Johannes (10) – De tempelreiniging

Johannes 2:13-25

Wij hebben vaak een beeld van Jezus als een mens vol liefde en ontferming, een aardige man die alleen maar vriendelijke dingen zei. Instinctief reageren wij met afwijzing als we lezen dat Jezus soms helemaal niet aardig was. In het gedeelte dat wij nu voor ons hebben, krijgen we een inzicht in de persoonlijkheid van Jezus, dat met dat vriendelijke beeld in strijd is. Jezus is in één opzicht volkomen onverdraagzaam. Hij verdraagt het niet, wanneer mensen God niet eerbiedig benaderen. Hij wordt woedend wanneer Hij ziet dat mensen in de tempel de Naam van God misbruiken om er handel mee te drijven. Jezus Christus eiste eerbied tegenover God.

Dat is een algemeen beginsel in de bijbel. Het is een principe dat in de schepping is ingebouwd. God eist dat alles wat Hij geschapen heeft Hem eer geeft. Alles in de schepping doet dat ook, behalve zondige mensen. En daarom is de Zoon van God gekomen, zodat het weer mogelijk wordt dat zondige mensen God de eer geven die Hem toekomt, zodat ze weer beantwoorden aan het doel van hun geschapen zijn. En alles wat uiteindelijk God niet zal verheerlijken, Hem niet de eer zal geven die Hem toekomt, alles wat niet in overeenstemming is met Zijn wezen, dat zal Hij uiteindelijk moeten verwijderen. Dat is het oordeel. Daarom is het zo belangrijk om God te eren, en voor een christen betekent dat alle eer te geven aan de Zoon van God, die de heerlijkheid van God openbaart en is.

Het is zeker waar dat Jezus Christus kwam om te openbaren dat God een God van liefde is. Maar we kunnen niet spreken over Gods liefde, als we niet ook – ik zal niet zeggen eerst – gesproken hebben over de zonde. De kern van de zonde is ongeloof, en de kern van ongeloof is afgoderij, en de kern van afgoderij is dat God niet de eer krijgt die Hem toekomt. In ons gedeelte gaat Jezus aan het begin van zijn zending de Tempel binnen. Dat is wat Johannes ons vertelt. Het is de eerste keer, aan het begin van Zijn zending. Hij zou nog een keer de Tempel binnengaan, maar dat is aan het einde van Zijn zending, vlak voor het paasfeest wanneer Hij gekruisigd wordt. Dat vinden we in de andere evangeliën. Hier komt Hij de tempel binnen en Hij heeft in het geheel geen boodschap van liefde, maar Hij brengt een oordeel. De boodschap van Gods liefde is betekenisloos als mensen niet eerst begrijpen dat hun zonden een oneindige afstand scheppen tussen hen en God.

Jezus gaat naar Jeruzalem. Elke joodse man gaat elk jaar voor het Paasfeest naar de Tempel in Jeruzalem. Er zullen er in die tijd meer dan 2 miljoen geweest zijn, 2 miljoen joden in Jeruzalem vieren het Paasfeest. Op de 10e dag wordt een lam gekocht, op de 14e dag wordt tussen 3 en 6 uur ’s middags dat lam geslacht, en die avond wordt er feest gevierd. Daarmee werd herdacht dat God het volk uit Egypte bevrijd had. Met dat feest werd herdacht dat God machtig is om in de geschiedenis van mensen in te grijpen. Op dezelfde manier is de opstanding van Jezus voor de kerk een gedachtenis aan de macht die God heeft in de geschiedenis.

Die 2 miljoen joden hadden een lam nodig. Dus moesten er mensen zijn om de dieren van het offer te verkopen. Er zullen minstens 100,000 lammeren nodig zijn geweest elk jaar. En omdat handel alleen was toegestaan in een reine muntsoort, waren er ook geldwisselaars. Op zich was dat niet erg. In de straten van Jeruzalem hadden deze handelaren hun werk kunnen doen. Het was immers niet praktisch, wanneer je van ver moest komen naar Jeruzalem, om het lam met je mee te nemen. Maar toen werd er een praktische beslissing genomen met grote religieuze gevolgen. Waarom zou je die handelaren niet laten werken in de voorhof van de heidenen? Dat was toch een gedeelte van de tempel met een lage graad van heiligheid. En dus werd er in de ruimte die bestemd was voor heidenen om de God van Israël te aanbidden, handel gedreven in allerlei offerdieren en waren er wisselkantoren. En dan komt de Messias naar de tempel, zoals de profeet Maleachi al gezegd had: “plotseling zal naar Zijn tempel komen die Here Die u aan het zoeken bent… Maar wie zal de dag van Zijn komst verdragen?” (Mal. 3:1, 2) Even verder in de profetie wordt gesproken over de reiniging van de Levieten, en dat de Messias daar zal zitten als iemand die zilver smelt en reinigt. Zo komt Jezus hier in de tempel, als een directe vervulling van de profetie van Maleachi.

De voorhof van de tempel was op dat moment een chaos. Overal in de stad en ook hier waren grote menigten bijeen. En de meeste van hen liepen nu rond bij de tempel, omdat daar de aanbidding plaatsvond. Met het woord tempel bedoelen we nu het hele complex van gebouwen en omheinde ruimten rondom de eigenlijke tempel – met het Heilige en het Heilige der Heiligen. Misschien was het wel zo gegaan, dat de voorhof de beste plaats bleek te zijn om dieren te verkopen, de handelaren waren beetje bij beetje opgeschoven van de straat naar de voorhof, door onderlinge wedijver gedreven. En ze probeerde allemaal hun eigen waren aan de man te brengen in competitie met anderen. En omdat ze dit alles alleen rond  het Paasfeest konden verkopen, gingen de prijzen behoorlijk omhoog. Er is iemand die heeft uitgerekend dat duiven, die het hele jaar door voor een luttel bedrag van misschien maar 20 eurocent konden worden gekocht, op deze plaats en in die tijd van het jaar meer dan € 50 moesten opbrengen. Iets dergelijks gold ook voor de geldwisselaars. Iedereen moest een jaarlijkse belasting betalen aan de tempel en dat werd met het Paasfeest gedaan, en die betaling kon alleen plaatsvinden in joodse munt. En uiteraard vroegen de geldwisselaars daar een kleine vergoeding voor. En ook die vergoeding was in deze tijd exorbitant hoog, zodat het moeilijker en moeilijker werd vooral voor arme mensen om hun bijdrage aan de tempel te leveren. De tempel die bedoeld was als een plaats voor aanbidding en gebed leek dus voor het oog van de menigte veranderd te zijn in een grote marktplaats. Er was geen aanbidding, en er was geen eerbetoon aan God en daarom was Jezus zo boos.

Daarom deed Hij wat we lezen in vers 15. Hij maakte voor zichzelf een zweep van alle touwen die op de grond lagen – waarmee de dieren naar binnen waren gebracht. En dan lezen we: “dreef Hij ze allen de tempel uit.” Wie zijn dan deze “allen”? Het Griekse woord dat hier gebruikt wordt, wordt meestal gebruikt om naar “alle mensen” te verwijzen. Hij gebruikte de zweep niet voor de schapen en de ossen. Jezus ging die tempel binnen en liep met Zijn zweep van links naar rechts en dreef de mensen uit de voorhof. Hij maakte de tempel leeg. Dat is geen halve maatregel. De Messias zet Zijn kracht in. Als Hij wil dat mensen in beweging komen, dan komen ze in beweging. Zo dreef Hij al die mensen die daar waren de tempel uit, en die namen haastig hun dieren mee, en daarna liep hij naar de tafels van de geldwisselaars en keerde ze om. En daarna gaf Hij bevel aan de mensen die duiven in kratten hadden neergezet en zei simpel tegen hen: “pak je spullen en ga weg.”

Waarom is dit dan een getuigenis dat Jezus de Zoon van God is? In de eerste plaats moeten we ons deze scène eens goed voor ogen stellen. Twee miljoen joden willen in Jeruzalem het Paasfeest vieren. Op elk moment van elke dag zullen er duizenden in de voorhof hebben rondgelopen om daar hun offerdieren te kopen. Of, als ze van verre waren gekomen, de tempel eens te bekijken. Maar Jezus heeft al die duizenden uit de tempel gekregen. Dat is op zich al een bewijs van Zijn bovennatuurlijke kracht en macht. De mensen zijn onder de indruk van Hem en gaan blijkbaar rustig weg – als dat niet rustig was gegaan, zouden de Romeinen ongetwijfeld hebben ingegrepen. Die konden het tempelplein overzien vanaf de Burcht Antonia waar zij gelegerd waren. En zelfs als vanwege het Paasfeest, een groot deel van de Romeinse bezetting buiten Jeruzalem was gelegerd, dan nog zouden er voldoende soldaten zijn geweest om een einde te maken aan dit opstootje. Het is echter geen opstootje. De mensen verlaten rustig de voorhof op het bevel van Jezus. Het tweede bewijs is wat Hij hier zegt: “maak niet het huis van Mijn Vader tot een huis van koophandel.” (Vers 16.) Dit is de Zoon die het Huis van Zijn Vader leeg maakt. En dat heeft een belangrijk gevolg. We vinden aan het eind van het evangelie naar Mattheus een belangrijke uitspraak. Daar lezen we na de tweede keer dat Hij de tempel heeft gereinigd, dat Hij het oordeel over Jeruzalem aankondigt. Dan zegt Hij: “uw huis wordt als een woestenij voor u achtergelaten.” (Mt. 23:38) Het is niet langer het huis van Zijn Vader! Het Huis is gereinigd, maar niet om het opnieuw te gaan gebruiken, maar als een teken dat nu Iemand anders het waarachtige Huis van God is geworden: Jezus spreekt nu over Zijn lichaam, dat de Tempel van God is.

Het oordeel over de tempel is duidelijk. Het is in overeenstemming met het Oude Testament. Wat wil God van Israël? De schrijver van psalm 51 wist het: “Want U vindt geen vreugde in offers, anders zou ik ze brengen; in brandoffers schept U geen behagen. De offers voor God zijn een gebroken geest; een verbrijzeld en verslagen hart zult U, o God, niet verachten.” (Psalm 51: 18,19) De tempel bracht offers waarin God geen behagen meer had; in de prediking van Johannes de Doper ging het om die “gebroken geest, het verbrijzelde en verslagen hart.” Het ging om bekering en berouw en vernieuwing van leven door de Messias. Wat God werkelijk zocht was de bekering van Israël, de afkeer van de afgoderij, van het dienen van Mammon, van de haat die in het hart leefde, van de verstoktheid waarmee men een eigen gerechtigheid wilde oprichten waar God in feite buiten stond. De handel in offerdieren op de voorhof van de tempel, was een zichtbaar teken van de vervreemding tussen de God van Israël en de tempel die Zijn Huis geweest was, maar dat nu niet meer kon zijn.

Christus veegde de tempel leeg en reinigt het van alle handel. Vlak voor zijn dood reinigde Hij de tempel opnieuw. Hij stierf als een waarachtige Paaslam precies in de uren dat het Paasoffer in de tempel werd gebracht, en daarmee maakte Hij een einde aan deze offerdienst. En bij zijn dood scheurde Hij het voorhangsel van boven naar beneden, en maakte op die wijze een definitief einde aan de dienst in de Tempel. Tenslotte vernietigde Hij de tempel zelf in het jaar 70, toen het met de grond werd gelijkgemaakt. Zo handelde God door middel van de Romeinen met de tempel in Jeruzalem.

Is er vandaag nog een tempel van God? Jazeker. God heeft een nieuwe tempel gebouwd. Tijdens Zijn leven op aarde was Jezus Christus die tempel, omdat de heilige Geest in Hem woonde. En na Zijn opstanding en na de komst van de heilige Geest is er opnieuw een tempel op aarde, een tempel in de Geest. Dat is wat Paulus zegt tegen gelovigen: weten jullie dan niet dat jullie de tempel zijn van de heilige Geest? Jullie zijn een heiligdom dat niet met handen gemaakt is. Iedereen die Jezus Christus als Heer belijdt, vormt met alle andere gelovigen de Tempel van de Heer in de Geest.

Johannes (9) – Een bruiloft in Kana

Johannes 2:1-12

[Zie voor de gesproken versie onderaan deze blog, of klik Gesproken versie.]

Het eerste hoofdstuk van het evangelie naar Johannes hebben we nu besproken. De eerste 18 verzen gaven ons de theologie van Johannes: Jezus is het vleesgeworden Woord, het Leven en het Licht van de mensen. Hij is de Eniggeboren Zoon van God. Wie Hem aanneemt, in Zijn Naam gelooft, mag zichzelf een kind van God noemen. Johannes de Doper wordt in dat gedeelte meteen al genoemd als degene die het eerste getuigenis aflegt – want dit evangelie is een boek vol getuigenissen, Johannes wil bewijzen dat Jezus de Zoon van God is door getuigen op te roepen. Vanaf vers 19 komen we de eerste getuigen tegen: eerst Johannes de Doper zelf, daarna drie discipelen van Johannes de Doper: Andreas, Simon en waarschijnlijk Johannes de evangelist zelf. Dan horen we over de eerste roeping van discipelen: Filippus en Nathanaël. En dat getuigenis van de eerste leerlingen is steeds hetzelfde geweest. “Wij hebben gevonden de Christus”, zeggen ze, over Wie het Oude Testament geschreven heeft. En het getuigenis wordt doorgegeven: “Kom en zie!” We kregen het getuigenis van Nathanaël: “U bent de Zoon van God, de koning van Israël.” En ten slotte het getuigenis van Jezus Zelf met een verwijzing naar Daniel 7. “U zult grotere dingen zien dan deze …Van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen.”

We beginnen nu te lezen in het tweede hoofdstuk. Hoofdstuk 2 tot en met 12 vertellen ons over de daden van Christus – de “grotere dingen dan deze” –, en geven ons de uitleg. Men noemt dat wel het boek van de “tekenen”. Tot en met hoofdstuk 12 vinden we 7 tekenen die op zichzelf een getuigenis vormen voor de belijdenis, dat Jezus de Zoon van God is. Dit zijn ze: (1) De verandering van water in wijn in hoofdstuk 2. (2) De genezing van de zoon van de hoveling in hoofdstuk 4. (3) De genezing van de verlamde in hoofdstuk 5. (4) De wonderbare broodvermenigvuldiging in hoofdstuk 6 is de volgende,  en in datzelfde hoofdstuk vinden we ook (5) dat Jezus loopt op het water van de zee van Galilea. (6) De genezing van de blinde vinden we als het zesde teken in hoofdstuk 9, en het laatste teken is (7) de opwekking van Lazarus in hoofdstuk 11. Uiteindelijk zal Johannes nog een achtste wonder vermelden, maar dat is na de opstanding in hoofdstuk 21, de wonderlijke visvangst.

Ons onderwerp vandaag is het eerste wonder dat Jezus verricht, wanneer Hij aanwezig is op de bruiloft in Kana. We gaan dus van het mondeling getuigenis van Johannes de Doper en zijn leerlingen naar de daden en wonderen van Jezus zelf. Waarom verrichtte Jezus deze wonderen? We lezen in vers 11 van dit hoofdstuk, dat Jezus met dit wonder Zijn heerlijkheid heeft geopenbaard. En Johannes schreef al in de proloog, dat hij de heerlijkheid van het vleesgeworden Woord gezien had: “vol van genade en waarheid.” De heerlijkheid van Jezus betekent hier niets anders dan zijn godheid – niet “goddelijkheid” want dat is een eigenschap die ook aan het schepsel kan toekomen, iets kan heel sterk lijken op God en heet dan goddelijk. Heerlijkheid is alles wat God is in zichzelf, in Zijn karakter, in Zijn persoonlijkheid, in al Zijn eigenschappen. Maar met de openbaring van Zijn godheid zien we niet iets wat absoluut ver van ons staat, we worden niet ver boven ons eigen mens zijn uitgetild, zoals in een mystieke beleving, aangezien die godheid op ons toekomt. “Vol van genade en waarheid” betekent dat wij die godheid ervaren in de vorm van genade – goedheid die ons herstelt en voltooit – en waarheid. Waarheid die ons inzicht geeft en doet begrijpen wie wij zijn tegenover God. Het is net als met de zon. De zon zelf kun je niet zien, maar je kunt de zon wel waarnemen door het licht en de warmte die ervan uitgaan. De zon is nog veel meer dan alleen licht en warmte, maar dat is wat wij ervan kunnen ervaren. Zo openbaart de Zoon van God Zijn heerlijkheid ook op een manier die wij mensen kunnen waarnemen, door de genade en de waarheid die van Hem uitgaan.

Daaruit kunnen we nog iets leren. In elk van de wonderen laat Jezus Zijn godheid zien door Zijn macht over de natuur te demonstreren. Hij is de schepper, want “Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is.” (1:3) Maar het gaat bij deze wonderen niet alleen maar om de demonstratie van Zijn macht over de natuur. Jezus had macht om de hele stad Jeruzalem op te tillen en boven de zee te laten hangen, en dan had Hij kunnen zeggen “geloof in Mij, anders laat ik je in de zee storten.” Maar dat is niet de manier waarop Hij Zijn macht heeft gedemonstreerd. Daarom is het zo belangrijk dat Johannes schrijft dat deze heerlijkheid gezien werd “vol van genade en waarheid.” Het is geen puur machtsvertoon wat we hier tegengekomen. Het gaat dus uiteindelijk ook niet om het bovennatuurlijk karakter van het wonder, en daarom spreken we liever over “wondertekenen”; het zijn miraculeuze gebeurtenissen die een getuigenis afleggen, die iets willen zeggen over het karakter van God en niet alleen maar over de macht over de natuur die God uiteraard heeft.

We komen nu bij het verhaal zelf. “Op de derde dag,” lezen we, “was er een bruiloft.” Er zijn dus een paar dagen verlopen tussen het gesprek met Nathanaël en deze bruiloft. Die twee dagen waren nodig om de reis naar Kana te maken. We zitten nu ongeveer 12 km verwijderd van Nazareth. Jezus is thuis. Zijn broers en zusters en neven en nichten zijn allemaal daar in Kana, en ook zijn moeder is daar. Het is helemaal niet vreemd dat ze daarbij was, want ze zal met de bruid en bruidegom bekend zijn geweest en misschien wel verwant zijn. Het ligt zelfs voor de hand dat het om familie van Maria en Jezus gaat, omdat je haar ziet optreden als een soort assistente. Ze is op een of andere manier betrokken bij de organisatie van het geheel. Daarom spreekt ze Jezus aan wanneer er een tekort aan wijn ontstaan is, en daarom geeft ze het advies aan de dienaars, dat zij moeten doen wat Jezus tegen hen zeggen zal.

Waarom heeft Jezus zijn eerste wonderteken juist hier gedaan? Wat je ziet in dit gedeelte is de overgang van Jezus’ optreden in het betrekkelijke isolement van de familie, naar Zijn publieke optreden. Johannes de Doper was Zijn neef, de discipelen die met Hem mee gingen moeten ook tot de ruime familiekring behoord hebben, want ook zij waren uitgenodigd voor de bruiloft. Dat lezen we immers in vers 2. Ook de discipelen waren uitgenodigd. Maar dat kan alleen maar als zij bekenden waren van de bruidegom of de bruid, of zelfs tot de familie behoord hebben. Nathanaël woonde in Kana en was misschien om die reden alleen al uitgenodigd. Tot dusver is Jezus dus nog alleen maar binnen een kleine kring van familie en vrienden bekend geworden. En in die kring doet Hij Zijn eerste wonder. Tussen haakjes, het lijkt duidelijk te zijn dat Jozef niet meer leeft. Daar moeten we even over nadenken. Nathanaël wist wel dat Jezus de zoon van Jozef was. Maar dat houdt blijkbaar niet in dat Jozef nog leefde. Op de bruiloft horen we echter helemaal niets over Jozef. Het zelfstandige optreden van Maria lijkt te suggereren, dat zij gewend was om al haar zorgen aan haar zoon door te geven, terwijl zij normaal gesproken haar echtgenoot als eerste had aangesproken. Na de dood van Jozef zal Jezus vermoedelijk diens plaats hebben ingenomen als hoofd van het gezin. En nu zijn ze in Kana en het lijkt duidelijk dat Jozef daar ontbreekt. In ieder geval moet Jozef al gestorven zijn vóórdat Jezus stierf aan het kruis. Anders zou Hij aan het kruis niet gezegd hebben, dat een geliefde discipel van hem – Johannes dus – Zijn moeder in huis moest nemen. (19:26)

Terug naar Kana. Een bruiloft in die tijd was een belangrijke sociale gebeurtenis. De hele gemeenschap was daarbij betrokken. Normaal gesproken zou het beginnen op een woensdag met een heel groot feest. (Vermoedelijk begint het hier op een maandag.) En daarna zou de ceremonie van het huwelijk worden voltrokken. En vanaf die woensdag zou het tussen de 2 tot 7 dagen duren, met elke dag een feest, afhankelijk van de rijkdom die je bezat. Bij de rijksten duurde het huwelijksfeest zelfs twee weken. Je onderbrak dus je werk, je bewerkte het land niet meer, maar je ging naar het huis van het huwelijk en je had een week lang feest. In een tijd met zoveel armoede en hard werken was een bruiloft een zeer belangrijke uitlaatklep, een gelegenheid voor vreugde voor een hele gemeenschap. Jezus en de discipelen en de hele familie zijn uitgenodigd voor een dergelijk uitgebreid feest. De uitnodiging voor Jezus zal Hem trouwens bereikt hebben terwijl hij onderweg was naar Nazareth.

Het is heel bijzonder dat het eerste wonder van Jezus plaatsvindt tijdens een huwelijk. Dat is niet alleen maar om te bevestigen hoe belangrijk het huwelijk is. Het wonder is ook niet alleen maar bedoeld om het succes van het feest te garanderen. Sommigen hebben daar de nadruk op gelegd, dat Jezus door Zijn aanwezigheid op het huwelijk het huwelijk zelfs als instelling heeft geheiligd. De rooms-katholieke kerk ontleent hieraan het idee, dat het huwelijk een sacrament is. Daar kun je zeker aan denken, – maar dan niet als sacrament, dat van betekenis is voor de verlossing, maar alleen als een goddelijke instelling – maar het is niet de hoofdzaak. Het huwelijk tussen een man en een vrouw was ook een belangrijk beeld voor de relatie tussen God en Israël. En ik zei al dat bij elk huwelijk de hele gemeenschap betrokken was. Maar het is net alsof het huwelijk van een man een vrouw een kleine weerspiegeling is van de relatie tussen God en Israël, zoals veel later Paulus ook het verband zal leggen tussen het huwelijk en de relatie van Christus en Zijn gemeente, namelijk in Efeze 5.

Goed, er was dus een huwelijk gaande. En dan komt er een probleem. De wijn raakt op. We moeten niet vergeten hoe catastrofaal dat was. Je richt een feest aan voor meerdere dagen voor een zeer grote groep van mensen, die iedere dag wijn drinken. Iets anders was er ook niet te drinken. Water kon niet worden gedronken omdat het niet zuiver was. Je kon er ziek van worden of zelfs aan doodgaan. Maar ook wijn kon niet zomaar worden gedronken, omdat dronkenschap tegen Gods wet inging en de wijn heel sterk was. Dus het idee was dat je de zeer sterke wijn vermengde met water, in een verhouding van één op drie of soms wel één op 10. Maar nu raakt de wijn op. Misschien is het verkeerd gemengd, misschien is er een verkeerde schatting gemaakt. Misschien zijn er wel meer gasten gekomen dan was ingecalculeerd. In ieder geval is het een sociale ramp. Voor de bruidegom betekende dit, dat de vader en de moeder van de bruid zouden gaan zeggen: “kijk eens aan, hij is niet eens in staat om de bruiloft goed te regelen, maar hoe kan hij dan zorgen voor onze dochter?” Het stel was vermoedelijk een jaar of langer al verloofd. De taak van de bruidegom in dat jaar was om een huis te bouwen voor zijn vrouw, en te laten zien dat hij voldoende geld kon verdienen om deze bruiloft te betalen en te tonen dat hij in staat was om die goed te organiseren. Daar had hij natuurlijk veel hulp bij, en ook dat was een maatstaf voor zijn waardigheid. Het feest zou dus volkomen bedorven zijn voor de bruidegom, en voor die hele gemeenschap als er geen wijn meer te drinken was. En de bruidegom zou vol schaamte de gasten naar huis moeten sturen, en in plaats van dit geweldige feest dat ze zich nog jaren konden herinneren, zou de schande hem nog lange tijd bijblijven.

Maria komt het Hem vertellen. Ze zegt niet tegen Hem, kom jongen, verricht eens een wonder. Maar ze vertelt het Hem wel, omdat zij wist wie haar Zoon was. Misschien heeft ze wel gedacht dat dit Zijn grote kans was om te laten zien wie Hij was. “Laat deze mensen nou eens zien wie je werkelijk bent!” Zoiets. Het antwoord van Jezus lijkt op het eerste gezicht heel hard te zijn. “Vrouw” zegt Hij tegen haar. Waarom zegt hij niet langer moeder tegen haar? Omdat Hij zich begint te distantiëren van de familiekring, omdat Hij niet langer de plaats van zijn vader Jozef inneemt in het huisgezin, maar nu definitief de zaken van Zijn hemelse Vader gaat behartigen. Maar toch is het geen hard woord waarmee hij deze afstand tot zijn moeder schept. Het is eerder zoiets als “mevrouw”, hoewel ook dat niet echt de emotionele betekenis van het woord “gunè” (of uitgesproken als “gini”) dekt. Het is een beleefd woord, maar het sluit de relatie van moeder en zoon nu uit. Met het woord moeder zou Hij de menselijke relatie tussen Hem en Maria hebben benadrukt. Maar Jezus leeft niet langer alleen in die menselijke familierelatie. Vandaar dat Hij haar aanspreekt met “vrouw”.

En dan zegt Hij: “Wat hebben wij dan gemeenschappelijk?” Letterlijk staat er: “wat is er aan jou en aan mij?” Hoe kan Maria de Zoon van God vertellen wat hij moet doen? Is zij dan een medewerker van Hem? Hebben Hij en Maria gemeenschappelijk belang in deze situatie? De Zoon van God weet wat Hem te doen staat, Hij weet dat de wijn bijna op is. Hij weet alle dingen. En alleen Hij weet of Hij hier een wonder moet verrichten of niet. Hij zegt dus niet tegen Maria dat Hij niet van plan is om iets aan de situatie te doen, maar Hij zet haar op haar plaats. Hij zegt dus in feite: “dat is voor Mij een zorg en niet voor jou.”Terwijl aan de oppervlakte het lijkt alsof Hij zegt, “dat is jouw zorg en niet de Mijne.” Hij zou nooit zeggen dat het gebrek aan wijn alleen een zorg voor Maria was, waar Hij niets mee te maken wilde hebben, om dan vervolgens het probleem te gaan oplossen.

Maria heeft de boodschap begrepen. Daarom zegt ze tegen de dienaars dat ze maar moeten doen wat Hij ze ook maar zou zeggen. Zij wist dat Hij iets zou gaan doen. Zij begreep dat Hij had gezegd dat het nu Zijn zorg was en niet de hare. En zij begreep ook wat Hij bedoelde met de woorden: “Mijn tijd is nog niet gekomen.” Want dat betekende dat Hij het op Zijn tijd zou doen, en niet op het moment dat zij geschikt achtte. Die uitdrukking komt een paar keer voor in dit evangelie, “Mijn tijd is nog niet gekomen.” Het is alsof Jezus een heel precies tijdpad volgt, waar alles precies op Gods tijd gebeuren moet. En dit was nog niet de tijd dat Hij Zijn heerlijkheid openlijk zou tonen, zoals Maria wel gehoopt heeft vermoedelijk.

Dan horen we over de grote watervaten die daar geplaatst zijn. Water werd gebruikt om de handen te wassen voor het eten, dat was een ceremonieel vereiste, en de dienaars gebruikte het ook om de voeten van de gasten te wassen. Aan de omvang van de watervaten kun je aflezen hoe groot deze bruiloft geweest moest zijn. Er stonden zes watervaten van elk ruim 100 liter en dat betekent dat ongeveer 700 liter water tot hun beschikking stond. Nu geeft Jezus een opdracht aan de dienaars. Deze watervaten moeten tot aan de rand toe worden vervuld. Dat is geen geringe inspanning. Een groot aantal dienaars moesten naar de bron en terug met alles waarin ze maar water konden dragen om deze grote potten te vullen. Ik heb geen idee wat de dienaars gedacht moeten hebben, maar ik denk dat ze mopperend en vol onbegrip de opdracht hebben vervuld. En dan zegt Jezus dat ze uit die potten moeten scheppen om het dan te brengen naar de leider van het feest. Dat was degene die verantwoordelijk was voor alle gasten en de tafelindeling en al het voedsel en die erop moest toezien dat iedereen voldoende te eten en te drinken kreeg. En daarom brachten ze het naar hem om hem te laten weten dat ze weer wijn hadden. Wanneer hij van de wijn proeft is hij echter overtuigt dat dit de beste wijn is tot dusver, de beste wijn die hij ooit geproefd heeft. En dan krijgt de bruidegom alle eer. Want hij zegt tegen de bruidegom, “Waar heb je deze wijn bewaard? Je hebt ons te dusver de slechte wijn gegeven, en nu kom je hier aanzetten met deze wijn van superieure kwaliteit?”

Dat is het wonder. Het water was wijn geworden. Een daad van de Schepper. Het is op het eerste gezicht volstrekte bijzaak. De ceremoniemeester zegt alleen maar dat het geweldig goede wijn is. Hij heeft geen idee waar deze wijn vandaan gekomen is, en de bruidegom begrijpt het ook niet. Het is een verborgen wonder. Alleen de dienaars weten het, en Maria en de discipelen weten het.

Laten we eens kijken wat dit wonder eigenlijk inhoudt. Wijn komt van druiven, druiven komen van de wijnstok, de wijnstok groeit in de grond en heeft aarde, water en zonlicht nodig om te groeien. Maar dit is wijn zonder druiven, zonder wijnstok. Dat is een wonder. Jezus maakt wijn uit het niets. Zoals alleen de schepper dat kan. Er is geen mens aan te pas gekomen om druiven te plukken of de zaadjes van de wijnstok te zaaien, niemand heeft de druiven geplukt, niemand heeft hoeven wachten tot het druiven rijp waren enzovoorts. Als Jezus het vleesgeworden Woord is, dan is het ook niet nodig dat mensen daar een bijdrage aan leveren. Het is net als met de wonderbare broodvermenigvuldiging. Waar komt het brood vandaan? Graan wordt geoogst, wordt vermalen, het wordt vermengd met water, melk en zout, en dan in een oven gebakken. Maar Jezus is het vleesgeworden Woord, Hij is de schepper. Hij is in staat brood te maken, zonder menselijke voorbereiding of ingreep. En bij die gelegenheid hebben ze ook vis gegeten. Waar komt een vis vandaan? Die wordt geboren in de zee, opgevist door vissers en dan gebakken. Maar Jezus is het vleesgeworden Woord. Hij schept gebakken vissen uit het niets, en die vissen hebben geen vader en moeder gehad, en zijn niet opgegroeid in de oceaan, en zijn niet gevangen door een visser, en niet gebakken in vuur.

O, ik weet wel bij al deze wonderen, dat er van die aardige, moderne interpretaties gekomen zijn. Het wonder kan worden verklaard als een trucje: Jezus heeft ergens nog wat wijn gevonden, gooit dat stiekem bij het water, en de mensen op het feest zijn al zo dronken, dat ze denken dat ze nu heerlijke wijn drinken. Het is in strijd met de tekst, en het slaat nergens op. Dronkenschap was tegen de wet van God, en waarom zouden mensen die dronken zijn niet kunnen proeven dat ze maar een beetje water met wat wijn drinken? Het zou nog gevaarlijk geweest zijn ook, omdat een beetje wijn in water, dat water niet voldoende zuivert. Dat was nou precies de reden dat ze geen water dronken, zonder het met ten minste één op drie delen wijn aan te vullen. En bij de wonderbare broodvermenigvuldiging wordt er gezegd dat de mensen zich plotseling herinneren dat ze allemaal wel wat te eten bij zich hadden, en dat het eigenlijke wonder was, dat ze dat nu met hun buren gingen delen. Maar dat was helemaal geen wonder geweest, dat was gewone beleefdheid. En het is volkomen in strijd met de tekst, die nadrukkelijk zegt dat de mensen helemaal niks bij zich hadden om te eten. Zo heb je het wel mooi opgelost voor het verstand, denk je, maar juist verstandelijk zit je nu in grote problemen. Want als dat het wonder is, waarom vermeldt de tekst dat dan niet?

Ik heb er in mijn leven lang over moeten nadenken. Ik heb ook tot de mensen behoord die niets liever deden dan de wondertekenen uitleggen met een of andere natuurlijke verklaring, om dan alleen maar de vage boodschap over te houden dat vreugde op een bruiloft goed is, en dat het delen van je voedsel goed is, wat ik ook zou kunnen weten zonder de bijbel te lezen. Maar als Jezus het vleesgeworden Woord is, dan is Hij de schepper die nu deel uitmaakt van Zijn schepping. Zou er iets te wonderlijk voor Hem zijn? Ik raak er nu juist van onder de indruk, dat het wonder zo bescheiden, zo klein, zo weinig opzienbarend is. Het is geen wonder dat is bedoeld om indruk te maken op de menigte. De feestgangers hebben alleen maar de nieuwe wijn gedronken, en vage geruchten gehoord over Jezus’ betrokkenheid daarbij. Het heeft zelfs op de dienaars zo weinig indruk gemaakt, dat ze niet besloten hebben om Jezus te gaan volgen. Het is een uitzonderlijk wonder, een daad die heel eenvoudig bewijst dat Jezus God de schepper zelf is. Maar het is vol genade en waarheid. Dat is wat hier zo’n indruk maakt. Jezus is gekomen om het menselijke leven tot zijn volle bestemming te brengen. Daarom helpt hij de bruidegom en geeft Hij wijn aan de menigte. Maar Hij is niet gekomen om mensen onder de indruk te brengen van Zijn macht. Zijn heerlijkheid bestaat niet in macht en glorieuze pretenties, maar in genade en waarheid.

Dat is het wonder. Maar wat is nu het teken? Dat was soms de aanleiding om het verhaal als een sprookje op te vatten dat het “teken” moest illustreren, d.w.z. het was “ingeklede theologie” zodat alleen de conclusie nog geldig was, maar het verhaal zelf een fabeltje werd. Maar als de conclusie van het ‘sprookje” is dat Jezus de Zoon van God is, waarom is het verhaal dan niet waar? Als Hij de Zoon van God is, kan Hij wijn scheppen uit het niets. Dus we mogen het teken (de betekenis van het verhaal) nooit losmaken van het wonder. Maar goed, wat is dan de “betekenis” van het wonder, dat nog verder reikt dan alleen het getuigenis dat Jezus de Zoon van God is? Daar kan ik kort over zijn. De watervaten zijn bedoeld om de handen en de voeten te wassen van de gasten. Gedeeltelijk is dat een ceremonieel voorschrift. Ze hebben de handen gewassen, een zegenspreuk uitgesproken, en daarna pas brood gegeten. Ook bij de bruiloft is de God van Israël en Zijn Thora bij alles betrokken. Maar er is geen wijn. De wijn van de Messiaanse tijd, de wijn van de vervulde beloften van God, van het koninkrijk, die hebben ze zelf niet voldoende bijeen kunnen brengen. Jezus laat hier zien, niet alleen dat Hij de schepper is, maar ook dat Hij de Messiaanse koning is. Het toont de waarheid van de belijdenis van Nathanael: U bent de Zoon van God, de Koning van Israël. Hij brengt de wijn, waar het volk niet verder komt dan het water van de reiniging. Hij brengt de vervulling van het koninkrijk, waar het volk niet verder komt dan de uiterlijke vervulling van de geboden. Zij reinigen de handen met water, Hij reinigt het hart met de heilige Geest. Dat is het teken.

Hoe kunnen mensen dit wonder gezien hebben en vervolgens toch Jezus negeren? De dienaars hebben het gezien, en negeren Hem. Ook van de broers van Jezus lezen we later dat zij niet in Hem geloofd hebben. Jezus heeft Zijn heerlijkheid hier getoond, vol van genade en waarheid, en sommige mensen hebben wel het bovennatuurlijke gezien, maar dat vervolgens genegeerd en ze hebben de heerlijkheid miskend die daarin openbaar geworden was. Maar dat was ook niet de reden dat Jezus dit wonder heeft verricht. Hij deed het voor Zijn discipelen. Een eenvoudig wonderteken binnen de kring van de familie, bestemd voor de ogen en oren van de discipelen. Daarmee eindigt immers vers 11: “en Zijn discipelen geloofden in Hem.” Maar zij geloofden al in Hem, op grond van het getuigenis van Johannes de Doper, op grond van hun gesprekken met Hem, op grond van wat zij in deze Persoon gezien hadden. De vorm van het werkwoord dat hier wordt gebruikt, suggereert dan ook dat zij in hun geloof werden bevestigd, niet dat zij pas nu in Hem begonnen te geloven. Maar het was belangrijk voor hun eigen missie, dat de discipelen een vast en zeker geloof in Hem zouden hebben. Zij mochten zien – zoals een ieder die in Hem gelooft – wat Zijn heerlijkheid is. “Een heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid.”

Johannes (8) – Filippus en Nathanaël – De roeping van de eerste twee discipelen in Joh. 1:44-52

Het doel van het evangelie van Johannes is te bewijzen dat Jezus de Zoon van God is. Elk mogelijk getuigenis moet daarvoor worden verzameld. Om die reden is Johannes niet in de eerste plaats geïnteresseerd in de manier waarop de eerste discipelen door Jezus zijn geroepen. Daarom vertelt hij over de ontmoeting met Andreas en Simon Petrus op de manier die we net gelezen hebben. Andreas en Johannes zijn in een gesprek met Jezus overtuigd geraakt van de waarheid van de prediking van Johannes de Doper. Dat maakt hen tot getuigen. Simon Petrus in het bijzonder is onder de indruk van het feit, dat Jezus al weet hoe hij heet voordat zijn naam door Andreas genoemd is. Op dezelfde manier en vanuit hetzelfde motief wordt nu in het gedeelte vanaf vers 44 verteld over Filippus en Nathanaël. De evangelist is geïnteresseerd in het getuigenis: “Wij hebben Hem gevonden…” – Vers 46. En dan in het wonder: “Voordat Filippus u riep, toen u onder de vijgenboom was, zag Ik u.” – Vers 49. En vervolgens in het getuigenis van Nathanaël: “Rabbi, U bent de Zoon van God, U bent de Koning van Israël.” – Vers 50. Het gedeelte eindigt met een getuigenis van Jezus over zichzelf in vers 52.

We lezen vanaf vers 44. Hier komen we de tweede groep tegen, op de “volgende dag.” Dat is dan de vierde dag. Jezus is onderweg naar Galilea, een wandeling van ongeveer 25 km. Als je vroeg genoeg vertrekt kun je na vijf of zes uur lopen daar aankomen. Het ligt voor de hand om te denken dat Simon Petrus, Andreas en Johannes met Jezus waren meegegaan. Het doel van de reis zal wel geweest zijn om hun vrienden aan Jezus voor te stellen. En de eerste die ze tegenkomen was Filippus, uit het dorpje Bethsaïda, waar ook Andreas en Petrus geboren waren. Het is een klein vissersdorp aan de noord-oostelijke hoek van het Meer van Galilea. Later horen we dat Petrus in Kapernaüm woonde, zoals in Markus 1:21-29. Petrus was dus geboren in Bethsaïda, maar heeft gewoond in Kapernaüm. Zo was Jezus geboren in Bethlehem, groeide Hij op in Nazareth, en woonde in Kapernaüm toen Zijn zending eenmaal begonnen was.

We lezen dat Jezus Zelf Filippus vond. Hoewel Andreas en Simon goede bekenden van hem geweest moeten zijn, is het Jezus Zelf die hem ziet. In vers 45 zegt deze, dat hij en de anderen – dat moeten dan Andreas, Petrus en Johannes zijn geweest – dat “wij” dus, Hem hebben gevonden, “over Wie Mozes in de wet geschreven heeft.” En Filippus kent Hem ook nog als “Jezus, de zoon van Jozef, uit Nazareth.” Er moet dus een lange conversatie zijn geweest tussen Jezus en Filippus waar we verder niets over horen; een soortgelijk gesprek had Jezus al met Andreas, Johannes en Petrus gevoerd. Er zit een mooie spanning in deze tekst. Filippus lijkt iemand te zijn geweest, sterker dan bij de eerste drie discipelen, die bezig was met het Oude Testament. Hij zegt dat hij de Messias gevonden heeft van wie Mozes en de profeten hebben getuigd. Dat moet hem zijn uitgelegd, en daar heeft hij vermoedelijk vragen over gesteld. Intussen weet hij heel goed wie Jezus is, dat wil zeggen hij kent de aardse werkelijkheid: “zoon van Jozef”, zegt hij, “uit Nazareth”, voegt hij eraan toe. Dat is dan ook het wonderbare getuigenis van Filippus tegenover Nathanaël. Het is alsof hij zegt: “Hier zie je een mens zoals wij, die is opgegroeid in Nazareth – Bethlehem wordt hier niet vermeld – en het is een mens zoals wij, want hij heeft een vader die Jozef heet. Jozef zal in deze dorpjes ook wel bekend zijn geweest als timmerman. Maar tegelijkertijd is deze “gewone” mens de profeet en de koning en het Lam van God over wie het Oude Testament getuigd heeft.

Nathanael merkt deze spanning op en reageert meteen: “kan uit Nazareth iets goeds komen?” Dat is begrijpelijk, als we beseffen dat Nathanael uit een nog kleiner dorpje afkomstig is, namelijk uit Kana. (Johannes 21:2) Die twee dorpjes Nazareth en Kana waren maar 15 km van elkaar verwijderd. Blijkbaar waren er veel familierelaties tussen de dorpjes, want we horen iets later dat ook de discipelen en de familie van Jezus waren uitgenodigd voor een bruiloft in Kana. Maar er moet ook rivaliteit tussen die dorpen zijn geweest, vandaar de opmerking: “Kan uit Nazareth iets goeds komen?” Het is spottend bedoeld, maar niet haatdragend.

Dan horen we in vers 47 hetzelfde als wat we al gehoord hebben in vers 39: “Kom en zie!” Vraag het Hem zelf maar, betekent dat. Ontdek het maar voor jezelf, hoe ongelooflijk het ook in je oren geklonken zal hebben, dat de Messias zomaar iemand uit onze eigen omgeving is, dat we Zijn vader kennen en dat er niets bijzonders aan Zijn familie is. Jezus ziet Nathanaël naar Hem toe komen. En nu geeft Jezus een getuigenis over Nathanaël. “Zie, een echte Israëliet, in wie geen bedrog is!” Een waarachtige gelovige in de ware God, een berouwvolle gelovige die door de prediking van Johannes de Doper is geraakt. Geen hypocrisie, geen dubbelzinnigheid, geen aanstellerij. Hij zegt niet het ene en denkt het andere. Nathanaël is een uitzondering in een volk vol afvalligen en hypocrieten. Mensen die ervoor gekozen hebben om hun eigen gerechtigheid op te richten, van wie de leiders in Jeruzalem met argwaan en angst naar de prediking van Johannes de Doper hebben geïnformeerd, en die er alleen maar op uit zijn om de rust te bewaren en hun eigen status te verzekeren. De Zoon van God kan hier zeggen dat er een waarachtige joodse gelovige voor Hem staat, en dan gebruikt de evangelist het woord “Israëliet”. (“Jood” reserveert hij voor de tegenstanders van Jezus uit het volk, die gewoonlijk uit Juda kwamen; vijandige Judeeërs dus=Joden.) Nathanael is een waarachtige zoon van Abraham, Isaak en Jakob. Iemand die de Schriften gelooft, en de Messias verwacht en de wil van God probeert te doen, niet alleen maar in de uiterlijke dingen, maar ook in de gezindheid van het hart. Jezus ziet aan deze mens de geestelijke gezindheid die alleen maar innerlijk te zien is. Hij zegt dus tegen Nathanael dat Hij zijn hart gezien heeft. Daarom vraagt Nathanael: “Hoe kent U mij dan?” Dit is de strekking van zijn vraag: “Hoe kun je ook maar iets over mij weten? Zit je mij te vleien, zonder reden? Hebben wij elkaar dan ooit ontmoet?” En dan komt het antwoord van Jezus, waar het de evangelist Johannes ook om te doen is. Nu komt het wonder: “Ik zag jou al toen je nog onder de vijgenboom zat.” Voordat Filippus naar Nathanael toe stapte, zat die misschien al onder een vijgenboom. Dat kon Jezus als mens niet geweten hebben. Maar de Zoon van God kon dat weten, omdat Hij met God de eigenschap deelt van alwetendheid. Net zo goed als Jezus kon weten waar Nathanael fysiek geweest is, zo kan Hij weten wat de innerlijke gesteldheid van het hart van Nathanael was. Dat maakt dit getuigenis voor Johannes de evangelist zo bijzonder.

Op grond van de aanwijzing van Filippus, en het wonderlijke spreken van Jezus als Zoon van God, komt Nathanael dan tot een belijdenis. Drie elementen heeft dat: “Rabbi” zegt hij. Jezus is voor hem de waarachtige leraar, de opvolger van Mozes zelf. “U bent de Zoon van God” – hij herkende in Jezus, de zoon van Jozef uit Nazareth, God Zelf. Dan het tweede: “Zoon van God” betekent hier precies, wat het in de proloog betekende. “De Eniggeboren Zoon, Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem (God) ons verklaard.” (1:18) Wie belijdt dat Jezus de Zoon van God is, belijdt dat Jezus Christus “in het vlees gekomen is”, dat Hij het “vleesgeworden Woord” is. En dan het derde: “U bent de Koning van Israël.” Een drievoudige belijdenis dus. Eerst de relatie – Rabbi –, dan de Persoon – Zoon van God – en dan de functie of titel – Koning van Israël. En dat zegt deze Nathanaël over Jezus de zoon van Jozef uit Nazareth. Hij heeft gedaan wat Filippus hem vroeg: “Kom en zie!” Nathanaël is gekomen en heeft gezien en heeft gehoord en is tot een belijdenis gekomen, heeft getuigenis afgelegd van Wie hij gevonden heeft.

Jezus maakt daarna meteen duidelijk, dat de motivatie achter het geloof van Nathanael niet genoeg is. Nathanael geloofde dat Jezus de Messias was, omdat Hij in staat bleek om hem al te kennen voordat ze elkaar ontmoet hadden. Hij gelooft op grond van het wonder van Jezus’ alwetendheid. Daarom zegt Jezus dat er nog grotere dingen zullen zijn, de discipelen zullen wonder na wonder na wonder meemaken. Maar het grootste wonder en de kern van alle wonderen wordt door Jezus aan het eind van de passage uitgelegd.

Vers 52 geeft ons nu de kern, het waarachtige teken of wonder dat de discipelen zouden meemaken. En het is dat wonder dat de waarachtige grondslag van hun geloof is. Niet de wonderlijke tekenen van genezing en alwetendheid en almacht. Het waarachtige teken vinden we in vers 52, ingeleid met de woorden “Voorwaar, voorwaar”. Met deze woorden wordt altijd een nieuwe openbaring ingeleid. “Van nu af zult u de hemel geopend zien en de engelen van God opklimmen en neerdalen op de Zoon des mensen.” Dat is een verwijzing naar Genesis 28. Jacob krijgt daar te horen dat God Zijn beloften aan hem en zijn familie en nageslacht zou gaan vervullen. De belofte die ooit aan Abraham gegeven was. Ik zal jou tot een natie maken, ik zal jouw volk zegenen, ik zal verlossing brengen aan jouw volk, ik zal de hemel openen en de engelen heen en weer laten gaan om jou te beschermen en voor jou te zorgen tot dat de belofte vervuld zal zijn. Wat Jezus hier zegt is eenvoudig dat de macht van de hemel in Zijn bediening, in Zijn verkondiging zichtbaar zou worden. Jezus zegt hiermee tegen Nathanael: je zult zien in de wonderen die Ik doe, dat God met Mij is, en dat Hij Zijn beloften in Mij zal waarmaken. De wonderen zijn er niet voor zichzelf. Ze worden ook niet gedaan alleen maar om mensen te helpen – anders zou Jezus wel een bovennatuurlijk hospitaal hebben geopend om tot in eeuwigheid zieken te genezen. De wonderen zijn er om getuigenis af te leggen van het feit dat God waarachtig en volledig in Jezus van Nazareth present was. En dat op die manier, in de vernedering van de Zoon van God als mens, in wie tevens Gods genade en waarheid openbaar zijn geworden, God de belofte van Daniel 7 waar maakt. Want de Zoon van God is ook de waarachtige Zoon des mensen. In Daniël vinden we de titel “Zoon des Mensen” – “Hem werd gegeven heerschappij, eer en koningschap, en alle volken, natiën en talen moesten Hem vereren. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die Hem niet ontnomen zal worden, en Zijn koningschap zal niet te gronde gaan.” (Dan. 7:14) Dat is wat Jezus hier zegt. Niet alleen dat ene bijzondere vermogen van alwetendheid, dat werd gedemonstreerd aan Nathanael, maar het voortdurende en krachtige getuigenis, dat de macht van de hemel aanwezig is bij en in Hem, die de beloofde Zoon des mensen is.

Wat betekent dan die verwijzing naar engelen die opklimmen en neerdalen? Het hele leven van Jezus is omringd door engelen, door bijzondere manifestaties van Gods macht. De engelen spraken tot Zacharias en zeiden dat de voorloper, Johannes de Doper geboren zou worden. Engelen spraken tot Maria, de moeder van Jezus. Een engel waarschuwde Jozef in de droom. Een koor van engelen kondigde de geboorte van Christus aan, tegenover de herders in het veld. De engelen kwamen aan het eind van de periode van 40 dagen in de woestijn, om Hem te dienen. Er zijn engelen bij het graf, er zijn engelen die Hem bij zijn Hemelvaart omringen. Hij had voortdurend de macht om een legioen van engelen op te roepen om Zijn wil te doen, zo getuigt Jezus tegenover Pilatus. Daarom is de verwijzing naar Genesis 28 zo fraai. Engelen die opklimmen en neerdalen tussen hemel en aarde. Een levende, sterke verbinding tussen hemel en aarde in het leven van Jezus.

Heel schematisch kun je in dit gedeelte zien hoe een mens behouden wordt. In de eerste plaats moet er een zoekende ziel zijn. Dat zagen we al in het vorige gedeelte, in vers 38. Jezus draait zich om en hij ziet Andreas en Johannes achter Hem aanlopen. Hij vraagt: “Wat zoeken jullie?” Ze zoeken het Lam Gods over Wie Johannes de Doper heeft gesproken, Die zou dopenb met de heilige Geest en Die de verlossing van zonde en schuld zou brengen. En dan zegt eerst Andreas tegen Simon, dat hij de Messias heeft gevonden. En zo zegt Filippus tegen Nathanaël, dat hij de Messias heeft gevonden. Je kunt Hem alleen vinden als je Hem zoekt. “Zoekt en u zult vinden. Klopt en u zal opengedaan worden.” Maar het motief achter dit zoeken is niet eenvoudige nieuwsgierigheid of een verlangen naar geluk. Het moet zijn uitgelokt door berouw, en een geloof in de Schrift. De verkondiging van Johannes de Doper was gericht op bekering, een afzien van de oude en kwaadaardige wegen, een ommekeer – en dus een totale morele vernieuwing – in de richting van God. De belijdenis van de zonden die Johannes de Doper gevraagd heeft voorafgaande aan de doop, was en is een reëel onderdeel van dit zoeken naar de verlossing. Maar hij gaf ook onderwijs in de Bijbel, leerde zijn discipelen wat er in de profeten en bij Mozes over deze Messias gezegd was. Die twee zaken dus: berouw en geloof in de Schriften.

En dan het tweede. Dat zoeken heeft geen enkele zin behalve wanneer de Verlosser ook zoekt. Daarom zegt Jezus tegen Filippus: “Volg Mij.” Het is Jezus die Zijn volgelingen zoekt en vindt.

En dan het derde. Er is ook altijd iemand die getuigenis aflegt. Hoe zullen mensen het evangelie geloven, als dat evangelie hun niet wordt verkondigd? Het is weliswaar niet de verkondiging die mensen tot geloof brengt, want dat is het werk van de heilige Geest. Maar het geloof, innerlijk gewekt door de heilige Geest, wordt uiterlijk mogelijk gemaakt door het horen, het horen van de verkondiging van het evangelie.

En die verkondiging van het evangelie is altijd hetzelfde: “kom en zie!” Eerst komen. Daarin zit de gedachte dat je je oude manier van denken moet loslaten, dat je jezelf moreel moet oordelen in het licht van Gods Woord. Het is ook een komen in de zin van de schrift leren kennen, de Bijbel lezen, de verkondiging in de kerk horen. Dat alles is een komen. En dan ook nog het zien. Je ogen en je hart en je oren openstellen voor de Persoon over Wie de verkondiging gaat, over Wie de Schriften spreken. Zien met het innerlijk oog, inzien en tot je laten doordringen. Het heeft geen enkele zin om met verstandelijke redenaties te proberen de overgang te maken van ongeloof naar geloof. Dat wil niet zeggen dat bekering een onredelijke en blinde sprong in het geloof is. Maar het sluit wel uit dat we met het verstand, zonder de betrokkenheid van ons hart en geweten de keuze voor Christus kunnen maken. De heilige Geest overtuigt ons van de zonde in ons hart, van de noodzaak van verlossing, en wijst op Hem die onze Verlosser wilde zijn.

En wij? Wij hebben alleen maar als taak – dat heet de bediening van de verzoening – om mensen ertoe op te roepen zich te laten verzoenen met God. Kom en zie! – zeggen wij. Om aan onze naasten en buren en familie te zeggen, wat Filippus tegen Nathanael zegt. Wat zegt hij dan? God wil verlossing schenken. De Zoon van God is gekomen en wilde die verlosser zijn. En als jij jezelf aan die verlosser toevertrouwt, zul je de genade en de waarheid van God leren kennen. Dan zul je vergeving ontvangen van je zonden en bevrijding van je schuld en zul je in de kracht van de heilige Geest nieuw leven ontvangen. Het leven namelijk zoals God het bedoeld heeft.

Johannes (7) – Nieuwe getuigen: Andreas en Simon Petrus

Johannes 1:35-43

Dit is het verhaal van de derde dag van het getuigenis van Johannes de Doper. En daar zie je meteen een mooie overgang naar een nieuw getuigenis, namelijk dat van vijf discipelen van Johannes de Doper die hier kennis maken met Jezus Christus. In ons gedeelte komen we er drie tegen, en dan later nog twee anderen. Vers 41 vertelt ons over Andreas, en die vindt zijn broer Simon, en dan is er nog een derde die geen naam krijgt. Ongetwijfeld is dat de apostel Johannes geweest, vooral omdat de schrijver van dit evangelie zich zelfs nauwkeurig herinnert wanneer een en ander gebeurde. Dat blijkt uit de aanduidingen “de volgende dag” en in vers 40: “ongeveer het 10e uur.” Johannes moet daar wel bij zijn geweest en misschien ook wel de broer van Johannes, Jacobus – de zonen van Zebedeüs. Dat zijn er dan drie, en dan vinden we nog Filippus en Nathanaël in het volgende gedeelte tot vers 52. Dus dan hebben we Andreas, Simon, Johannes, vermoedelijk zijn broer Jacobus, Filippus en Nathanaël, dan zitten we op vijf of zes. Samen met Johannes de Doper hebben we dan zes of zeven getuigen gehoord.

Maar in ons gedeelte komen we er maar drie tegen. Johannes de Doper getuigt tegenover twee van zijn discipelen over Jezus: “Zie, het Lam van God!” En toen zij dat getuigenis hoorden, gingen zij achter Jezus aan – “zij volgden Jezus.” En dan draait Jezus zich om en vraagt: “wat zoekt u?” Met andere woorden, wat is jullie bedoeling? Wat willen jullie van Mij? Zij hadden gehoord van Johannes de Doper dat Jezus de Messias was. En hij had Jezus aangeduid als het Lam van God en niet zozeer als de regerende koning. Nu was Jezus wel degelijk een koning en dat zeggen ze ook aan het einde van dit getuigenis. Maar deze koning kwam als een lam; Hij kwam als een slachtoffer voor de zonden. Ze hebben de boodschap van Johannes dus heel goed verstaan, deze boodschap van berouw en bekering en doop tot vergeving van zonden. Ze wisten dat zij vergeving nodig hadden en dat het Lam van God zou komen en gekomen was om deze vergeving tot stand te brengen.

Nu moeten we goed begrijpen dat Johannes al enige tijd bezig was met zijn prediking. Elke dag opnieuw. Het evangelie vertelt ons alleen maar de kern van zijn boodschap. Zonder twijfel gaf Johannes de Doper een uitvoerige verklaring over Jezus als het Lam van God. Ongetwijfeld heeft hij uitgelegd wat het Oude Testament over Hem gezegd had, en dat de offers in de tempel naar Hem vooruit wezen en wat de titel Knecht van de Heer in Jesaja 53 precies betekende. Hij heeft ongetwijfeld als leraar uitgelegd waarom God een Lam stuurde naar Israël en niet een koning. Maar even ongetwijfeld hebben deze leerlingen van Johannes heel veel vragen gehad. Wanneer Jezus dan aan hen vraagt wat zij zoeken, antwoorden ze Hem dan ook met de aanspreektitel Rabbi. Wat zij zoeken is een leraar die ze alle wonderlijke dingen die ze van Johannes hebben gehoord nog duidelijker kan uitleggen, die in eigen Persoon de boodschap en het onderwijs belichaamt die Johannes gebracht had. Dus zeggen zij: “Rabbi, waar woont u?” Ze willen met Hem mee naar huis om Hem al hun vragen te kunnen stellen. Ze hebben het nodig om bij Hem te gaan zitten en in gesprek met Hem te gaan. Johannes de Doper is niet langer een leraar, maar zij vragen of Jezus hun leraar wil zijn. Ze willen tijd om na te denken over wat Johannes gezegd heeft. Ze willen een gesprek. Ze hebben vragen. Ze willen ontdekken wie deze Jezus is.

Dit is nog niet het moment dat zij discipelen van Jezus worden. Zoals ik al eerder gezegd heb, een discipel van Jezus wordt je op het moment dat je door Hem geroepen wordt. Hier vragen zij zelf om een gesprek met de Rabbi, dat tegelijkertijd een audiëntie bij de koning is. Ze gaan met Hem mee. Ergens hier in Bethanië hadden mensen voor Jezus een kamer in gereedheid gebracht. Ze bleven die dag bij Hem, vanaf het 10e uur, dat is dus ongeveer 4 uur in de namiddag. Ze blijven bij Hem die dag en die nacht. Ze hebben een gesprek met de Zoon van God. Van slaap zal niet veel gekomen zijn. Zo zitten ze daar bij Hem met zijn tweeën. Andreas en Johannes.

Hoe zou dat gesprek verlopen zijn? Ze zullen hem toch ondervraagd hebben over de verwijzingen naar de komst van de Messias in het Oude Testament. Het lijkt op het gesprek in Lukas 24 wanneer Jezus de discipelen tegenkomt, onderweg naar Emmaüs. Daar onderwijst Hij deze discipelen in wat de Wet en de Profeten over Hem geschreven hadden. Na Zijn opstanding geeft hij aan deze discipelen in feite dezelfde les als Hij nu geeft aan het begin van zijn zending. Zo stel ik mij dat tenminste voor.

In die nacht komt Andreas tot het inzicht dat Jezus inderdaad de Messias is. En nu begint hij meteen te getuigen. Hij gaat naar zijn broer Simon en zegt tegen hem: “Wij hebben de Christus gevonden.” Het is een ondubbelzinnig getuigenis van twee mensen – zoals de Wet het zei, in de mond van twee of drie getuigen staat de zaak vast. Nu brengt Andreas zijn broer Simon naar Jezus. Is dat niet precies de manier waarop de gemeente groeit? Iemand gaat onderzoeken, vindt de Messias, komt tot bekering, en begint te getuigen. Daarmee trekt hij anderen mee naar Jezus en brengt ze in de gemeente. Het is een eenvoudig getuigenis maar het zegt al meteen twee dingen: in de eerste plaats, we hebben gezocht en gehoopt en gebeden, want we weten dat we een Christus nodig hebben. We kennen onze schuld en we verlangen naar vergeving, maar we wisten nog niet waar we dat konden verkrijgen. En dan het tweede: we hebben Hem gezien, het Lam van God en de Zoon van God, de koning, de priester, de profeet die door God gezonden is. We hebben alles gevonden wat we maar gezocht hebben. We hebben Hém gevonden over wie Johannes de Doper ons onderricht had. En met die boodschap komt Andreas bij zijn broer.

Van een conversatie tussen Andreas en Simon horen we nu niets. Het is nog eenvoudiger. Andreas zegt dat zij de Messias hebben gevonden, en dan brengt hij hem naar Jezus toe. Hij kan aan zijn broer het geloof niet schenken, Simon moet het voor zichzelf zien en ervaren. Maar het gesprek dat Andreas met Jezus heeft gehad hoeft niet te worden herhaald. Jezus kijkt naar Simon en zegt: “jij bent Simon, de zoon van Johannes (of Jonas)” Jezus kent zijn naam nog voordat hij is voorgesteld. Maar de Zoon van God kent niet alleen het verleden, maar ook de toekomst. Jezus voorspelt wat Petrus zal worden. “Jij zult Petrus genoemd worden.” In Mattheus 16 is het zover: “jij bent Petrus” zegt Jezus daar. Jij bent de steen die genomen is uit een nog grotere rots, de rots van jouw belijdenis. (Want Petrus had beleden: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God.) Op die rots van deze belijdenis zal de gemeente worden gebouwd. Maar dat maakt Petrus tot een steen, genomen uit deze rots. (Grieks: petros=steentje, petra=rots) Ik ben er zeker van dat Petrus door dit korte blijk van de alwetendheid van Jezus geschokt was, en dat dat hem het laatste zetje gaf om het getuigenis van zijn broer Andreas te aanvaarden. Zo zijn er nu drie die de Messias gevonden hebben, en met Johannes de Doper meegerekend zitten we al op vier.

Johannes (6) – Het getuigenis van de 2e en 3e dag

Terwijl Jezus nog onderweg is naar Bethanië, heeft Johannes de vragen van de delegatie uit de Farizeeën beantwoord. Zijn getuigenis verwijst naar de eeuwige Zoon, die ver boven Johannes verheven is: hij is het niet waard “de riem van Zijn sandalen los te maken.” Tegenover Jezus is Johannes nog minder dan een slaaf. Dat is het antwoord dat de Farizeeën hebben meegenomen naar Jeruzalem.

We lezen niet wat ze ermee gedaan hebben. Maar het lijkt duidelijk te zijn dat vanaf dat moment alle berichten over Johannes en Jezus nauwlettend in de gaten zijn gehouden. Het is veelzeggend namelijk, dat er geen antwoord staat. We lezen in Mattheus 21 vanaf vers 23 over een twistgesprek met de priesters en de “oudsten van het volk”. Ze vragen aan Jezus met welke bevoegdheid Hij “deze dingen” – de reiniging van de tempel en Zijn onderwijs – allemaal doet. En dan stelt Jezus ze de vraag of de doop van Johannes uit de hemel of uit de mensen was. Ze overleggen met elkaar over hun antwoord, en zeggen dan tegen elkaar: “Als wij zeggen: Uit de hemel, dan zal Hij tegen ons zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?” Als de doop van Johannes inderdaad uit de hemel was – als ze zijn getuigenis hadden aangenomen – dan ligt het voor de hand dat de delegatie in Bethanië daar gebleven was om te zien over Wie Johannes gesproken had. Johannes gaf getuigenis van het licht (vergelijk vers 7), maar “de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (Vers 11)

De volgende dag, zegt vers 29, komt Jezus aan bij de plaats waar Johannes doopte, in Bethanië, aan de andere kant van de Jordaan. Nu spreekt Johannes tot de schare die bij hem verzameld zijn. “Zie het Lam van God, dat de zonde van de wereld wegneemt!” In Hem worden de woorden van Johannes vervuld, en krijgt de doop met water zijn betekenis. Dat was immers “een doop van bekering tot vergeving van zonden.” (Markus 1:4) Dat was de reiniging die vooraf zou gaan aan de openbaring van de Messias en de komst van de heilige Geest. (Ezechiël 36:25)

Het is belangrijk om hier te zien dat het woord “zonde” in het enkelvoud staat. Jezus komt niet de symptomen wegnemen, maar de oorzaak van de ziekte zelf. Maar heeft Israël zoiets verwacht? Zij hebben gedacht dat de Messias zou komen als een profeet en koning, in plaats daarvan krijgen ze een Lam. Waarom? Waarom komt Jezus niet als profeet en koning? Hoewel wij weten dat Hij dat in alle opzichten ook is. Kun je het Woord van God horen en verstaan en gehoorzamen, als de zonde nog over je heerst? Kun je door God geregeerd worden, kun je de Koning gehoorzamen, als de zonde nog macht over je heeft? Heel de geschiedenis van Israël had toch laten zien, dat de zonde telkens weer de gemeenschap tussen God en het volk heeft verstoord. Zolang de zonde er is, is de relatie met God verstoord. Er kan alleen geestelijke gemeenschap zijn met de heilige God, als je zelf gereinigd bent van je zonden en je schuld, en dat niet tijdelijk en elke keer weer, maar wezenlijk, en volkomen en eens en voor altijd. Christus heeft eenmaal voor altijd de zonde weggenomen zodat wij met een geweten dat is gereinigd van alle dode werken vrijelijk tot God de Vader konden komen. Daarom moest Hij in de eerste plaats het Lam van God zijn. En Johannes de Doper heeft dat geweten en verkondigd en dat is zijn getuigenis nu op de tweede dag, wanneer Jezus bij hem komt. “Zie het Lam van God!”

Het eerste getuigenis is heel eenvoudig: de Messias is al gekomen! Het tweede getuigenis is gecompliceerder, zeker voor de oren van de menigte in Bethanië. Deze Messias is het Lam van God! God komt niet alleen maar om te heersen en Zijn Woord te brengen, Hij komt om te reinigen van zonde en schuld, dat moet eerst worden gedaan. Daarom was de doop van Johannes “tot vergeving van zonden.” Die doop verwees naar het Lam, dat die vergeving van zonden zou teweegbrengen. Het berouw en de bekering konden die vergeving niet tot stand brengen, daarvoor moest Jezus Zijn leven geven op het kruis van Golgotha.

Dan vertelt Johannes hoe hij zelf ontdekt heeft wie Christus is. Op die dag, pak en beet 40 dagen daarvoor, kwam Jezus bij hem om door hem gedoopt te worden. Dat was weer een andere functie van de doop van Johannes. God zou Zijn Messias openbaar maken op het moment dat Hij de doop van Johannes onderging. Op het moment dat Jezus zijn dienstwerk begint en zich identificeert met de schare die uit de geestelijke woestijn van Jeruzalem is weggetrokken, om in de vlakte van de Jordaan opnieuw te beginnen. Er is een nieuwe uittocht gaande, en er is een nieuwe Mozes die de schare zal leiden naar de verlossing. Ook daarom doopte Johannes in de Jordaan, zoals hij zegt: “En ik kende Hem niet, maar opdat Hij aan Israël geopenbaard zou worden, daarom ben ik gekomen om te dopen met het water.” (Vers 31) God geeft dan aan Johannes een teken, dat hij alleen met geestelijke ogen gezien kan hebben. “Ik heb de Geest zien neerdalen uit de hemel als een duif, en Hij bleef op Hem.” (Vers 32) Die uitdrukking “als een duif” betekent niet dat Johannes een duif zag, en begreep dat dat de heilige Geest was. Het betekent dat de heilige Geest naar beneden kwam op de manier waarop een duif neerdaalt uit de lucht.

Toch heeft Johannes ook bij die gebeurtenis Jezus nog niet gezien als de Zoon van God. Vers 34: “En ik kende Hem niet.” Er was een bijzondere openbaring van God voor nodig, zodat Johannes werkelijk zou begrijpen dat Jezus de Zoon van God was. Johannes was immers, zegt vers 6, door God gezonden. God heeft dus tegen hem gezegd “op Wie u de Geest zult zien neerdalen en op Hem blijven, Die is het Die met de heilige Geest doopt.” En op grond van die profetische ingeving komt Johannes dan tot zijn getuigenis: “En ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.” Zo ging het ook bij Petrus. Als Jezus aan de discipelen vraagt wie zij zeggen dat Hij is, dan antwoordt Petrus met de woorden: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God.” (Mattheus 16:16) en Jezus antwoordt dan: “vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, Die in de hemelen is.” Hoe kan iemand weten en geloven dat Jezus de Zoon van God is? Uiteindelijk alleen maar omdat God het hem of haar te zien geeft. De woorden van Jezus en de wonderen op zichzelf – zo zal ook blijken in dit evangelie – kunnen iemand niet overhalen om tot die belijdenis te komen. Ook Johannes kan het met zijn natuurlijke ogen niet zien. God zelf is de eerste en belangrijkste getuige. Wanneer Hij dat getuigenis in iemands hart legt, dan komt iemand tot gelovige erkenning van Jezus. Dan wordt iemand een kind van God. Op grond van deze openbaring dus, komt Johannes tot zijn getuigenis: “En ik heb gezien en getuigd dat Hij de Zoon van God is.”

Twee getuigenissen hebben we nu gehoord. Het eerste wat je moet geloven is dat Jezus de Christus is, de Messias, de Zoon van God. Het tweede wat je moet geloven is, dat deze Zoon van God gekomen is om de zonde weg te nemen, radicaal en op volmaakte wijze; gekomen is om de macht van de zonde en de dood te breken. Kortom, nu moet je ook geloven dat deze Jezus ook het Lam van God is. En dan komt de derde dag met het derde getuigenis, nu aan twee van de volgelingen van Johannes zelf.

Wat zegt Johannes daar? Johannes staat bij het water met twee van zijn discipelen. En dan wijst hij naar Jezus en zegt: “zie, het Lam van God!” Dat is niet alleen maar een herhaling van de verkondiging van vers 29. Op deze manier gezegd betekent het: volg Hem. Daar, bij Hem moet je zijn. Maar wat betekent dit volgen? Sommigen hebben gedacht dat het de bedoeling is dat zij discipelen van Jezus worden. Dat zou ook uiteindelijk gebeuren. Maar de uitdrukking “volgen” in dit gedeelte betekent eerder een letterlijk volgen, achter iemand aangaan. Daarom lezen we ook in vers 38 dat Jezus zich omkeert en dan “zag dat zij volgden.” Wat zegt Johannes dus? Hij zegt tegen zijn discipelen dat Jezus het Lam van God is, maar hij zegt er meteen bij dat ze niet zijn woord moeten geloven, maar zelf op onderzoek uit moeten gaan. Het is alsof hij zegt: Ga het maar aan Jezus zelf vragen, spreek maar met hem en ontdek voor jezelf dat hij waarlijk het Lam van God is, en dat hij waarlijk de Zoon van God is. En daarmee is het getuigenis van Johannes compleet. Eerste getuigenis: Jezus is de Zoon van God. Tweede getuigenis: de Zoon van God is ook het Lam van God. Derde getuigenis: ga voor jezelf de waarheid daarvan ontdekken door Hem te volgen. Geen oproep dus tot navolging, maar een oproep om te ontdekken. (De oproep tot navolging gaat van Jezus Zelf uit.)

Zijn dat geen prachtige woorden? Is het niet geweldig wanneer mensen op onderzoek uitgaan, en dan niet meer kijken naar het getuigenis van anderen, zoals zij hier niet langer het getuigenis van Johannes de Doper hebben aangehoord, maar met hun vragen bij Jezus zelf komen? Is dat niet de kern van alle catechisatie? Wij geven het getuigenis: Jezus is de Zoon van God, Jezus is het Lam van God, en dat zul je voor jezelf moeten ontdekken en dat kan alleen als je met Hem bezig bent, Hem volgt. Is dat samen niet de kern van het christelijk getuigenis? De getuige zelf is alleen maar een stem, de getuige is tegenover de Heer over wie hij spreekt nog minder dan een slaaf, maar God heeft iets aan hem geopenbaard. En daarom heeft de getuige gezien dat deze Jezus de Zoon van God is en het Lam van God is. En nu hij dat eenmaal weet is het enige wat hij nog moet doen anderen daarop te wijzen. Dat is alles wat vanaf de kansel en bij de catechisatie kan worden gezegd: “Zie!” In het besef dat alleen God Zelf te zien kan geven, alleen God iemand kan brengen tot de erkenning van Zijn Zoon. Maakt dat het getuigenis onbelangrijk? Of gebruikt God juist dat getuigenis om het hart van mensen te raken en te vervullen met de kennis van Zijn Zoon? De getuige kan geen roem opeisen voor wat hij of zij doet. Kan geen succes claimen als iemand tot bekering komt. Maar elke getuige moet wel net als Paulus zeggen: “wee mij als ik het evangelie niet verkondig.”

Johannes (5) – De eerste getuige, de eerste dag (Joh. 1:19-28)

Het evangelie van Johannes is een boek vol getuigenissen. De apostel Johannes zegt tegen ons dat hij een getuige is van Jezus Christus, dat Hij de Zoon van God is. En hij heeft net in de proloog uitvoerig uitgelegd wat dat betekent: Jezus is het vleesgeworden Woord, de schepper, die genade en waarheid brengt in de wereld, die het licht en het leven van de mensen is. Dat is het getuigenis van de evangelist. Net als in een gerechtshof worden nu andere getuigen ten tonele gevoerd. Er moet meer dan een getuige zijn. En de eerste getuige die Johannes oproept, is zijn naamgenoot Johannes de Doper.

In het gedeelte dat nu voor ons ligt, horen wij Johannes de Doper op drie verschillende dagen tegenover drie verschillende groepen mensen drie verschillende dingen over Christus zeggen. Johannes de Doper was de eerste profeet in Israël na 400 jaar en bij zijn prediking liepen de mensen hem vol enthousiasme na. Zijn optreden was dynamisch en krachtig. Het gebied van zijn missie was bij de rivier de Jordaan, in de vallei, en iedereen ging daar naar toe om hem te horen. Vermoedelijk was hij een goede bekende van de Jeruzalemmers, omdat hij de zoon was van een priester, Zacharias. Maar hij treedt niet op in Jeruzalem. Eigenlijk verlaat hij de normale samenleving en identificeert zich met de armen. En de armen die droegen kleren van kameelhaar en leren gordels, en dat is de reden dat ook Johannes de Doper dat droeg. En arme mensen die ver buiten de steden en dorpen woonden in hun kleine nederzettingen, die aten sprinkhaan en wilde honing, en dat is dus ook wat hij gegeten heeft. Op die manier identificeerde hij zich met de mensen aan wie hij getuigde. Er was dus niets bijzonders aan zijn optreden. Zijn dieet en kleding waren de standaard voor de arme mensen die in de wildernis woonden.

Zijn optreden wekte de belangstelling van mensen in Jeruzalem. Heel het land Judea ging uit om Johannes te zien. En iedereen dacht bij zichzelf, stel je eens voor dat dit de Messias was, misschien is dit wel degene op wie wij gewacht hebben. Kortom, Johannes de Doper was een buitengewoon populaire man. De tekst vertelt ons nu over het getuigenis van Johannes in een plaats aan de overkant van de Jordaan, aan de oostelijke kant dus, waar Johannes de Doper de doop van de bekering tot vergeving van zonden toediende. In vers 28 van het eerste hoofdstuk, wordt in de meeste vertalingen die plaats aangeduid als Bethabara. Maar wij kennen die plaats eigenlijk gewoon als Bethanië. Er waren namelijk twee plaatsen met die naam, de ene net ten zuiden van Jeruzalem waar Martha en Maria en Lazarus woonden, en de andere aan de overkant van de Jordaan. Met die laatste hebben wij hier te maken.

Op die plaats hoorden de mensen de verkondiging van Johannes. En de kern van zijn boodschap was, “maak jezelf gereed, de Messias komt eraan.” En de mensen maakten zich gereed, en ze hadden berouw over hun zonden en ze bekeerden zich en wilden werkelijk een geestelijke reiniging in hun leven om klaar te zijn voor de komst van de Messias. En de doop van Johannes was niets anders dan een symbool van die geestelijke reiniging. Dat was het karakter van de doop van Johannes.

Nu moeten we de chronologie van deze gebeurtenissen eens goed bekijken. Johannes de Doper begon in het zuidelijke deel van de Jordaanvlakte en ging beetje bij beetje naar het noorden toe. In dat zuidelijke gedeelte was Jezus al naar Johannes toegegaan en was door hem gedoopt in de Jordaan. Na de doop van Jezus lezen we dat de Geest Hem de woestijn in dreef om daar 40 dagen door de duivel te worden verzocht. Terwijl hij in die zuidelijke woestijn verkeerde, reisde Johannes door de Jordaanvallei stap voor stap naar het noorden. En na de verzoeking in de woestijn gaat Jezus ook naar het noorden en vindt dan Johannes de Doper in Bethanië, aan de oostkant van de rivier. En dat is dan de gebeurtenis waarover wij het bericht lezen in vers 29. Maar terug naar het getuigenis van Johannes.

De eerste dag getuigt hij aan de eerste groep en spreekt de eerste verkondiging uit. We beperken ons hier tot deze eerste dag. Vers 19: “En dit is het getuigenis van Johannes.” Er komen enkele Levieten en priesters uit Jeruzalem naar Johannes toe. (Gewoon “Johannes” heeft nu betrekking op Johannes de Doper, zoals altijd in dit evangelie. De schrijver vermeldt zichzelf niet.) En deze mensen zijn op een missie gestuurd, en moeten hem deze vraag stellen: “wie ben jij?” Ze zijn gestuurd door “de joden”, en dat is geen ander woord voor iedereen die tot Israël behoort, maar een ander woord voor de tegenstanders van Jezus. Zo gebruikt Johannes dat woord, het staat ongeveer voor de Judeërs die Hem verworpen hadden in tegenstelling tot de Galileërs van wie velen in Hem geloofden. En nu komt de oppositie tegenover Johannes aan de orde. Wat is de reden van hun vijandigheid? Waarschijnlijk zitten zij in Jeruzalem en zeggen bij zichzelf, we weten niet wie deze vreemde figuur is die daar in de wildernis zoveel belangstelling naar zich toe trekt, maar we moeten er iets aan doen, want hij bedreigt de religieuze rust in het land. Ze zijn bezig om Israël te beschermen tegen een valse Messias, en ze gaan daarin zover dat ze Israël ook verre houden van de ware Messias. Dus deze mensen komen naar Johannes toe en vragen “wie ben je?” En omdat sommige mensen hadden gedacht dat Johannes de Messias was, betekent hun vraag eigenlijk: “Ben jij de Messias?” En daarachter zit de gedachte: “als jij dan de Messias bent, waarom draag je dan deze belachelijke arme kleding en loop je rond in de woestijn? Waarom kom je dan niet in Jeruzalem om jezelf aan de priesters te vertonen?” Hoe weet ik dat ze dat dachten? Vanwege het antwoord dat Johannes hier geeft. Hij zegt niet dat hij Johannes heet en dat hij doopt enzovoorts of dat hij de zoon van Zacharias is, maar hij zegt meteen – er staat dat hij het belijdt, belijden in de betekenis van ervoor uitkomen wie je bent – dat hij de Messias niet is.

OK, jij bent dan niet de Messias, vragen zij verder, maar ben je dan Elia? Er staat immers geschreven in Maleachi 4:5, “Zie, Ik zend tot u de profeet Elia, voordat de dag van de Here komt, die grote en ontzagwekkende dag.” Ze vragen Johannes of hij de voorloper is van de Messias wanneer die komen zal om te oordelen. Maar Johannes weet dat Christus niet gekomen is om te oordelen en dat hij dus niet de Elia van Maleachi 4 is. We lezen wel in het evangelie naar Lucas over Johannes: “Hij zal voor Hen uitgaan in de geest en de kracht van Elia…” Dus zijn optreden heeft iets gemeenschappelijks met het optreden van Elia, beide profeten vertonen een grote kracht en zijn vol van de Geest. Niet Elia is echter gekomen, maar een laatste profeet die op Elia lijkt in de wijze van zijn bediening.

“Ben je dan de profeet?” We weten niet precies waar dat op slaat. Mozes had aangekondigd dat hij een opvolger zou krijgen in een profeet, en dat is letterlijk vervuld met de komst van Jozua. Een tweede vervulling vinden we in het optreden van Jezus zelf. Hij is de profeet die na Mozes zou komen. Misschien waren er mensen die verschil maakten tussen de profeet die de opvolger van Mozes zou zijn en de Messias. In ieder geval is het antwoord van Johannes opnieuw duidelijk: “nee, ik ben de profeet niet.” “Wie ben je dan wel?” Het antwoord van Johannes is zo prachtig. Hij geeft het in vers 23. “Ik ben niet belangrijk,” zegt hij. “Ik ben maar een stem van iemand die roept in de woestijn. Ik ben alleen een stem die wijst op het Woord van God. Ik ben iemand die oproept om voorbereid te zijn op de komst van dit Woord.” Ligt daar niet precies de grootheid van Johannes de Doper? In zijn nederigheid? Hij wil alleen maar verwijzen naar het vleesgeworden Woord, naar de Messias die komen zou. Maar in het vijfde hoofdstuk van het evangelie, horen we Jezus getuigen over Johannes de Doper. Deze Johannes heeft “van de waarheid getuigd.” (Johannes 5:33) “Hij was de brandende en lichtgevende lamp, en u hebt u voor een korte tijd in zijn licht willen verheugen.” (Vers 35.)

Is dit ook niet een prachtige tekst over de kerntaak van een predikant of evangelist? Ik ben niet belangrijk, ik ben maar een stem die spreekt over het vleesgeworden Woord. Hij moet groot worden, en ik moet zo klein mogelijk zijn om de boodschap niet in de weg te zitten met mijn eigen persoonlijkheid. Dit is de kerntaak van een predikant: naar Jezus Christus te verwijzen. Ook het pastoraat is daarvan afgeleid: mensen in hun bijzondere omstandigheden te wijzen op Jezus Christus. Meer niet, minder ook niet. Predikanten zijn geen raadgevers, psychologische raadslieden, emotionele coaches, ziekenbegeleiders etc. Dat zijn allemaal beroepen en roepingen (op zijn best dan) die met het werk van de predikant niets te maken hebben. Konden alle predikanten dat maar zeggen: “ik ben alleen een stem die roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heere, want het gaat om Hém!”

Zo heeft Johannes al hun vragen beantwoord. Hij is niet de Messias, en hij is niet Elia en hij is niet de profeet. Dus is de volgende vraag: “waarom doopt u dan?” Maar waarom vragen ze dat? Ze kennen de profetie van Ezechiël. Daar lazen ze in hoofdstuk 36 dat God Zijn grote Naam zou heiligen, maar voor het volk betekende dat de noodzaak van reiniging. Vers 25: “Ik zal rein water op uw sprenkelen en u zult rein worden. Van al uw onreinheden en van al uw stinkgoden zal Ik u reinigen.” En daarna vers 27: “Ik zal Mijn Geest in uw binnenste geven. Et cetera.” En dan ook in Zacharia 13:1, daar lezen we een verwijzing naar een reiniging: “Op die dag zal er een bron geopend worden voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem tegen de zonde en tegen de onreinheid.” Wanneer de Messias zou komen zou er een reiniging zijn op een of andere manier. Dat wisten zij in Jeruzalem ook wel. Maar als Johannes de Doper niet de Messias was en ook niet Elia, waarom doopt hij dan? Is zijn doop toch een vervulling van de profetie in Ezechiël? Het antwoord van Johannes lijkt de betekenis van deze doop te minimaliseren. Zijn doop is alleen maar een doop met water, zijn doop is alleen maar een doop van voorbereiding. De doop van Johannes was een symbool van de bekering en de reiniging, dat is alles. Maar zijn doop had daarom geen rechtstreeks verband met de doop die Christus zou geven, de doop met de heilige Geest.

En dan komt het getuigenis van Johannes op het hoogtepunt. “Te midden van jullie staat iemand die jullie nog niet kennen. Hij is al aanwezig in deze tijd en in dit volk. En Hij zal jullie dopen met de heilige Geest.” Elke gelovige die Jezus Christus aanneemt, wordt gedoopt met de heilige Geest, eens voor altijd. Het wordt nooit herhaald. Er wordt nooit een prestatie voor vereist. Het is zoals we lezen in 1 Kor. 12:13, “want door één Geest zijn wij allen gedoopt in één lichaam.” Op het moment dat je Christus gaat vertrouwen en je leven aan Hem toevertrouwt, op het moment dat je tot geloof in Christus komt, wordt je gedoopt door de heilige Geest die jou reinigt en aanvaardbaar maakt voor God. Eens en voor altijd. Mensen die spreken over de doop met de heilige Geest en dat in verband brengen met het spreken in tongen hebben het niet begrepen. De doop met de heilige Geest wordt op geen enkele manier in verband gebracht met bijzondere gaven van de Geest. De doop met de heilige Geest vindt plaats op het moment dat wij Christus aannemen in onze harten. Daarnaar verwijst Johannes de Doper. De Messias komt! De Zoon van God komt, en zal ons dopen in de heilige Geest om ons te reinigen. De doop van Johannes is dus maar een symbool, maar Christus geeft ons de werkelijkheid.

Dat is dus het getuigenis van Johannes op de eerste dag. De officiële delegatie van de joden uit Jeruzalem is gekomen en heeft gevraagd “wie ben jij?” En Johannes heeft geantwoord dat hij niet is wat zij denken, niet de Christus en niet Elia. Johannes de Doper is alleen maar een stem die spreekt over de Messias die komen zal. En die Messias is al in ons midden, en Hij zal binnenkort zichtbaar worden en Hij brengt de werkelijkheid van het Koninkrijk: de doop met de heilige Geest.

Johannes (4) – De vleeswording van het Woord – met de controverse over Kerst

Waar gaat het Kerstfeest eigenlijk over?

Ik denk dat de meesten van ons het verhaal zullen navertellen van Mattheus en Lucas. Zo vertellen we dat Maria, de moeder van Jezus, zwanger was geworden zonder toedoen van Jozef en dat de engel tot haar gesproken had en gezegd had dat haar zoon Jezus zou moeten heten. En dat de wijzen uit het oosten kwamen om Hem als de pasgeboren Koning van de joden te aanbidden. En dat Jozef en Maria gevlucht waren naar Egypte, en dat Herodes alle kinderen in het gebied rondom Bethlehem onder de twee jaar oud liet doden, en dat de engelen waren verschenen aan de herders in het veld en hadden gezongen: “Eer zij aan God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde, in mensen een welbehagen.” En wie is dat kind dan? De “Koning der joden.”

Er is genoeg te vinden voor iedereen in deze historische vertelling. Je kunt ontroerd zijn, wie je ook bent, over de jonge Maria die met haar oudere man door de winterkou heen naar Bethlehem reist op een ezeltje. Wat geeft het, dat we niet zeker weten dat Jozef een oudere man was, dat we zeker weten dat het niet de winter was, en dat we zeker weten dat zij niet op een ezeltje reisde. Het romantische beeld zit nu eenmaal in ons hoofd. Je kunt ontroerd zijn van de aanblik van de pasgeboren Jezus die in de kribbe ligt, te midden van het vee en het stro omdat er in de herberg geen plaats was. Je gaat goede gedachten denken over asielzoekers en mensen die het zo moeilijk hebben in de wereld. Msschien geef je zelfs nog wat meer in de collecte dan vorig jaar. Wat geeft het, dat Hij niet te midden van het vee heeft gelegen, omdat de os en de ezel op de binnenplaats hebben gestaan, en dat de voederbak niet met stro gevuld was, omdat Jozef en Maria in het verblijf van de knechten hebben gelegen. Wat geeft het, dat het niet de normale herberg was, maar een pleisterplaats voor veehandelaren. Ook als je geloof op een heel laag pitje zit, en je eigenlijk alleen maar met kerstavond naar de kerk gaat, kun je vol nostalgie raken wanneer je over het lied van de engelen nadenkt. De hemelse boodschappers vertellen immers dat God welbehagen aan je heeft, dat Hij van alle mensen houdt en dat Hij het goede met iedereen voor heeft. Een heerlijke, romantische, nostalgische, geruststellende en inspirerende  – en valse – jaarlijkse boodschap voor iedereen.

En ik geloof er niks van.

Voor mij is dit romantische plaatje vol met prietpraat en sentiment. En eigenlijk kun je dat al zien wanneer je nauwkeurig leest in het evangelie van Mattheus en Lucas. Zijn komst is een buitengewoon Goddelijk ingrijpen in de schepping en de geschiedenis van de mensheid. Maria is zwanger uit de heilige Geest; engelen verschijnen, Gods heerlijkheid wordt op aarde zichtbaar. De Koning van Israël is de Messias voor jood én niet-jood; Hij is de Heer met all gezag in hemel en op aarde; Hij is de wetgever die de mens Zijn wil oplegt en ons allen roept Hem na te volgen en te gehoorzamen in alle dingen; de volmaakte mens bij Lukas is het zondoffer voor de zonden van de gehele wereld etc.  Het gaat om de redding van de mensheid in dit verhaal, niet om morele inspiratie voor goedbedoelende mensen – die wij denken te zijn. Maar dat is iets wat ik nu niet wil uitwerken. Ik wil juist gaan kijken naar een heel ander kerstverhaal. En dat is een verhaal dat door al onze oppervlakkige,  historische en romantische plaatjes héén prikt en ons brengt bij de cruciale vraag: Wie wordt hier geboren? En welke relatie heb ik met Hem?

In de proloog van het evangelie naar Johannes wordt ons verteld wie deze Jezus is. Hij is het eeuwige woord zegt het eerste vers. Hij is de schepper van alle dingen zegt het derde vers. In Hem was de bron van alle geestelijke leven dat als een licht straalt over de mensen, zegt vers 9. En dit waarachtige licht komt in de wereld, zegt Johannes. En Hij was in de wereld, maar de wereld heeft Hem niet gekend. Dat heeft Hem niet belemmerd om in deze wereld Zijn licht uit te stralen, want de duisternis heeft dat licht niet gegrepen, zegt het vijfde vers. En dan komt Kerstmis: “En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid gezien, en heerlijkheid als van de Eniggeborene van de Vader), vol van genade en waarheid.”

De Jezus die geboren wordt op kerstochtend is het eeuwige Woord, de schepper van hemel en aarde, Hij is het leven en het licht. Maar Hij is ook de verworpene, want de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Hebben wíj Hem aangenomen? Heeft u Hem aangenomen? Toch hebben sommigen Zijn heerlijkheid gezien, Zijn genade en waarheid. Dat is het getuigenis van de apostelen dat ook nu nog naar ons toekomt. Beseft iedereen dat, die het kerstfeest viert? Dat de genade van God is verschenen in Christus Jezus? Dat is de genade die wij nodig hebben omdat wij ver van God zijn afgedwaald, vijandig staan tegenover God en Zijn geboden, en omdat wij verzoening nodig hebben met deze God om behouden te zijn. Beseft iedereen die kerst viert dat? Dat deze Jezus de waarheid over God aan ons heeft gedemonstreerd en verteld? Niemand is in staat om God te zien en te begrijpen. De Zoon van God, die in de kerstnacht geboren is, die heeft Hem ons verklaard.

Het kerstfeest is niet het feest van goede bedoelingen, ook niet van de goede bedoelingen van onze God. Het is het moment dat God Zijn Zoon inbrengt in de wereld om het Lam van God te zijn, dat de zonden van de wereld wegdraagt. Om het schuldoffer te worden in onze plaats. Om ons de waarheid over God te vertellen opdat wij die zouden gehoorzamen. Dat alles lijkt juist ver weg, als we oppervlakkig de historische omstandigheden nalezen, waarover Mattheus en Lucas bericht hebben. Dan kun je blijven steken aan de buitenkant. Daarom is voor mij het mooiste verhaal van kerst de proloog van het evangelie naar Johannes. Alle ruis en alle mist is weggevallen, en we horen in heldere woorden wat er werkelijk gebeurd is in die kerstnacht. Het Woord is vlees geworden – God heeft zich niet vermomd als een mens, en ook is geen mens goddelijk verklaard, maar God heeft Zelf de gedaante van een mens aangenomen, is aan ons gelijk geworden, heeft ons bestaan gedeeld. De schepper treedt in, in Zijn schepping. En Hij heeft ons leven gedeeld, hij heeft onder ons gewoond – Hij is in alle opzichten aan ons gelijk geworden, de enige uitzondering is de zonde. De volmaakte Zoon van God was in ons midden, er was geen bedrog in hem, geen verkeerd woord kwam van zijn lippen, heel Zijn hart was God toegewijd en gevuld met liefde voor de mens. Johannes de evangelist was er bij, en Hij getuigt met dit evangelie. “Wij hebben Zijn heerlijkheid gezien”. Door dit menselijke leven héén en door deze oppervlakkige historische gebeurtenissen héén, hebben de discipelen Gods Heerlijkheid gezien in Hem. Alle voortreffelijk eigenschappen die God heeft, straalden in Jezus Christus naar buiten met een ongekende helderheid. Getemperd alleen, opdat menselijke ogen het konden waarnemen. Liefde, genade, barmhartigheid, goedertierenheid, geduld, mededogen, begrip, zuiverheid, licht dat ons aan onszelf ontdekt, en leven dat ons doet ontwaken uit de dood. Alle wijsheid van God, elke onbenoembare volmaaktheid in God, straalde in deze Jezus van Nazareth. In dit Kind, in deze kribbe, in deze kerstnacht.

Stel nu eens dat je op een berg had gestaan met een verrekijker in je hand, zodat je alles kon zien wat er in Bethlehem, ja zelfs wat er in het paleis van Herodes die dagen allemaal gebeurd was. Je was dan getuige geweest van de geboorte van Jezus en al het andere dat in die nacht heeft plaatsgevonden. En zou je dan niet gezegd hebben: wat heeft die moeder het moeilijk gehad? Waar komt dat licht vandaan bij die herders in het veld? Wat betekenen die woorden toch die ik hoor: in mensen een welbehagen? Verder was je nooit gekomen, als God het je niet geopenbaard had, zoals Hij het aan de discipelen in hun hart openbaarde. Zonder de theologie van het evangelie naar Johannes, zijn de gebeurtenissen die worden geschetst in het evangelie naar Mattheus en naar Lucas – zelfs als je al hun theologische kanttekeningen meerekent – onbegrijpelijk en onbetekenend.

Johannes zegt ons, dat pas toen Jezus werd geboren, mensen God konden zien. In Jezus zagen ze de volledige volmaakte godheid. Jezus was één met God, hij was één met Hem in genade en waarheid. Alles wat je ooit in je leven van God zou kunnen en moeten weten, weet je in Hem. Weet u, je kunt het kerstverhaal elk jaar horen, zoals het wordt verteld bij Mattheus en Lucas. Je kunt je er elk jaar over verbazen en verwonderen en er zelfs ontroerd van raken. Maar als je niet begrijpt wie Hij is die hier wordt geboren, en als je niet gelooft in Diegene die hier geopenbaard wordt, dan heb je daar helemaal niets aan. Dan ben je, zegt Johannes, helemaal geen kind van God. “Maar allen die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht (eigenlijk: recht, bevoegdheid) gegeven kinderen van God te worden, namelijk die in Zijn Naam geloven.” Hem aannemen is in Zijn Naam geloven. In Zijn Naam geloven betekent, geloven en vertrouwen in alles wat Hij is en gezegd heeft. En de kern van dit “alles wat Hij is” vinden we precies bij Johannes. Dit Kerstkind is het eeuwige Woord, en buiten dat Woord om kun je geen kind van God zijn, kun je geen genade ontvangen en geen waarheid kennen, blijf je dood in je zonden en ontvang je het leven niet, en wandel je in de duisternis omdat je het Licht niet over je laat schijnen.

Elke keer weer, wanneer wij kerst vieren, lezen we of Mattheus of Lucas. Maar eigenlijk zouden wij elk jaar meteen na het lezen van het kerstverhaal, de proloog van het evangelie naar Johannes moeten lezen. Want de inzichten die Johannes hier met ons deelt, die verhinderen dat ons het grootst mogelijke misverstand overkomt: te menen dat het evangelie niets anders is dan een wonderlijk geboorteverhaal over een goed mens die tragisch stierf, in een voor ons onbereikbaar verleden. Neen! Deze Jezus is het eeuwige Woord, de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en zichzelf voor mij heeft overgegeven in de dood, opdat ik zou leven door Hem.

Kent U Hem? Kent U de Zoon van God? Is Hij uw Heer en Heiland?

PERSOONLIJKE VOETNOOT

Henneke las deze tekst, vlak nadat ik die op internet had geplaatst. Haar commentaar was, dat ik (weer) in de aanval was gegaan tegen mensen die deze “prietpraat en valse sentimenten” juist heel prettig vonden. “Je moet ze er zachtjes op wijzen.” In mijn ervaring van de laatste 40 jaar helpt het NOOIT wanneer je mensen ergens “zachtjes” op wijst. Je bent dan alleen wollig, onhelder, mensen vergissen zich over je eigenlijke bedoelingen etc. Je bent dan weliswaar een vriendelijke man in hun ogen, maar ze leggen de boodschap die je brengt net zo makkelijk naast zich neer, als de tekst te lezen is die je geschreven hebt. Ik heb in mijn tekst geen mensen op het oog gehad, het is geen aanval op iemand, maar het is wel gericht tegen een bepaalde manier van gelovig-zijn. Je meent dat je gelovig bent omdat je het kerstverhaal zo mooi vindt? Maar dat is een illusie! Dat is geen geloof in Jezus Christus die door de Vader gezonden is. En alleen “wie Hem aanneemt” in geloof, ontvangt van Hem het leven en het Licht. Vanuit Gods Woord kun je niet anders – meen ik – dan daar duidelijk en helder op wijzen. Dat het “kerstgevoel” van de meeste mensen helemaal niets te maken heeft met de waarheid van de geboorte van Jezus. Dat het verhaal van de ongelukkige joodse martelaar die zo’n bijzondere geboorte had, geen evangelie is. Dat er méér staat in de Bijbel dan in dit oppervlakkige verhaal terug te vinden is.

Je kunt en mag dat van mij niet leuk vinden, en je kunt en mag vinden dat ik dat (te) hard neerzet. Leg het naast je neer, en er is geen schade. Noem mij een vervelende vent, en ik lijd geen schade. Maar als ik niet de (Bijbelse) waarheid spreek, lijdt iedereen schade – ik, omdat ik mijn opdracht verzaak het evangelie te verkondigen en jij, lezer, omdat ik de stroopkwast hanteer en jou niet helder zeg wat ik denk. Daar schiet jij immers ook niets mee op. Dat doet bovendien iedereen al. Maar je kunt en mag er ook iets van leren. Namelijk opnieuw leren dat Kerst over de Heer Jezus Christus gaat die kwam om ons te redden, die het leven met ons deelde etc. etc. Kortom je kunt en mag er ook van leren wat de ware Kerstboodschap is. Daar word je niet minder van, integendeel.

Johannes (3) – Leven en Licht

De eerste drie verzen van de proloog van het evangelie naar Johannes vertellen ons rechtstreeks iets over de godheid van Jezus Christus. Hij was vanaf de eeuwigheid. Hij was bij God, dat wil zeggen communiceerde met God, was voor Zijn aangezicht, er was een levende, persoonlijke betrekking en relatie tussen God en het Woord. En het derde wat hij zegt is dit: God heeft alle dingen door het Woord gemaakt, het Woord is de schepper van alle dingen, en niets dat bestaat, bestaat buiten Hem om.

In de verzen 4 en 5 gaat het vervolgens om het vleesgeworden Woord. Gaat het om de relatie tussen het Woord en de wereld. Twee dingen worden daar gezegd. In de eerste plaats, dat het Woord de bron van alle leven is. En dat dit leven ook het licht is van de menselijke wereld. Leven en licht. Dat is vers 4. En dan het tweede, dat rechtstreeks te maken heeft met de komst van Jezus in de wereld. Het Woord is licht, en schijnt in de duisternis die over onze wereld ligt. En de duisternis heeft dat licht niet kunnen overwinnen. Het is meer dan “niet begrepen” wat in de Herziene Statenvertaling staat. Het gaat er niet om dat de wereld die in duisternis ligt niet heeft begrepen dat Hij het Woord is, maar dat deze duisternis dat licht niet heeft kunnen overwinnen, niet heeft kunnen overmeesteren.

“In Hem was het leven.” Het woord dat hier gebruikt wordt is niet bios, wat op het fysieke en laten we zeggen biologische leven slaat. Het gaat om het geestelijke leven en om die reden gebruikt Johannes het woord dzoè. Als schepper van de wereld is Hij ook de bron van al het levende, dus van het leven. Maar Hij is ook de bron van het geestelijke leven. Dat leven is in Hem.

Wat is geestelijk leven? Het staat tegenover geestelijk dood zijn. Wat is dan geestelijk dood zijn? Paulus zegt in de brief aan Efeze: “Ook u heeft Hij met Hem levend gemaakt, u die dood was door de overtredingen en de zonden.” (2:1) Geestelijk dood zijn betekent dat je niet bij machte bent om God te antwoorden, om in een levende betrekking tot Hem te staan. In deze wereld zijn de meeste mensen geestelijk dood, omdat hun zonden en overtredingen tegenover God niet vergeven zijn. Omdat ze de kracht van de levendmakende Geest niet hebben meegemaakt. Daarom gebruikt Johannes in dit evangelie meer dan 50 keer het woord dzoè, geestelijk leven. De mensen in de wereld waren dood, en Hij kwam om hen het leven te geven. Opdat de mensen wél met God in een levende betrekking konden staan, Hem waarachtig zouden kennen, met Hem zouden wandelen in hun leven. Daarom zegt Hij van zichzelf: “Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven.”

En dan wordt dit Leven dat Jezus Christus kon brengen ook nog eens het licht genoemd. Dat Leven dat in Hem is, straalt naar buiten toe, verlicht alle mensen, verdrijft de duisternis. Net zoals licht vanuit een lichtbron straalt, zo straalt het leven uit Jezus Christus die de bron van het leven is. En dat licht van het leven straalt uit naar alle mensen in de wereld, zoals we lezen in vers 9. “Dit was het waarachtige licht, dat in de wereld komt en ieder mens verlicht.” Hoe kun je dat leven ontvangen? Hoe kun je dat licht in je leven laten schijnen? Johannes gaat het in zijn evangelie uitleggen.

In de eerste plaats moet je geloven dat Jezus de Zoon van God is. Als je dat niet gelooft zoek je het licht op de verkeerde plaats, of blijf je liever in de duisternis, en dan heb je de bron van het leven niet gevonden. Er worden in deze wereld zoveel leugens verteld, de waarheid is zo schaars, maar in Christus vind je de bron van alle waarheid, de Waarheid zelf.

In de tweede plaats moet je vertrouwen hebben in wat Hij geopenbaard heeft. Moet je geloven dat Hij werkelijk de Vader heeft laten zien en de Vader in eenheid met Hem is. Want alleen als je Zijn Woord aanvaard, weet je wat je doen moet en hoe je dat leven kunt ontvangen. Je moet Hem dus erkennen als de Weg die tot het leven leidt.

En in de derde plaats moet je je leven toewijden aan deze twee dingen, je moet de Zoon van God daadwerkelijk gehoorzamen en Hem je leven toevertrouwen. Niet alleen maar weten dat dat zo moet, maar het ook daadwerkelijk doen. Wie dat doet heeft het leven in zichzelf ontvangen, en wandelt in het licht, en is – zoals vers 12 het zegt – een kind van God. Daarom is Hij het Leven zelf, omdat Hij het geestelijke leven geeft aan iedereen die Hem aanneemt in geloof.

Johannes (2) – Het Woord van God

Aan het begin van zijn evangelie geeft Johannes een indrukwekkende samenvatting van heel zijn betoog. In de eerste 18 verzen van het eerste hoofdstuk krijgen we maar liefst zes verschillende beelden van de Zoon van God te zien. Dit is allemaal theologie.

Misschien zegt u bij uzelf, maar wat hebben we nou aan theologie? Is dat niet allemaal theoretisch? Voor een gelovige zijn er twee vragen die bij uitstek praktisch zijn. De eerste vraag luidt: hoe krijg ik vergeving van zonden en verzoening met God? De tweede vraag luidt: hoe kan ik leven op een wijze die God welgevallig is? Rechtvaardiging en heiliging, dat zijn de twee kernwoorden van het praktische christelijke leven. Maar je kunt die vragen niet beantwoorden zonder eerst te weten wie Christus is. De twee praktische vragen zijn afhankelijk van een andere vraag, die ik niet theoretisch zou noemen, maar die wel verbonden is met onze belijdenis, onze erkenning van wie Jezus Christus is.

Voor Johannes is het duidelijk, dat verzoening en vergeving alleen te vinden zijn in de overgave en het offer van de Zoon van God. Zoals die andere Johannes, Johannes de Doper, van Hem getuigt: “Zie het Lam van God, dat de zonden van de wereld wegneemt.” Om door God te worden gerechtvaardigd en met God verzoend te worden, moet je geloven in de Naam van de Zoon van God. Dat wil zeggen je moet geloven in wie Hij is, en wat Hij gedaan heeft. Maar dat is theologie!

En ook voor die andere vraag, de vraag naar de heiliging, moet je weten wie Jezus Christus is en in welke relatie je tot Hem staat. In dit evangelie is het duidelijk, dat de heiliging voortkomt uit de erkenning en de kennis van de Zoon van God. Wij gehoorzamen aan Zijn opdracht, bij voorbeeld, om elkaar lief te hebben. Maar dat vergt dat we in een levende relatie met Hem staan. Zonder Hem kunnen wij niets doen. Wij zijn als ranken die in de wijnstok zijn geënt. En de kern van het “werk” dat God ons opdraagt, is dat wij geloven in Hem die door de Vader gezonden is. Allemaal zaken die we later nog zullen tegenkomen. En ook dat is allemaal theologie. Het wordt tijd dat we de allergie tegen de theologie van ons afwerpen.

Het eerste beeld van de Zoon van God dat we te zien krijgen, staat in de eerste drie verzen van het eerste hoofdstuk.

In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.

Verschillende malen wordt in de bijbel over het begin gesproken. De bijbel begint ermee in genesis. “In het begin”, dat is het begin van tijd en ruimte, “schiep God de hemel en de aarde.” We vinden ook een begin in Spreuken 8, waar van de Wijsheid wordt gezegd: “De Here bezat Mij aan het begin van Zijn weg, al vóór Zijn werken.” Dat is het begin waarop God in de eeuwigheid de schepping heeft gewild. Die Wijsheid is Christus, zoals blijkt uit 1 Kor. 1:30 en Kol. 1:15-20. De evangelist Marcus opent met de woorden: “Het begin van het evangelie van Jezus Christus, de Zoon van God.” De vervulling van de profetie in het optreden van Johannes de Doper is hier dat begin. En dan vinden we het ook nog een keer in de eerste brief van Johannes, waar het gaat over het begin van het optreden van Jezus: “Wat er was vanaf het begin, wat wij gehoord hebben…” Etc. Maar het begin van het evangelie van Johannes gaat nog verder terug. Daarom ontbreekt ook het lidwoord. Het is geen bepaald begin, maar… Ga maar terug in de tijd, ga maar terug naar een begin dat voorafgaat aan alle tijd, ga maar terug in de eeuwigheid zover je maar kunt, ga dan nog verder terug zoals alleen God het kan, en dan is het Woord van God er al. In elk begin was het Woord er al, in elk denkbaar begin waar dan ook en hoe dan ook, het Woord van God was er al en ging aan alles vooraf.

Vanaf dit begin dat nooit begonnen is, was Christus er al. Hij is er vanaf de eeuwigheid en hij zal bestaan tot in eeuwigheid. Misschien zegt u, dat is allemaal onbegrijpelijke taal. Ik kan mij de eeuwigheid niet voorstellen. Hoe kan Jezus Christus nu van eeuwigheid af bestaan hebben, ik kan me daar geen voorstelling van maken. Maar dat is niet erg, want ik begrijp het ook niet, niemand begrijpt het, ook geen enkele theoloog begrijpt het. Wie het kon begrijpen, zou zelf God zijn.
Zo worden we meteen in het begin van dit evangelie met iets onbegrijpelijks geconfronteerd. Maar wat onbegrijpelijk is, is nog geen duister mysterie waarover we alleen kunnen mompelen. We weten wel wat het betekent. Het onbegrijpelijke is als een zwart gat dat we niet direct kunnen peilen, maar we weten er wel iets van omdat het effecten heeft erbuiten, we zien het in de werking van de zwaartekracht. Zo is het ook hier. We begrijpen de godheid van Jezus niet, en de vleeswording niet etc. Maar we weten wat het is, omdat het van Zichzelf getuigt, zichzelf geopenbaard heeft. Het betekent dat alle eigenschappen van Christus die uiteindelijk het Woord van God is, al een rol hebben gespeeld bij de schepping van de wereld. Het betekent dat Jezus die in ons midden is, verreweg ook de oudste is, en de oorsprong kent van een ieder van ons, dat Hij aan heel de wereld voorafging en dat de wereld nu bestaat door Hem en vanwege Hem. De plechtige verklaring waarmee Johannes zijn evangelie begint, zegt al meteen en duidelijk, dat Jezus God Zelf is. Er is geen twijfel over mogelijk. En eigenlijk is het beste commentaar ter verklaring van deze woorden van Johannes al te vinden in het Oude Testament, in de verzen die ik hierboven al citeerde.

spreuken_8

Waarom noemt Johannes Hem hier het Woord? Waarom zegt hij niet “in het begin was Christus”? We weten dat Johannes wilde bewijzen dat Jezus Christus de Zoon van God was. Joden en Grieken zouden beiden het idee van het Woord kunnen begrijpen. Voor joden was dit een verwijzing naar het Woord van God waarmee de schepping tot stand was gebracht. (devar haShem, of Aramees: memrat haShem) God sprak en het was er. Steeds wanneer de wil van God en de geest van God tot mensen gericht was, was er sprake van het Woord. De term “Woord” stond voor openbaring in het algemeen. Zo “komt het Woord” van de Heere tot de profeten in het Oude Testament. God heeft gesproken door de profeten (Hebr. 1:1). De evangelist Johannes zegt dus eigenlijk meteen in dit eerste vers tegen de joden, kijk eens, als jij je afvraagt wat dat Woord van God nu eigenlijk is, wat nu de kern en het wezen van de openbaring van deze God is, kijk dan naar Jezus Christus. In Hem woont de scheppende wil en de almacht en de redelijkheid van God, die je ook al kende uit het Oude Testament. Als je heel die openbaring samengevat wilt zien, zoals die eruit zou zien in een levende persoon, kijk dan naar Jezus. Want dat is wie Jezus is. De belichaming van dat Woord. Als je wilt zien door welk Woord de schepping tot stand kwam, als je wilt zien hoe de openbaring van God werkt, als je wilt zien hoe het Woord van God leven en licht schenkt aan de mensen, kijk dan naar Christus. Wat in het Oude Testament het Woord genoemd werd, en wat in het Nieuwe Testament de Zoon van God heet, zijn een en dezelfde.

Maar de Grieken zouden dit woord ook verstaan hebben. Niet omdat ze het Oude Testament kenden natuurlijk, maar wel omdat ze zich bezighielden met de filosofie. Ook de Grieken kende het begrip “woord”. Zij geloofden in een kosmische almacht die ook redelijk was en intelligent. De wil en het verstand van God doortrokken de hele wereld en gaven ook aan de mens de macht van de redelijkheid. Deze onpersoonlijke macht bewoog zich door de wereld heen en was het instrument waarmee een of andere godheid de wereld gemaakt had. En deze macht noemden zij Logos, en dat is het Griekse woord voor “woord”. En zo zegt de evangelist Johannes dus tegen de Grieken, kijk eens, als je zoekt naar deze macht die de hele kosmos bij elkaar houdt, en als je zoekt naar deze wijsheid en redelijkheid waarvan die kosmos doortrokken is, en waar ook mensen mee te maken hebben, kijk dan naar Christus. Alles wat de Grieken dachten van het woord, van de Logos, is feitelijk aanwezig in de vleesgeworden Zoon van God.

Voor de joden en voor de Grieken was het Woord toch nog alleen een intermediair tussen God en de wereld. En daarom moet Johannes er nog iets aan toevoegen. En wat hij eraan toevoegt gaat ook nog verder dan wat de tekst in het boek Spreuken gezegd had. Daar lazen we dat God de wereld door middel van de Wijsheid gemaakt had. Maar voor joden en Grieken was er een verschil tussen God, voor Grieken: de goddelijke almacht en oorsprong die de kosmos had voortgebracht, voor joden: de God van Genesis die sprak en de wereld was er –  en de wijsheid en het woord en die macht zelf die de hele kosmos doortrok. Wanneer Johannes dus zegt, “en het Woord was bij God”, dan is dat nog, laten we zeggen op het niveau van joodse theologie en Griekse filosofie gezegd. Want dan kun je nog denken aan een onderscheid of een rangorde tussen twee verschillende wezen. En dat onderscheid is er ook zegt Johannes. Maar dan komt de beslissende wending, het volstrekt nieuwe. “En het Woord was God.” Het Woord was tegelijk  letterlijk en feitelijk God. Bij God en God Zelf. Een onderscheiding,  ja, maar een onderscheiding binnen God Zelf tussen twee personen en niet een onderscheid tussen twee verschillende wezens, van wie God er dan één is en het Woord de ander. God IS het Woord dat Hij spreekt – Hij openbaart zich volledig – en tevens is Hij niet zonder meer dat Woord, maar BIJ dat Woord – want Hij valt met Zijn openbaring niet samen. Jezus Christus is het levende Woord, Hij is de perfecte openbaring van God en er is geen andere. Het Woord is Christus en het is alleen Christus. Waarom? Omdat Hij God is, in een lichaam. Alles wat God is, is Christus. Dat is de reden dat in dit evangelie Jezus zegt: “Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien” , “Ik en de Vader zijn één.”

Omdat Jezus Christus God is, is elke andere benaming van Hem of betiteling voor Hem daarvan afgeleid. Er zijn christelijke sekten en theologen die Hem niet aanvaarden als God. Vanuit het standpunt van het evangelie van Johannes gezien, is dat een blasfemie. Jezus als een goed mens, als een belangrijke profeet, als een martelaar in het joodse conflict met de Romeinen, het is allemaal mooi en aardig, maar zonder deze waarheid dat Jezus God is, is dat allemaal zonder enige waarde. Johannes zegt het zelf in zijn tweede brief:

Want er zijn veel misleiders in de wereld gekomen, die niet belijden dat Jezus Christus in het vlees gekomen is. Dat is de misleider en de antichrist.

Met andere woorden, er zijn mensen die zeggen dat Christus niet het vleesgeworden Woord is, dat hij niet de belichaming is van God zelf. Johannes zegt weer duidelijk, wie dat allemaal denkt, is een misleider en een antichrist.
Dus Christus is bij God en Hij is God. Dat is een geweldig belangrijke waarheid, omdat Christus die in deze wereld kwam daarmee God dicht bij de mens heeft gebracht. Hoeveel generaties hebben niet gevraagd waar is God? Hoeveel mensen vragen nu nog steeds niet in hun ellende, waar is God? Het antwoord van Johannes is helder: kijk naar Christus, zie op Hem, daar is je God.

En als dat waar is, dan is het ook niet moeilijk in te zien dat je kunt zeggen dat Jezus Christus de wereld heeft geschapen. Deze wereld is van Christus. Johannes heeft hier ook meteen gezegd wat nodig is tegen de ketters van zijn tijd. Zij zeiden dat het onmogelijk is dat de goede God de wereld heeft geschapen omdat de wereld kwaadaardig was. En dan zegt Johannes dat Jezus Christus alles heeft geschapen, dat het Zijn wereld is, ook al ligt die nu in de duisternis. En dat Hij juist gekomen is in de wereld om het Licht te zijn dat deze duisternis zal verdrijven. Door de verzoening en de vergeving van de zonden herstelt Jezus Christus de wereld die Hij ooit Zelf gemaakt heeft.

Johannes (1) – Het evangelie der evangelieën

Het komende seizoen zullen wij, zo God het wil, ons bezighouden met het evangelie naar Johannes. Door het hele evangelie heen staan we tegenover Jezus Christus, de Zoon van God. Dat is de wijze waarop dit evangelie ons Hem voorstelt en die boodschap is het doel van het schrijven van Johannes. De evangelist vertelt het ons zelf in hoofdstuk 20: “deze [tekenen RAV] zijn beschreven, opdat u gelooft dat Jezus de Christus is, de Zoon van God, en opdat u, door te geloven, het leven zult hebben in Zijn Naam.” Het evangelie heeft dus een tweevoudig doel. In de eerste plaats wil het demonstreren dat Jezus waarachtig de Zoon van God is, dat wil zeggen dat Hij aan God gelijk is, God Zelf is. En in de tweede plaats wil het tot geloof wekken, omdat alleen door het geloof in Jezus als de Zoon van God mensen het eeuwige leven kunnen verwerven. Dat is ook het patroon van het evangelie. Steeds weer opnieuw is er een getuigenis voor Jezus als de Zoon van God, en steeds opnieuw is er het ongeloof van de omgeving, maar dan zijn er ook de enkelingen aan wie God het vergund heeft om Jezus in Zijn waarachtige status te erkennen.

Het evangelie naar Johannes is het vierde evangelie in de volgorde van de boeken van de bijbel. Waarom zijn er vier evangeliën? Verschillen zij van elkaar? Spreken ze elkaar tegen? Ik geloof het niet. Het zijn vier verschillende portretten van Jezus Christus. Maar zij vullen elkaar aan. Dat is juist bij het evangelie naar Johannes het duidelijkst te zien. Hij kende immers het evangelie van Mattheus, Markus en Lucas. Op hoge leeftijd schreef de apostel Johannes dit evangelie in Efeze, enige tijd voor zijn verbanning naar het eiland Patmos. Ergens tussen het jaar 80 en 90. Johannes heeft dan vermoedelijk een rijpe leeftijd bereikt, tussen de 70 en 90 jaar oud is hij.

Om te weten waarom het nodig was dat Johannes een evangelie schreef, moeten we een ogenblik kijken naar de gezichtspunten van de andere evangeliën. In het evangelie naar Mattheus bijvoorbeeld, wordt Jezus gepresenteerd als de beloofde Messias van Israël. De korte boodschap van Mattheus is dan ook: zie uw koning. Markus daarentegen presenteert Christus niet als koning, maar als de getrouwe Dienaar en profeet. Precies om die reden kent het evangelie naar Marcus geen geslachtregister omdat die er niet toe doet bij een Knecht van de Heer. De boodschap van Marcus is dus eenvoudig: zie uw Knecht. En tenslotte in het evangelie naar Lucas zie je Jezus als de volmaakte mens en vandaar dan ook de boodschap van dat evangelie: zie de Mens. Lucas wilde de menselijkheid van Jezus Christus aan ons voorstellen.

Dan komen we bij het evangelie naar Johannes. Als we beginnen te lezen zien we de hemelen opengaan en het eerste wat we zien gebeuren is dat de eeuwige Zoon van God neerdaalt naar de wereld. Hij is God en mens tegelijk. Een heerlijke persoon, de eeuwige Zoon van God, Jezus Christus. De boodschap van het evangelie naar Johannes is dus: zie uw God. De waarheid van de godheid van Jezus is het onderwerp van dit evangelie. Hij is niet een beetje God en een beetje mens, maar hij is volmaakt en volledig God en volmaakt en volledig mens. Johannes kent dus wel een geslachtregister, maar daarin komen geen mensen voor. Hij gaat terug naar de tijd voor alle tijd, hij gaat terug naar de eeuwigheid en zegt dat daar alles begonnen is. Jezus Christus is niet in de tijd begonnen, maar hij was er altijd al. En op die wijze presenteert Johannes ons de Zoon van God.

Lang geleden hoorde ik van een broeder in de Vergadering deze uitleg van de noodzaak van de vier evangeliën. Het lijkt op de inrichting van het kamp tijdens de reis van Israël door de woestijn. De tabernakel stond in het midden en alle stammen waren rondom de tabernakel gelegerd. In Mattheus vinden we de presentatie van Gods regering in zijn geheel. Het hele kamp is rondom de koning opgebouwd en God regeert alle stammen vanuit het midden. Na Mattheus, komt Marcus. Dat is de buitenste plaats van de tabernakel, de voorhof en/of de “hof van de heidenen” waar God werd gediend en vereerd en waar de offers werden gebracht. In het evangelie van Marcus is de volmaakte dienaar ook het volmaakte offer. Dan in het evangelie naar Lucas doen we een stap in het heilige, de eerste afgesloten ruimte van de tabernakel waar alleen de priesters mochten komen. Daar staat het toonbrood en de kandelaar. Het evangelie naar Lucas presenteert ons Christus die zijn priesterlijke werk temidden van de mensen verricht, aan mensen getuigenis aflegt en met hen één is.

Wanneer we vervolgens het evangelie van Johannes gaan lezen, komen we in het heilige der heiligen. Daar zien we God Zelf, God in het vlees gekomen. Het evangelie naar Johannes brengt ons in de tegenwoordigheid van God zelf. Daarom is het evangelie naar Johannes het evangelie van alle evangeliën. Het is het heilige der heiligen van het Nieuwe Testament. Nu moeten we onze schoenen uit doen want we staan op heilige grond als we dit evangelie bestuderen. Dit evangelie spreekt over de menselijkheid van Jezus, het spreekt over de dienaar, het spreekt over Zijn koningschap, maar in de allereerste plaats laat het ons Zijn godheid zien.

Het lezen van het evangelie naar Johannes is een bijzondere ervaring. Tijdens mijn vakantie in Tsjechië hebben mijn vrouw en ik samen dat evangelie twee keer in zijn geheel doorgelezen. Het heeft ons hart diep geraakt. Het is een evangelie vol diepe gedachten in eenvoudige taal. Het is een evangelie dat je in de hoogte opheft tot aan de hemelen toe. Het laat ons de vernedering zien van onze Heer Jezus Christus, maar tegelijkertijd toont het ons Zijn heerlijkheid. Het laat het verschrikkelijke drama zien van ongeloof tegenover de Zoon van God. En het wekt de hoop, dat geloof in deze Zoon het eeuwige leven schenkt.