Johannes (0) – Kiezen….

Er is geen evangelie dat zijn lezers zo direct en absoluut voor een keuze plaatst als het evangelie naar Johannes. Dat zit hem al in de proloog, waarin allerlei zaken over de persoon van Jezus worden meegedeeld.  Hij is de Zoon van God, dat wil zeggen in alles aan God gelijk. Hij is het Woord van God, zodat de Heer alles wat Hij wilde openbaren in Hem zichtbaar en hoorbaar heeft gemaakt.

Dat is een bewering. En dan komt er het moment van de keuze. Je gelooft het, of je gelooft het niet. Er is bij Johannes geen nuancering denkbaar, geen grijstint. We kunnen niet zeggen dat het interessant is wat ene meneer Johannes over zijn vriend en leraar te melden heeft. We kunnen niet zeggen dat we de boodschap moeten gaan vertalen naar het heden, zonder Johannes wezenlijk tegen te spreken.

Jezus IS de zoon van God of het hele evangelie van Johannes – de genezingen, het wonderteken in Kana, de oproep in Hem te geloven, de belofte van het eeuwige leven, de opdracht om elkaar lief te hebben, de vergeving van zonden door de kruisdood van het “Lam van God dat de zonden van de wereld draagt” – dat alles is dan zonder betekenis. Het evangelie is dan een leugen, of ze nu interessant en inspirerend mag heten of niet. Johannes maakt wel duidelijk dat hij zijn evangelie als zuivere waarheid ziet. “Dit is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen beschreven heeft; en wij weten dat zijn getuigenis waar is.” Joh. 21:24

Waren er andere ondertekenaars van dit evangelie? Wie zijn deze “wij” anders dan de schare van discipelen rondom Jezus die de waarheid van deze dingen op grond van hun eigen ervaring konden bevestigen?

Johannes ziet zijn evangelie niet alleen als waarheid, maar hij maakt ook duidelijk wat zijn doel is. “Deze [dingen] zijn beschreven , opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn naam.” Joh. 20:31 wie kan hier nog een tussenweg bedenken? Het is erop of eronder. Of je gelooft dat Jezus de Zoon van God is, of je gelooft het niet, en dat maakt dan een wezenlijk verschil in je leven.

Kies! Zegt Johannes. Als het waar is, leef dan volgens deze waarheid. Sta voor deze waarheid. Als het niet waar is, niet helemaal en absoluut waar, leef je leven dan maar op je eigen wijze, maar pretendeer dan niet dat je een discipel bent van Jezus Christus, de Zoon van God.

De passage van aanstaande zondag, de tweede zondag van de Lijdenstijd, gaat nu precies over een ervaring, die alleen maar begrijpelijk is vanuit het geloof in Jezus als de Zoon van God. Waarom krijgen Maria en Martha bij de dood van hun oudere broer Lazarus het harde woord te horen, dat de dood van Lazarus bedoeld was tot verheerlijking van God en opdat allen zouden geloven? Wanneer Jezus hen ziet huilen om de gestorven Lazarus is Zijn geest ontroerd. Waarover? Niet over de gestorven Lazarus. Hij weet wat er zou gaan gebeuren. Maar Jezus is bewogen om het gebrek aan geloof van Maria en Martha!

Zo staan in het evangelie van Johannes wel vaker de mensen tegenover God. Onze ontzetting, verdriet en falen worden door de Zoon van God oneindig overstegen. En weggenomen. En hersteld. En vernieuwd. Dit is het evangelie van de wedergeboorte, Gods radicale transformatie van een mens. Soeverein handelt God als schepper van de nieuwe mens. Het leven overwint de dood, onze sterfelijkheid verdwijnt in de tedere macht van het Leven dat bij God was en in Jezus tot volle ontplooing komt. Jezus handelt soeverein wanneer Hij het lijden en de dood op zich neemt uit liefde voor God Zijn Vader en de mensen.

Met dit alles dringt Johannes aan op een beslissing, een keuze voor of een keuze tegen. Geen uitwegen, geen middenweg, geen compromis.  Maar stel eens dat het de waarheid is, vriend, wie je ook bent? Is het dan in ieder geval niet de hoogste en diepste waarheid die je maar kunt denken? Het is  een magistraal liefdesverhaal, waarbij alle liefde van God uitgaat en in deze Zoon zichtbaar wordt. Liefde voor ons. En het eindresultaat van Gods  interventie in deze wereld is, dat jij en ik een nieuw leven krijgen, het leven van de Zoon van God mogen delen. En dat wij mogen weten dat we voor eeuwig bij God zullen zijn.

OVER DE INLEIDING TOT DE PREEK VAN AUGUSTINUS OVER JOHANNES 1:1

1

Sinds enkele weken lees ik preken van Augustinus. 1600 jaar oud zijn ze. Uitgesproken in het Latijn voor toehoorders die ik me nauwelijks kan voorstellen, in een culturele wereld waar ik geen directe toegang toe heb en bovenal vanuit een Bijbelse tekst – de Latijnse vertaling van de Bijbel – die door mij niet gebruikt wordt. Dat is aanleiding voor grove misverstanden en de reden dat ik me daarin zou verdiepen is niet onmiddellijk helder. Toch vind ik het fascinerend om te zien hoe deze stem uit een ver verleden probeert om mij goed bekende teksten te doorgronden en de inhoud helder en duidelijk over te brengen.
Wat mij onmiddellijk met Augustinus verbindt zijn deze twee kenmerken van zijn prediking. Het eerste is, dat Augustinus “door de tekst héénpreekt”, d.w.z. hij preekt op de manier die wij nu de “exegetische” of “expositorische” methode noemen. Elk vers, elk woord krijgt aandacht, want elk vers en elk woord is Woord van God en daarom de moeite waard. De tweede overeenkomst is, dat Augustinus zich bewust is als prediker een bijna onmogelijke taak te hebben. De diepte van de Bijbelse tekst uitleggen in een preek van een half uur – drie kwartier schat ik in zijn geval – voor mensen die van Bijbelstudie geen gewoonte hebben gemaakt, is imponerend. Hoe overbrug je de wereld van de Bijbel en die van je hoorders? Hoe wek je het verlangen op om Gods woord te begrijpen en toe te passen in je leven? Hoe houd je de aandacht vast? – want zonder een aandachtige luisterende houding valt alles als grof zaad op rotsige bodem. Begrijp je zelf de tekst waarover je preekt? En kun je aan de gemeente duidelijk uitleggen wat je ervan begrepen hebt?
Augustinus is zich van deze laatste moeilijkheid zeer bewust. Hij schrijft:

Mijn prediking schiet in mijn ogen altijd te kort. Ik verlang naar iets dat beter is, waar ik mij innerlijk over verheugen kan in mijn gedachten voordat ik die in hoorbare woorden omzet. Dan ontdek ik dat mijn vermogen om het onder woorden te brengen te kort schiet en niet gelijkwaardig is aan mijn innerlijk begrip. Daarom word ik verdrietig over het onvermogen van mijn tong om te beantwoorden aan mijn hart.

Ik herken dat. De schitterende gedachten die je als een geschenk ontvangt in de studeerkamer vallen zondag na zondag uit je bewustzijn nog voordat je de kansel betreedt. En zelfs wanneer je nauwkeurig hebt vastgelegd wat je gaat zeggen, dan ontdek je terwijl je ze uitspreekt, dat het toch maar fletse woorden zijn vergeleken met de diepe poëzie die de studie van de Schrift je geboden heeft. Het brengt Augustinus ertoe om in de preek ook te reflecteren op het feit dat hij preekt. De prediker zelf en zijn vermogen om te begrijpen en te communiceren, en de toehoorders met hun vermogen om te verstaan komen zelf ook aan bod. Preken is voor Augustinus daarom werkelijk een gesprek, een “homilia”, waarin de hoorder ook betrokken wordt in het waagstuk van de prediking: met eigen woorden te zeggen wat God gesproken heeft.

2

Daarom begint Augustinus een preek over Johannes 1 niet meteen met een verklaring van de tekst, maar met een inleiding over het probleem van ons begrip. Voorafgaande aan de expositie van Johannes 1:1 spreekt hij over 1 Kor. 2:14, waar we lezen: “De natuurlijke mens begrijpt niet de dingen, die van de Geest van God zijn.” Er zijn er onder jullie, zegt hij, die tot die “natuurlijke mensen” gerekend moeten worden. Mensen die alleen maar kunnen begrijpen “met het vlees.” Met hen moet je rekening houden. Maar er zijn ook mensen die het woord “niet alleen begrijpen nadat het is uitgelegd, maar al begrijpen voordat het is uitgelegd”. Ook die mensen moeten door de preek worden aangesproken. En dan is de prediker zelf er ook nog. Begrijpt hij alles? Augustinus is zich zeer bewust van een geestelijk onderscheid tussen twee groepen hoorders. De ene groep wil alles begrijpen vanuit zijn “vlees”, vanuit ideeën en ervaringen van het dagelijkse leven, en de andere is gewend aan Bijbelse taal, leeft met ideeën en voorstellingen van het geloof en luistert daarom anders. Het is een communicatieve nachtmerrie.
Maar Augustinus eindigt zijn inleiding met de vaststelling dat beide groepen, de natuurlijke zowel als de geestelijke mens, net als de prediker zelf, zijn aangewezen op de barmhartigheid van God. God wil elk geven wat hij begrijpen kan; God geeft ook het vermogen om te begrijpen aan de prediker zelf. Ondanks de moeilijke situatie waarin de preek communiceren wil, mag er niet gezwegen worden. Het heeft geen zin om de eis te stellen dat de prediker alles begrijpt, noch dat de hoorder alles begrijpt. Zelfs de apostel Johannes begreep niet alles wat hij opschreef. Het is “een mens die over God spreekt, geïnspireerd door God zeker, maar toch een mens.”
Je ziet in het voorbijgaan een paar keuzes van Augustinus. Ook de Latijnse vertaling zegt in 2 Tim. 3:16 dat de inspiratie een kenmerk is van de Heilige Schrift (omnis scriptura divinitus inspirata), maar Augustinus legt de nadruk op de inspiratie van de schrijver en niet op het “theopneustos” (door God doorademd) zijn van de Schrift.
Een andere keuze: de natuurlijke mens is in Paulus’ brief aan de Korinthiërs de ongelovige mens. Augustinus lijkt hier te bedoelen dat het gaat om twee niveaus van Christen-zijn, alsof we “natuurlijke” en “geestelijke” Christenen hebben. Hoe heeft hij dus zijn toehoorders gezien? Als een “corpus permixtum”? Een gemengd gezelschap van gelovigen en ongelovigen, allen op een of andere manier toch verbonden met de kerk? Dat zou wel passen bij zijn opvatting over de kerk die hij vergelijkt met een akker waarop zowel koren als onkruid groeit. Als dat je opvatting is van de kerk, dan bepaalt dat ook hoe je je gehoor ziet op de zondag: spreek je gelovigen aan die de Geest hebben? Of heb je een “gemengd gezelschap” voor je waaronder ook ongelovigen, “natuurlijke” mensen zijn, die geen boodschap hebben aan de geestelijke strekking van de Bijbeltekst, geen toepassing voor het geloofsleven willen horen, maar alleen iets “praktisch” waarmee ze de week kunnen doorkomen.

3

Ze zullen ook gezongen hebben, in die gemeente van Augustinus. En misschien wel Psalm 72:3,

De bergen zullen voor het volk vrede dragen,
Ook de heuvels, met gerechtigheid

Alleen de oude berijming heeft dat beeld vastgehouden in Psalm 72 v. 2

De bergen zullen vrede dragen
De heuvels heilig recht,
Hij zal hun vrolijk op doen dagen
Het heil, hun toegezegd.

Augustinus gebruikt de uitdrukking “de bergen zullen vrede dragen voor het volk” als een middel om nu samenhang te brengen in zijn uitleg. De apostel Johannes, zegt hij, “was een van die bergen waarover geschreven staat ‘laat de bergen vrede ontvangen (suscipiant) voor uw volk, en de bergen gerechtigheid.’” Dan komt de allegorische of symbolische duiding: “de bergen zijn de verheven zielen, de heuvels de kleine zielen.” En die bergen ontvangen de vrede, zodat de heuvels gerechtigheid kunnen ontvangen. En die gerechtigheid is niets anders dan geloof, want de “rechtvaardige zal uit geloof leven.”
Je ziet makkelijk wat hij doet. Vanwege Rom. 1:17 staat “gerechtigheid” voor geloof. En bergen (hoog) en heuvels (laag) zijn een verwijzing naar een geestelijke zaak: verheven en kleine zielen. Dat het in Psalm 72 gaat over een parallellisme, typisch kenmerk van Hebreeuwse poëzie, is Augustinus onbekend, en dat het daarom niet de bedoeling is dergelijke termen symbolisch te duiden. Bergen en heuvels betekenen ongeveer hetzelfde in dit parallellisme waarin de eerste en de tweede regel ongeveer hetzelfde zeggen. De bedoeling van het vers is zoiets als: als de Messias komt, zullen zelfs de bergen en de heuvels vol zijn van gerechtigheid en vrede – en dat is uiteraard een poëtisch beeld – die aan het volk ten goede komt.
Alleen wanneer de bergen, de geestelijke mensen, hun wijsheid kunnen overbrengen aan de heuvels, de lagere zielen, de natuurlijke mensen, kunnen de laatsten geloof ontvangen. Dat is op zich een correcte gedachte, die door wat Paulus zegt in Romeinen 10 wordt onderstreept: het geloof is uit het gehoor, het gehoor uit de prediking, de prediker moet geroepen zijn en wat hij predikt moet het woord van God zijn. Daaraan heeft Augustinus ongetwijfeld gedacht. De vrije toepassing van Psalm 72 stoort mij daarom niet.

4

Er zijn ook bergen, zegt Augustinus, die schipbreuk veroorzaken. Ineens krijgen we met een ander beeld te maken. Bergen zijn verheven zielen, dat was al een gewaagde beeldspraak, maar nu is ook elk mens te vergelijken met een schip dat gevaar kan lopen op de rotsen te lopen. Het beeld wordt uitgebreid door Augustinus neergezet: Soms zie je land vanaf een schip en je stuurt in die richting, maar voordat je de berg bereikt kom je rotsen tegen die aan de voet van de bergen liggen. Dan lijdt je schipbreuk. Wie zijn dit dan en waarom bespreekt Augustinus dat? Deze bergen, zegt hij, zijn de “verheven zielen” die de eenheid van de kerk in gevaar hebben gebracht, en door hun briljante leringen in de kerk ketterij en verdeeldheid hebben gezaaid. Die bergen hebben dan zeker geen vrede gebracht, maar strijd.
Waarom komt Augustinus hiermee? Ongetwijfeld vanwege zijn eigen felle strijd tegen ketterij in de kerk. Er is geen sprake van dat hij die strijd wil weghouden van zijn gehoor. Toch benoemt hij de ketterijen hier niet. Maar de gemeente moet blijkbaar beseffen dat niet alles wat ze horen van andere leraren en predikers in de kerk, de waarheid is. Omdat het werkelijk gaat om waarheid, is er ook strijd om de waarheid. Waarheid kun je alleen maar inzien, als de leugen wordt ontmaskerd. Als je alleen een verzameling meningen hebt, zoals zo vaak in onze postmoderne tijd, die allemaal als gelijkwaardig worden gezien, ben je niet eens meer in staat de waarheid te onderscheiden.
Nu zijn we allemaal “maar” mensen. De tegenwerping die Augustinus hier behandelt, voelt voor mij heel eigentijds aan. De tekst die hij hier uitleggen wil, spreekt hoog verheven over God en Jezus: “In het begin was het Woord, en het Woord was bij God en God was het Woord.” Kwam deze gedachte nu bij Johannes op? Of steeg Johannes op tot die gedachte? Met andere woorden: heeft Johannes dit zelf bedacht of werd het hem door de Geest ingefluisterd? Verheven ziel of niet, imponerende leraar of niet, het criterium is of een mens een “engel” is of niet, of hij een boodschapper is van Gods Woord of alleen namens zichzelf spreekt. Johannes de apostel is een “berg” omdat hij zelf is opgestegen naar het Woord, niet omdat er in hem iets opkwam.
Opnieuw een vreemde toepassing van een Bijbelse tekst: “Ik heb gezegd, jullie zijn goden; en jullie allen zijn kinderen van de allerhoogste.” Het is Gods bedoeling om ons op te trekken naar Hem, om ons te “vergoddelijken” in de mate waarin dat mensen mogelijk is. Wij schrikken terug dan die taal, maar ook daarin ligt een theologisch aanvaardbare notie. Wanneer wij spreken over de verheerlijking als Gods ultieme werk aan ons (Rom. 8:30) of over het “gelijkvormig worden” aan het Beeld van Gods Zoon (Rom. 8:29) gaat het wel degelijk om een transformatie waarin we op bijzondere wijze aan God “gelijkvormig” zullen zijn. Paulus zegt zelfs, dat “wij, die met ongedekt aangezicht de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwen, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van (= door) de Heer de Geest.” (2 Kor. 3:18) Daarom kan Augustinus zeggen: “Hiertoe roept God ons, dat we niet langer mensen” – d.w.z. natuurlijke mensen – “zouden zijn.”

5

Waarom is Johannes een berg? Omdat hij boven alle dingen in de schepping uit is gestegen zodat hij kon zeggen: “In het begin was het Woord etc.” Hij kon het zien – door inspiratie – en toen hij het zei, konden anderen het geloven. Zo zingen we het immers ook: “Ik sla de ogen naar het gebergte heen, vanwaar mij dag en nacht mijn Hulp en Bijstand wacht.” En we zeggen: “Onze hulp is in de Naam van de Heer, die hemel en aarde gemaakt”, en die om die reden bóven alle schepselen uitgaat.
Gods Woord is uitgesproken in woorden van mensen. Maar die mensen waren verheven zielen. Als we Gods Woord lezen, lezen we mensenwoorden, maar het zijn woorden die voor ons “uit de hoogte” komen, woorden van mensen die je als bergen kunt zien. Maar hun wijsheid was niet hun eigen licht, maar “het ware licht, dat ieder mens verlicht, was komende in de wereld.” Uiteindelijk gaat het niet om de berg, maar om Degene die ons vanaf die berg te hulp komt. Het gaat niet om de menselijke inspiratie van Johannes, maar om de verlichting met de Heilige Geest.
Ik vraag mij af waarom Augustinus een hele paragraaf (nummer VII) wijdt aan dit onderwerp. Hij benadrukt dat je Gods Woord alleen begrijpt als je ook begrijpt waar het vandaan komt en inderdaad Gods eigen Woord is. Hij vraagt ons om verschil te maken tussen de verheven indruk die deze woorden als menselijke wijsheid kunnen maken en datgene wat als waarachtige openbaring moet worden gezien. Het is, denk ik, een poging om de “natuurlijke mens” ertoe te bewegen om boven zich uit te stijgen en de woorden van de Schrift werkelijk te begrijpen als goddelijk woord. Je kunt het belang van deze verandering van perspectief nauwelijks te veel benadrukken. Er is een zuivering van het hart nodig, een loslaten van het vlees, van het aardse denken, van eigen dagelijkse ervaringen en ideeën, om werkelijk Gods Woord te kunnen begrijpen. Het is een zuivering die blijkbaar verder reikt dan alleen een intellectuele verandering: “zalig zijn de zuiveren van hart, want zij zullen God zien.” Pas na deze oproep kan Augustinus in de 8e paragraaf ertoe komen om aan de preek te beginnen.

 

Lader Bezig met laden...
EAD logo Duurt het te lang?

Opnieuw laden Laad het document opnieuw
| Open Openen in nieuwe tab

Download

Wie dorst heeft, kome tot Mij en drinke! – verkondiging in de avonddienst van 21 mei 2017

Verkondiging over Joh. 7:37-43.
Midden op het Loofhuttenfeest nodigt Jezus met een luide schreeuw nog één keer uit om in Hem te geloven. De laatste openbare uitnodiging tot allen. Juist in het kader van het Feest van de herdenking van Gods voorzienige zorg in de woestijn, met de vooruitverwijzing naar de nieuwe messiaanse tijd waarin God Zijn koninkrijk zal oprichten.
Wie dorst heeft – zijn innerlijke nood kent – mag komen en vertrouwen op Jezus en mag dan drinken van het levende water – beeld van de wedergeboorte. Maar dan zal dat water ook worden tot een fontein van water. De zegen die is ontvangen mag worden uitgedeeld.
Hebben wij een emmer water mee kunnen nemen van de zondag? Dan moet je een geopend hart hebben, een “emmer” om dat water mee te kunnen nemen. Dat is al mooi! Maar hoe lang zal dat water toereikend zijn? Steeds opnieuw putten is nodig! En dat kan: gebed en bijbellezing geven ons steeds opnieuw dat levende water.

Wij weten dat wij Hem kennen – de zekerheid van het geloof in 1 Joh. 2:3-6

Samenvatting van de Bijbelbespreking van woensdag 22 maart.

1 Joh. 2:3-6

Weten dat wij Hem kennen

Geestelijke gemeenschap met God is alleen maar mogelijk als een gemeenschap met de Vader en de Zoon. Alleen het werk van de Heere Jezus aan het kruis maakte het mogelijk dat mensen weer in de nabijheid van God kunnen verkeren. Johannes heeft duidelijk gemaakt dat zelfs wanneer we terugvallen in de zonde, die gemeenschap weer hersteld kan worden. Daarvoor is het alleen maar nodig dat wij erkennen gezondigd te hebben en dat wij een beroep doen op Jezus als onze Voorspraak bij de Vader. Ook in ons christelijk leven nu, blijft Jezus de bron van vergeving en verzoening met God.

In vers 3 van het tweede hoofdstuk spreekt Johannes over iets dat christenen moeten weten. Dat woordje “weten” is een favoriet woord bij Johannes. Het is zeker een van de belangrijkste doelen van het schrijven van deze brief, dat christenen iets weten. Zoals in het vijfde hoofdstuk: “Deze dingen heb ik geschreven…opdat u weet dat u het eeuwige leven hebt” (vers 13). Johannes wil ons ervan overtuigen dat wij zekerheid kunnen hebben over onze behoudenis ondanks het feit dat wij moeten erkennen dat wij soms in de zonde vallen.

Zekerheid dat wij Hem kennen

Wat moeten wij dan weten? We moeten weten dat wij God kennen. In het Nederlands komt dat niet zo duidelijk naar voren. Maar in het Grieks wordt twee keer hetzelfde woord gebruikt. Maar we kunnen nu eenmaal niet vertalen: wij weten dat wij Hem “weten”. Maar dat is wat er bedoeld wordt. Niet alleen maar God kennen, maar ook beseffen en weten dat je Hem kent. Dus de zekerheid er over hebben. Kennis hebben van iets is één ding. Maar weten dat je het weet en weten wat je precies weet gaat daar nog bovenuit.

Wij leven in een tijd die door velen wordt getypeerd als de zogenaamde “postmoderne” tijd. Dat is dus de tijd die volgt op de “moderne” tijd. Het gaat dan om twee manieren van weten. In de moderne tijd is het de wetenschap die werkelijk iets kan weten, door het doen van metingen en het verrichten van experimenten en dan het formuleren van nauwkeurige theorieën die moeten worden bevestigd door weer nieuwe experimenten. De moderne tijd is daarom zo afkerig van geloof. Geloven is ook een weten, maar dan een weten over iets wat je niet ziet en niet kunt tasten en meten. In de moderne tijd wordt het geloof daarom steeds meer gezien als een persoonlijk gevoel of een levenshouding die niet te bewijzen valt en daarom niet tot de wetenschap behoort.

In de postmoderne tijd spreken we vaak over een perspectief. Mensen zeggen vaak: wat betekent dit voor jou? Iedere mens heeft een unieke manier van kijken en een uniek standpunt. De wereld ziet er voor jou anders uit dan voor mij. Buiten de wetenschap bestaan er dus geen waarheden die voor iedereen geldig zijn. Er is alleen maar een oneindige hoeveelheid persoonlijke meningen. Dat is ook de kerk binnengedrongen, waar we niet langer zeggen: wat zegt de Bijbel over dit onderwerp? Maar waar we zijn gaan zeggen: hoe beleef jij dit? Wat betekent dit voor jou?

Als de Bijbel over kennis spreekt, dan is dat iets anders dan de wetenschap van de moderne tijd, en iets anders dan de persoonlijke mening van de postmoderne tijd. Kennis in de bijbel is een zaak van het verstand waarmee we God ook liefhebben en eren, maar ook een persoonlijke zaak, omdat het steeds een ontmoeting inhoudt. Wij kennen Jezus omdat we Hem liefhebben en Hij ons liefheeft. Er is sprake van een persoonlijke relatie, en niet alleen van een persoonlijk perspectief. Wij bedenken immers Jezus niet, maar wij geloven dat Hij zich aan ons geopenbaard heeft.

De test: kennen wij Hem werkelijk?

Dan kan de vraag opkomen, of wij Hem werkelijk kennen? Is dat nu echt waar dat wij Hem kennen? Het is niet genoeg allerlei dingen over Hem te weten en het is zeker niet genoeg allerlei meningen over Hem te hebben. Johannes komt ons nu te hulp met een test. Er is eigenlijk maar één manier om te beproeven of wij Hem werkelijk kennen. En als we deze test kunnen doorstaan, dan weten wij dat wij Hem kennen. Dan kan er ook zekerheid zijn dat wij Hem inderdaad kennen en dat dat geen persoonlijke mening is.

Hoe weten wij dan dat wij Hem kennen, met Hem in een persoonlijke en wederkerige relatie staan? Vers 3: “als wij Zijn geboden in acht nemen.” De zekerheid van ons geloof, van onze kennis van Hem en van onze relatie met Hem, vinden we in ons eigen gedrag. Wij onderhouden Zijn geboden, wij gehoorzamen Zijn woord. Dat betekent niet dat wij Hem alleen maar kennen, zolang wij geen zonde bedrijven. Zonde kwam immers voor in het leven van een christen en moest worden beleden en kon dan worden vergeven.

Bewaren of onderhouden van de geboden

We moeten goed begrijpen wat deze uitdrukking “in acht nemen”, of ook wel “bewaren” of “onderhouden” betekent. Dat woord duidt niet op een volmaakt leven volgens de voorschriften en regels. Het betekent wel dat de woorden van Christus voor ons gezag hebben, en dat ze tot ons hart doordringen. Het gaat er om dat wie in een relatie tot Jezus staat, ook Zijn woord  serieus zal nemen en hoogachten. Zoals Johannes schrijft in het evangelie: “Als u in Mijn woord blijft, bent u werkelijk Mijn discipelen” (8:31). Een vergelijking. Als je als zoon eraan twijfelt of je werkelijk van je vader houdt, zou je dan jezelf niet de vraag kunnen stellen of de woorden van je vader je werkelijk ter harte gaan? Als je die woorden achteloos naast je neerlegt, om het even wat hij zegt – als hij een opdracht geeft of als hij je probeert iets uit te leggen – bewijst dat dan niet dat jouw vader je onverschillig blijft?

Zo is het ook met ons. Wij weten dat wij Hem kennen, dat wil zeggen dat wij Hem liefhebben, als Zijn woorden ons ter harte gaan. Als we die woorden indrinken en ons eigen maken om er dan uiteraard ook nog eens naar te willen leven. Het gaat er dus om, zoals vers 5 duidelijk maakt, dat wij in Hem zijn, zoals een rank aan de wijnstok. Als je daarvan de vruchten ziet, dan weet je zeker dat je verbonden bent met de wijnstok. Dat is Christus in ons die deze vruchten tot stand brengt; met andere woorden, het gaat om de vrucht van de geest – Gal. 5.

In het Nieuwe Testament worden christenen niet voorgesteld als mensen die een bijzondere mening hebben over dit of dat. Het zijn niet alleen maar mensen die verzot zijn op mooie woorden zoals vergeving en verzoening. Het zijn niet eens mensen die zich feilloos aan de voorschriften en regels houden. Christenen zijn mannen en vrouwen die kunnen zeggen dat Christus in hun woont. Denk maar aan Gal. 2:20, waar we lezen “Ik leef; maar niet ik, maar Christus leeft in mij. Johannes vertelt ons dat wij geacht worden dat te weten.

Nu is het zeker van belang onze eigen ervaringen steeds weer te toetsen. Niet elke mening die bij ons opkomt is waar. Niet elke mening die verkondigd wordt op televisie, op straat of in de kerk, is de waarheid. We moeten dus niet kijken naar onze gevoelens, of onze ontroering, of onze gehechtheid aan de kerkdienst of aan een liedbundel. Johannes wil dat we onderzoeken of wij waarachtig in Hem geloven, door naar ons eigen gedrag te kijken. Natuurlijk zijn er ook mooie ervaringen; natuurlijk zijn er ook diepe gevoelens verbonden met het geloof. Maar we weten pas dat wij God werkelijk serieus nemen in ons leven, als wij ook doen wat Hij van ons vraagt.

Wandelen met God

Het leven met God wordt vaak voorgesteld als een wandeling. In Genesis horen we dat Henoch wandelde met God (5:24), en datzelfde wordt van Noach gezegd (6:9). Abraham krijgt de opdracht: “Wandel voor Mijn aangezicht en wees oprecht” (17:1). Wie Jezus Christus volgt, “zal niet in duisternis wandelen, maar zal het licht van het leven hebben” (Joh. 8:12). Onze opdracht als christenen is het, om te “wandelen als kinderen van het licht” (Ef. 5:8). Het leven van een christen is een leven in de navolging van Christus. Daarom zegt Johannes in vers 6 dat wij moeten wandelen zoals Hij gewandeld heeft. Kijk naar Zijn manier van leven, maar Zijn gedrag, en kijk dan of in jouw leven iets van dat leven van Christus zichtbaar wordt. Als je in Hem bent, dan is het onvermijdelijk dat er iets zichtbaar wordt van Zijn leven in jou.

Jezus was een nederig en zachtaardig mens. Dat maakte hem ook de perfecte leraar zoals Mattheus ons duidelijk maakt: “Neem Mijn juk op u, en leer van Mij want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart; en u zult rust vinden voor uw ziel” (Mat. 11:28, 29). Het is een eigenschap die niet hoog staat aangeschreven in deze wereld, waarin je geacht wordt stevig voor jezelf en je eigen belang te kunnen opkomen. Toch is dat de weg waarop Jezus Christus gegaan is en dus ook de weg die wij moeten gaan. Deze eigenschap van de Heer Jezus kun je bijvoorbeeld terugvinden in het gedrag, de levenswandel dus, van iemand als de apostel Paulus. De Korinthiërs zeiden van Paulus: “zijn lichamelijke aanwezigheid is zwak en zijn spreken is verachtelijk” (2 Kor. 10:10). Maar dat was nu precies de wijze waarop Paulus de nederigheid en de zachtaardigheid van zijn Heer heeft kunnen weerspiegelen. Hij wandelde in dat opzicht zoals de Heer Jezus gewandeld heeft.

Jezus heeft ook een diep verdriet gekend vanwege de zonde in deze wereld. En dan niet alleen maar over de zonde zelf, maar vooral over degenen die in de zonde verloren waren. Is dat ook is dat wij voelen? Is het duidelijk aan onze houding en levenswandel dat wij gebukt gaan onder de zonde en het onrecht dat in deze wereld heerst? Nu, dat is wat onze Heer heeft gekenmerkt en dat is dus ook de manier waarop wij in het leven moeten staan.

Boven alles zien we in Hem precies die karaktertrekken waarover Paulus schrijft in Gal. 5. Liefde, blijdschap, vrede, geduld, vriendelijkheid, goedheid, geloof, zachtmoedigheid en zelfbeheersing. Dat zijn karaktereigenschappen die wij ontwikkelen in een levendige omgang met de Heer Jezus. Hoe dan? Door de Bijbel te lezen en te bidden samen met onze broeders en zusters in de gemeente, en door ons elke dag erop te richten dat we Zijn Woord ook doen. Dat wordt mede mogelijk gemaakt door een diepe kennis van de geboden en inzicht in de redenen daarvan. Toch hangt er niet veel af van ons eigen werk in dit opzicht. Uiteindelijk is het God Zelf die zó ons karakter vormt, zoals God zegt in 2 Kor. 3: “wij worden van gedaante veranderd naar hetzelfde beeld” – namelijk het beeld van de Heere Jezus – “van heerlijkheid tot heerlijkheid, zoals dit door de Geest van de Heere bewerkt wordt” (2 Kor. 3:18).