voelt als de enige weg naar heling, naar morele helderheid, naar een stem die niet slechts een echo is van de cultuur eromheen.

Ik heb geen sluitend antwoord. Dit blijft een levende vraag, een die me meer onrust geeft dan rust. Ik wens u hetzelfde toe, want misschien is die onrust precies het begin van iets dat waarachtiger is dan wat we tot nu toe hebben kunnen geloven.

Dit bericht is geplaatst in Autobiografisch, Israël, Jodendom. Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *