Complementariteit als strategie voor de benadering van ogenschijnlijke contradicties tussen Bijbelteksten

We weten wat het betekent dat we geloven dat de Schrift het Woord van God is. We nemen de tekst van 2 Timotheüs 3:16 heel serieus. De Schriften zijn “theopneustos”, door God “doorademd.” Dat gaat niet over zoiets als inspiratie, want dat woord dekt eerder de uitdrukking die Petrus gebruikt in 2 Petrus 1:21: “heilige mensen Gods, door de Heilige Geest gedreven, hebben gesproken.” Waar het om gaat is dat het resultaat van hun spreken en schrijven door God “beGeestigd” is, d.w.z. dat het resultaat van hun schrijven als een werk van de Heilige Geest kan worden erkend. Hoe moet de Schrift dan echter in het algemeen worden beschouwd? Hoe werkt het gezag van de Schrift?

  1. Het gezag van de Bijbel volgens SCAN

De meeste christenen zullen wel eens gehoord hebben van SCAN, de vier eigenschappen die volgens de meerderheid van de Reformatoren aan Gods Woord toekomen.

De S staat voor “sufficiency”: de heilige Schrift is voldoende in alle zaken die ons heil en onze gehoorzaamheid aan God betreffen. We hebben niets anders nodig voor leer en leven dan de Schrift. Dat betekent niet dat er niet nog meer geweten kan en mag worden. Wel dat alle kennis van de mens zich uiteindelijk moet conformeren – in de levensvisie van een gelovige – aan de waarheid die in de Schrift wordt onderwezen.

De C voor “clarity”, de helderheid van de Schrift, wanneer die gelezen wordt volgens de historisch-grammaticale methode. We kijken naar de betekenis van de tekst voor de eerste hoorders, begrijpen de tekst vanuit hun context, en stellen de betekenis vast met de hulpmiddelen van de grammatica. Het doorlichten van de tekst zodat ze voor ons helder is, reikt nog verder en deze “perspicuitas” – doorzichtigheid – is uiteindelijk een werk van de Heilige Geest. Gods Woord geeft zijn helderheid niet af aan mensen die haar alleen benaderen met hun natuurlijke verstand.

De A staat voor “authority” of gezag. Gods Woord is het woord van onze Heer, van onze Schepper. Natuurlijk is het dan het laatste en beslissende woord!

En dan nog de N die staat voor “necessity”. In alles gaat Gods Woord voorop. Zonder dat Woord kennen wij de Heer Jezus niet, kennen wij Gods waarheid en geboden niet. Het is niet alleen een inspiratiebron voor die momenten dat onze ervaring en ons inzicht tekort schieten. Het is ook het eerste woord dat wij moeten horen en verstaan, zodat dat Woord ook heerschappij voeten kan over onze gedachten en ons hart.

Maar deze bevestiging van de wijze waarop het gezag van de Schrift voor ons werkelijk is – dat is wat SCAN zegt – is een aanloopje voor een andere kwestie. Wat te doen als uitspraken in de Bijbel elkaar tegenspreken? Als de Schrift uit de geest van een enkele auteur afkomstig is, de Heilige Geest, hoe kan het dan er contradicties in voorkomen?

Ik heb het niet over tegenspraken tussen de Bijbelse geschiedschrijving en menselijke kennispretenties die claimen dat iets onmogelijk zo gebeurd kan zijn, of dat er historische fouten in de Bijbel staan. Dat is een onderwerp voor een volgende keer. Ik bedoel de contradicties die we kennen die ook tot grote kerkelijke en theologische strijd heeft geleid. Wordt een mens gered door genade alleen zonder werken, of geoordeeld volgens zijn goede werken? Wordt een mens door Gods Geest wedergeboren of bekeert hij zich uit vrije wil? Is de behoudenis een gevolg van de voorbestemming van God, of kende God onze daad van bekering van tevoren, is het dus een zaak van Gods voorkennis?

  1. Harmonisatie als strategie bij het verwerken van contradicties binnen Bijbelse teksten.

We spraken vroeger wel over het “harmoniseren” van Bijbelteksten om de contradicties te ontlopen. Ik ben daar niet helemaal blij mee, omdat door de harmonisaties meestal de spanning tussen twee Bijbelteksten wordt opgeheven. Ik zou liever spreken over “complementariteit” als een beginsel van goed Bijbellezen en ik zal uitleggen waarom.

Neem nu Johannes 3 als voorbeeld. In vers 5 lezen we: “tenzij iemand opnieuw/van boven geboren wordt uit water en geest, kan hij het Koninkrijk van God niet binnengaan.” Nu is een “wedergeboorte” wel degelijk te vergelijken met een geboorte. Net zomin als wij onze geboorte zelf bewust “gedaan” hebben, net zo min onze wedergeboorte. Die is niet uit de “wil van een man” voortgekomen, maar het is “de God en Vader van onze Jezus Christus Die ons, overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid, opnieuw geboren deed worden tot een levende hoop…” 1 Petrus 1:3.

Maar hoe kan het dan dat we ons geloof, dat ons dus ten deel viel door het werk van de Heilige Geest, tegelijkertijd mogen opvatten als iets dat wij doen en zelfs moeten doen? Dat is immers het evangelie zoals Paulus het heeft gepredikt. “God dan verkondigt…nu overal aan alle mensen dat zij zich moeten bekeren” Hand. 17:30. En daarom kan Paulus smeken: “laat u met God verzoenen” 1 Kor. 5:20. Daarom kan Petrus zeggen in zijn eerste toespraak in Jeruzalem: “Bekeer u en laat ieder van u gedoopt worden…” Hand. 2:38. In Johannes 3 is het zelfs de Heer Jezus die een contradictie lijkt te begaan door na de uitspraken over de wedergeboorte te zeggen, dat “een ieder die gelooft niet verloren gaat” – 3:15 – en even duidelijk in Joh. 6:29 kan Hij zeggen, dat dit het werk van God is, het werk dat God boven alles van ons vraagt, namelijk “dat u gelooft in Hem die Hij gezonden heeft.”

Wedergeboorte van bovenaf? Of bekering van onderaf? Het kan, zo gesteld niet allebei waar zijn. Wat doet nu een harmonisatie? Die heeft als uitkomst dat we zeggen dat beide uitspraken waar moeten zijn, maar dat de waarheid van de ene uitspraak moet worden ingeperkt, zodat het past binnen de waarheid van de andere. In dit geval kan dat zo werken:

HARMONISATIE 1

God geeft de wedergeboorte – op grond van Zijn uitverkiezing – aan sommigen, en als gevolg daarvan schenkt Hij ook geloof. Romeinen 8 maakt dat in de zogenaamde “gouden ketting” ook duidelijk. God heeft ons tevoren gekend (1), en ons tevoren ertoe bestemd (2), nl. om aan het beeld van Zijn Zoon gelijkvormig te zijn, en die heeft Hij ook geroepen (3), die heeft Hij ook gerechtvaardigd (NB maar de rechtvaardiging is uit geloof alleen!), en die heeft Hij ook verheerlijkt – hoewel dat in de toekomst pas een zichtbare realiteit zal zijn. Voorkennis en voorbestemming domineren deze ketting. Van Gods wil en initiatief hangt dus alles af. Geloof is een gave van God aan de uitverkorenen.

HARMONISATIE 2

God wist van tevoren dat wij tot bekering zouden komen. Hij kan bovendien geen opdracht geven dat wij ons bekeren, als we dat niet kunnen. Hoewel God ons kan helpen daarbij door Zijn Heilige Geest is het uiteindelijk toch van onze wil afhankelijk. Wij moeten kiezen voor het evangelie. Zodra wij dat echter doen ontvangen wij de Heilige Geest en een nieuw leven – als iemand in Christus is, door voor Hem te kiezen, zie, een nieuwe schepping. (Zo zou je dan 2 Kor. 5:17 kunnen gaan uitleggen.)

Als we dan zo tot bekering zijn gekomen dan genieten we de status van uitverkorene omdat we nu gaan behoren tot de gemeenschap die als zodanig uitverkoren is. God kiest de gemeente, die is de uitverkorene, wij gaan toebehoren aan de gemeente, dus gelden wij als “uitverkoren”.

Of, in een andere variant, we zijn uitverkoren in een praktische zin – zo leerde Menno Simons – omdat we bestemd zijn om in deze wereld getuigen voor het evangelie te zijn. We zijn uitverkoren “tot gehoorzaamheid” zegt Petrus dan ook (1 Petrus 1:2), een uitverkoren geslacht (als collectief), een volk dat de deugden moet verkondigen van Hem die ons geroepen heeft (1 Petrus 2:9).

In deze beide harmonisaties ontstaat dus een zogenaamde “relatieve tegenstelling” waarin een van beide tegengestelden zijn absolute waarheid verliest en ondergeschikt wordt gemaakt aan zijn tegendeel. (In de filosofie van Hegel heet dat dan een “relatieve tegenstelling.”)

  1. Het beginsel van complementariteit.

Complementariteit is een woord dat wil uitdrukken dat twee schijnbaar contradictorisch tegengestelde uitspraken – waarbij dus of de ene of de andere uitspraak waar is, tenzij we de betekenis veranderen – elkaar aanvullen en beide in absolute zin waar zijn. Het berust op de gedachte dat alleen God in staat is te doorzien hoe beide uitspraken waar kunnen zijn, en dat wij ermee om moeten gaan alsof beide uitspraken waar zijn.

Paulus lijkt deze complementariteit te hanteren wanneer we een vergelijking maken tussen Romeinen 8, de gouden ketting, en Romeinen 10, dat ik de naam “zilveren ketting” gegeven heb. Ik zei al dat de gouden ketting loopt vanaf de voorkennis en de voorbestemming van God, en uitloopt in de roeping en rechtvaardiging. Maar Romeinen 10 kent een soortgelijke keten van op elkaar logisch volgende schakels. Deze verloopt zo: (1) de Heer aanroepen (en daarmee behouden worden, 10:13), (2) in Hem geloven, (3) van Hem horen, (4) door iemand die predikt, (5) die daartoe gezonden is. Omgekeerd dus: zending, prediking, horen, geloven, aanroepen. In deze “ketting” ligt het initiatief bij God inzoverre Hij iemand tot prediking aanzet. Horen en geloven zijn hier de werkzaamheid van een mens.

De functie van deze complementariteit blijkt het duidelijkste wanneer we kijken naar de praktijk van theologische gesprekken. Wanneer iemand eenzijdig of de gouden of de zilveren ketting benadrukt, roept hij daarmee als weerwoord de andere keten van gebeurtenissen op. Stel dat je de uitverkiezing eenzijdig opvat als een uitnodiging om maar te wachten op een gebeurtenis die je leven zal veranderen. Dan is het van belang om te zeggen, dat iemand zich bekeren moet en dat dus ook kan. Maar stel nu eens dat we eenzijdig gaan benadrukken dat het tot een vrije keuze van de mens moet komen, dan spreken we over bekering als over een prestatie van de mens waarmee hij zijn behoudenis kan “verdienen.” 

Alleen God weet hoe de bekering, die in de ervaring een daad van een mens is, en theologisch een daad van God is, beide tegelijk is. Maar ons geeft de Schrift als het ware in de vorm van een absolute contradictie twee zijden van een en dezelfde waarheid die wij niet als die ene waarheid kennen. Als God (effectief) roept, rekent Hij ons dan het geloof als onze eigen daad toe, zodat we het ook als zodanig ervaren? Als wij tot bekering komen, zijn we ons dan ook bewust dat komen tot Hem, tegelijkertijd beschouwd moet worden als een “gegeven worden” aan de Heer Jezus door God de Vader? De zijde van het geloof ligt besloten in de woorden “wie tot Mij komt zal ik beslist niet uitwerpen”; maar de kant van de uitverkiezing ligt in de woorden “alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen” (Joh. 6:27).

Volgens het complementariteitsbeginsel zijn beide uitspraken volledig waar. En het is dan ook niet nodig een theologische constructie te bedenken waarin de ene waarheid onder de andere moet worden “gesubsumeerd”, d.w.z. aan die andere waarheid ondergeschikt moet worden gemaakt.

R.A. Veen, 11 juli 2020

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *