De vraag wat Hamas werkelijk nastreeft, is geen academische curiositeit maar een sleutel tot het begrijpen van het Israëlisch‑Palestijnse conflict. Wie de documenten leest waarin Hamas zichzelf definieert, en in het bijzonder het Handvest van 1988, stuit niet op een beweging die primair gericht is op staatsvorming, burgerrechten of nationale emancipatie, maar op een ideologisch project dat zichzelf situeert in een religieus‑kosmische strijd. Het Handvest presenteert geen blauwdruk voor een Palestijnse staat naast Israël, geen visie op gelijke rechten voor Palestijnse Arabieren binnen een gedeeld politiek kader, maar een wereldbeeld waarin de vernietiging van Israël en de strijd tegen Joden als collectief worden voorgesteld als religieuze plicht en historische noodzaak.
Het document opent met een zin die de toon zet voor alles wat volgt: Israël zal blijven bestaan totdat de islam het vernietigt. Deze formulering is niet de taal van diplomatie of territoriale onderhandeling, maar van een eschatologische strijd die zich uitstrekt voorbij de grenzen van Palestina. De vijand wordt niet gedefinieerd als een staat, een leger of een politieke beweging, maar als “de Joden” in algemene zin, die in het Handvest worden voorgesteld als een essentiële, onveranderlijke en vijandige kracht. De strijd tegen hen wordt beschreven als universeel, kosmisch, en niet gebonden aan tijd of plaats. Daarmee verplaatst Hamas het conflict van het domein van politiek naar dat van theologie en metafysica.
English audio with the text of the two parts:
Het Handvest is doordrenkt van complottheorieën die hun oorsprong vinden in de “Protocollen van de Wijzen van Zion”, een beruchte antisemitische vervalsing. In de tekst worden Joden verantwoordelijk gehouden voor de Franse Revolutie, de communistische revolutie, beide wereldoorlogen en een vermeend wereldwijd netwerk van geheime genootschappen dat erop uit zou zijn de islam te vernietigen. Deze beschuldigingen zijn niet slechts retorische uitbarstingen, maar vormen de ideologische onderbouw van Hamas’ wereldbeeld: een overtuiging dat Joden een allesomvattend plan voor wereldheerschappij nastreven en dat hun macht alleen kan worden gebroken door religieus gemotiveerde strijd. De vijand wordt zo niet alleen gedemoniseerd, maar gedehumaniseerd, voorgesteld als een kwaadaardige kracht die buiten de menselijke gemeenschap staat.
Het Handvest gaat verder dan vijandbeelden en complottheorieën; het beroept zich op religieuze teksten om geweld tegen Joden te legitimeren. Een bekende hadith wordt aangehaald als bewijs dat de strijd tegen Joden een religieuze verplichting is die tot het einde der tijden zal voortduren. De tekst beschrijft een eschatologisch tafereel waarin stenen en bomen zouden oproepen tot het doden van Joden. Deze passages worden niet gepresenteerd als historische metaforen, maar als letterlijke richtlijnen voor handelen. De strijd wordt daarmee niet alleen politiek noodzakelijk, maar religieus geboden.
In deze ideologische context is het niet verwonderlijk dat het Handvest elke vorm van onderhandeling of compromis categorisch afwijst. Palestina wordt gedefinieerd als een islamitische waqf, een heilige trust die tot het einde der tijden niet mag worden afgestaan. Geen leider, geen regering, geen internationale conferentie heeft volgens Hamas het recht om ook maar een vierkante meter van het land op te geven. Vrede, onderhandelingen en diplomatie worden afgedaan als misleiding, verraad en verspilling van tijd. De enige oplossing voor het conflict is volgens de tekst de gewapende strijd, die wordt verheven tot religieuze plicht en morele noodzaak.
Het Handvest maakt bovendien gebruik van Holocaust‑inversie: het beschuldigt Joden ervan zich te gedragen als of erger dan nazi’s. Deze vergelijking wordt niet onderbouwd, maar dient als retorisch middel om de vijand te demoniseren en elke vorm van empathie of nuance uit te sluiten. Joden worden beschreven als “microben”, “bacteriën”, “het schuim van de mensheid”, “afstammelingen van apen en varkens”. Zulke ontmenselijkende taal is niet toevallig, maar functioneel: zij creëert een moreel universum waarin geweld niet alleen geoorloofd maar noodzakelijk wordt.
Wanneer men deze elementen samenneemt, ontstaat een helder beeld van het doel dat Hamas in het Handvest formuleert. Het gaat niet om de oprichting van een Palestijnse staat naast Israël, niet om gelijke rechten voor Palestijnse Arabieren binnen een gedeeld politiek kader, en zelfs niet om een territoriale strijd in klassieke zin. Het doel is de eliminatie van Israël als politieke entiteit en de strijd tegen Joden als religieus‑historische vijand. De middelen die worden voorgeschreven zijn niet diplomatiek of politiek, maar gewelddadig en religieus gemotiveerd. De strijd wordt voorgesteld als eeuwig, heilig en niet onderhandelbaar.
Dit betekent niet dat alle Palestijnen deze visie delen, noch dat Hamas’ ideologie statisch is gebleven sinds 1988. Maar wie het Handvest leest zoals het is geschreven, kan moeilijk volhouden dat Hamas primair een nationale bevrijdingsbeweging is die streeft naar staatsvorming of burgerrechten. Het document presenteert een wereldbeeld waarin het conflict niet kan worden opgelost door onderhandelingen, omdat het niet wordt gezien als een politiek geschil maar als een religieuze strijd die slechts kan eindigen met de vernietiging van de vijand. In die zin vormt het Handvest geen routekaart naar vrede, maar een ideologische verklaring die elke vorm van compromis principieel uitsluit.