Wanneer christelijke exegeten vandaag reageren op de klassieke rabbijnse kritiek van Rasji, Ibn Ezra en Ramban, bevinden zij zich in een complexe positie. Enerzijds erkennen zij dat de Joodse exegeten terecht wijzen op het gevaar van een al te radicale allegorisering die de tekst losmaakt van zijn historische en halachische werkelijkheid. Anderzijds blijven zij vasthouden aan een hermeneutiek die, sinds Paulus, de Schrift leest in het licht van Christus en waarin het geestelijke niet slechts een laag naast de letterlijke betekenis vormt, maar vaak de beslissende laag boven die betekenis. De vraag is dus of christelijke uitleggers zich kunnen verdedigen tegen de rabbijnse kritiek zonder hun eigen traditie te verloochenen.
Een eerste christelijk antwoord grijpt terug op Paulus, vooral op zijn onderscheid tussen “letter” en “geest.” In 2 Korintiërs 3:6 schrijft hij dat “de letter doodt, maar de Geest maakt levend.” Voor christelijke exegeten vormt dit geen afwijzing van de letterlijke betekenis, maar een hermeneutische verschuiving: de letterlijke betekenis is waar en geldig, maar zij is niet het eindpunt. Zij is een schaduw, een voorafbeelding, een pedagogische fase die uitloopt op een geestelijke vervulling. Vanuit dit perspectief is de allegorische lezing geen ontkenning van de tekst, maar een voltooiing ervan. Christelijke uitleggers zouden dus zeggen dat zij niet de “schil wegwerpen,” zoals Ibn Ezra het formuleert, maar dat zij de vrucht ervan proeven.
Toch is dit precies het punt waarop de rabbijnse kritiek het scherpst is. Voor Ibn Ezra is het idee dat de geestelijke betekenis superieur is aan de fysieke een ontkenning van de scheppingsorde. De Tora spreekt lichamelijk omdat de mens lichamelijk is. Ramban gaat nog verder: de fysieke geboden zijn de mystieke werkelijkheid. De christelijke exegeten reageren hierop door te benadrukken dat de incarnatie—het Woord dat vlees werd—juist de eenheid van geest en lichaam bevestigt. Voor hen is het geestelijke niet een vlucht uit het lichamelijke, maar de voltooiing ervan. Zij zouden zeggen dat Paulus’ tegenstelling tussen letter en geest niet dualistisch bedoeld is, maar eschatologisch: de letter is goed, maar de geest is beter omdat zij de uiteindelijke bedoeling van God onthult.
Een tweede christelijk antwoord richt zich op de vraag naar autoriteit. Ibn Ezra stelt dat christelijke uitleggers buiten de kring van de traditie staan omdat zij de mondelinge Tora verwerpen. Christelijke exegeten erkennen dit, maar antwoorden dat hun hermeneutiek niet gebaseerd is op de rabbijnse traditie, maar op de apostolische. Voor hen is de kerk de gemeenschap die de Schrift ontvangt en uitlegt, en de apostelen zijn de legitieme erfgenamen van de profetische traditie. Waar Ibn Ezra zegt dat christenen “niet behoren tot de zonen van de oude wijzen,” zou een christelijke exegeet antwoorden dat de apostelen wél behoren tot de profetische lijn, maar dat zij de Schrift lezen in het licht van de Messias. De autoriteitsvraag wordt dus niet opgelost, maar verplaatst: beide tradities claimen continuïteit, maar definiëren die continuïteit verschillend.
Een derde christelijk antwoord betreft de geboden. Ibn Ezra en Ramban verwerpen de christelijke allegorisering van de mitsvot als een ontkenning van hun fysieke realiteit. Christelijke exegeten reageren door te stellen dat de geboden niet worden afgeschaft, maar getransformeerd. De besnijdenis van het vlees wordt niet ontkend, maar vervuld in de besnijdenis van het hart. De tempelrituelen worden niet verworpen, maar opgenomen in de persoon van Christus. Vanuit christelijk perspectief is dit geen ontkenning van de Tora, maar een eschatologische herlezing ervan. Vanuit rabbijns perspectief is dit echter precies het probleem: de fysieke daad wordt vervangen door een innerlijke houding, en daarmee verliest de Tora haar concrete vorm.
Een vierde christelijk antwoord richt zich op de rede. Ibn Ezra verwijt christenen dat zij de menselijke intelligentie niet werkelijk gebruiken, omdat zij haar losmaken van de zintuiglijke werkelijkheid en van de traditie die haar richting geeft. Christelijke exegeten zouden hiertegen inbrengen dat hun allegorische methode juist een rationele structuur heeft, gebaseerd op typologie, heilsgeschiedenis en de eenheid van de Schrift. Zij zouden zeggen dat de Schrift zichzelf uitlegt, en dat de geestelijke betekenis niet willekeurig is, maar voortkomt uit de interne samenhang van de Bijbel. Paulus’ typologische lezing van Adam en Christus, of van de doortocht door de zee als voorafbeelding van de doop, wordt gezien als een hermeneutisch model dat niet irrationeel is, maar theologisch noodzakelijk.
Toch blijft de rabbijnse kritiek krachtig. Voor Rasji, Ibn Ezra en Ramban is de Tora een tekst die in haar eigen wereld moet worden gelezen, met haar eigen grammatica, geschiedenis en geboden. De christelijke exegese leest de Tora in het licht van een andere openbaring, en daarmee verandert de hermeneutische horizon. Christelijke exegeten kunnen zich dus verdedigen, maar zij kunnen de rabbijnse kritiek niet werkelijk weerleggen zonder hun eigen fundamenten te verlaten. De twee tradities spreken vanuit verschillende theologische universa. Wat voor de één vervulling is, is voor de ander vervorming. Wat voor de één geestelijke diepte is, is voor de ander een ontworteling van de tekst.
Het antwoord van de rabbijnse kritiek op de christelijke exegeten is daarom eigenlijk een weerlegging, en niet alleen maar een erkenning van verschil. Christelijke exegeten kunnen claimen dat hun methode coherent is binnen hun eigen traditie, en dat Paulus’ onderscheid tussen letter en geest apostolisch gezag heeft, en waarom typologie geen willekeur is, en waarom de geboden voor hen een andere status hebben. Zij kunnen zeker niet ontkennen dat hun hermeneutiek de Tora leest vanuit een extern gezichtspunt, en daarmee niet leest zoals de Torah zelf gelezen wil worden. Door Christus tot de leesnorm te verheffen is effectief het gehele Oude Testament enerzijds tot louter voorgeschiedenis gemaakt en anderzijds tot de voorraadkamer van verhalen en ideeën die in Christelijk perspectief het evangelie moeten uitleggen.