Het gezag van de Schrift in de prediking

“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)

Het overkomt vaak studenten uit een christelijk gezin, die op de middelbare school of op de universiteit geconfronteerd worden met harde kritiek op de Bijbel. Ze beginnen te twijfelen. De antwoorden van vader en moeder zijn niet langer voldoende, en meestal weet de predikant er ook geen raad mee. Bovendien is het gezag van de gemeente gering in vergelijking met het gezag van de leraren waarmee een jonge student geconfronteerd wordt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat veel jonge mensen afhaken, aan de Bijbel hooguit de status van interessante verhalen toekennen, en op die wijze het vertrouwen verliezen in de Bijbel als Gods Woord.

Dat is echter niet mijn onderwerp. Waar ik vandaag over schrijven wil, is over het verschijnsel dat volwassen christenen, die nog kerkelijk actief zijn, net als vele predikanten, subtiele manieren hebben gevonden om aan het gezag van de Bijbel te ontkomen. Ze belijden de waarheid van de Schrift nog wel, maar in de praktijk speelt dat gezag geen rol. Veel predikanten zijn in hun opleiding bedolven onder een stortvloed van argumenten voor de liberale Schriftkritiek. Dat begint bij twijfels aan het auteurschap en de ouderdom van sommige teksten. Bijvoorbeeld: is er een profeet geweest die het boek Jesaja heeft geschreven? Ook als het antwoord is dat het boek van deze profeet in meerdere fasen van de geschiedenis tot stand is gekomen, kun je het gezag van die tekst nog wel handhaven. Het ligt moeilijker wanneer we bijvoorbeeld moeten nadenken over het auteurschap van het evangelie naar Johannes. Als het is geschreven door de apostel voor het einde van de eerste eeuw, dan berust het zeker ook op het geheugen van de apostel die getuige was van deze gebeurtenissen. Als het echter geschreven zou zijn door zijn leerlingen meer dan 30 jaar na de dood van de apostel, die hun geschrift op naam van Johannes hebben gesteld, dan moeten we het gaan rekenen tot de kerkgeschiedenis en niet tot de schriftelijke openbaring. Maar het gaat nog verder wanneer ze in de opleiding leren dat het Nieuwe Testament vol zit met culturele veronderstellingen, met een verouderd wereldbeeld dat niet meer te handhaven is, en dat alles in de Bijbel van haar mythische vorm moet worden beroofd. Wat we dan overhouden is een kern die ons in ons persoonlijk leven nog als troost en bemoediging en oproep tot “authenticiteit” kan aanspreken.

Natuurlijk, predikanten komen in hun opleiding ook de gedachte tegen, dat de Bijbel het onfeilbare Woord van God zou zijn. Maar de universiteit is doordrongen van de liberale Schriftkritiek, dat wil zeggen dat een dergelijke opvatting als een rariteit uit het verleden wordt bijgezet in het museum. Alleen nog geschikt om mee bezig te zijn vanwege naïeve gelovigen in de gemeente.

Als predikanten dus geleerd hebben om het gezag van de Bijbel te negeren of zelfs in een poging om eerlijk te zijn tegen te spreken, wat moet de gemeente dan nog denken? Bij het lezen van de Bijbel kunnen gemeenteleden allerlei twijfels hebben. Vooral de passages uit het Oude Testament zijn ons welbekend, die steeds tot diepgaande zorgen aanleiding geven. Hoe zit het dan met de intocht in Kanaän. Met de overduidelijke genocide die daar gepleegd wordt. Gelukkig is dat dan het Oude Testament dat wij als christenen toch naast ons neer kunnen leggen – met uitzondering van de psalmen en het boek Genesis. Maar die vragen kunnen zich ook gaan uitbreiden in de richting van het Nieuwe Testament. Is het verhaal van de opstanding van Jezus een uiting van geloof zonder realiteit? Of is het een betrouwbaar ooggetuigenverslag – juist vanwege de inconsistenties tussen de evangelisten – dat ons een betrouwbare en historische grondslag geeft voor ons geloof?

Het gaat mij dus om mensen – gemeenteleden en predikanten – die de hele kwestie van het gezag van de Bijbel uit de weg willen gaan. Het gaat mij om christenen die eigenlijk niet langer het reformatorische beginsel van Sola Scriptura – alleen de Schrift – hanteren. Laat staan de toespitsing daarvan op het afgeleide beginsel van Tota Scriptura – heel de Schrift. Nog niet zolang geleden was in onze Hervormde Kerk het vanzelfsprekend dat de Bijbel gezag had omdat het de schriftelijke vorm was van Gods Woord. Respect voor Jezus als de hoogste autoriteit in de kerk was ondenkbaar zonder respect voor de Bijbel die Jezus als gezaghebbend citeerde en in Johannes 17 gelijkstelde aan de waarheid. Zonder de Schrift die door de Geest van Christus geïnspireerd was, hadden we ook geen enkel besef van wie Jezus was en is. Zo was het ook ondenkbaar om te tornen aan het idee, dat de Bijbel gezaghebbend was in alles wat zij leerde. Niet alleen maar inzake van geloof en leven, maar ook in haar weergave van historische realiteiten – hoewel het zeker noodzakelijk was om goed te letten op het genre zodat we de Bijbel niet gingen lezen als een handboek voor kosmologie of biologie.

Aan het gezag van de Bijbel was ons dus ooit veel gelegen. Daarom waren wij een kerk van de Reformatie. Wij hebben in onze traditie daarom altijd ook de noodzakelijkheid van de Schrift bevestigd. Al is het bij ons nooit zover gekomen dat wij ons letterlijk het beginsel van Calvijn hebben eigen gemaakt, dat de Schrift ook de enige norm en bron moest zijn van de inrichting van de eredienst. De grote waaier van rooms-katholieke invloeden op de inrichting van onze eredienst in de huidige tijd is daarvan het duidelijke bewijs. Maar toch, het was ons fundament. Zonder de schrift kon je Christus niet kennen. Als je Hem niet kende, kon je Hem niet eren. Waar zou de kerk echter toe dienen als zij haar Heer en Heiland niet zou kunnen eren?

Wat zijn nu “subtiele manieren” om je aan het gezag van de Bijbel te onttrekken?

1. Selectief zwijgen
Predikanten hebben zo hun lievelingspassages. Daarover kun je steeds weer opnieuw preken zodat de gemeente steeds een positieve en bemoedigende preek te horen krijgt. Het is zelden dat gepreekt wordt over een tekst die lijden en pijn als thema heeft. Het is zelden dat gepreekt wordt over Gods gerechtigheid, vooral als die in de vorm van oordeel en macht naar voren komt zoals vaak in het Oude Testament. Begrippen als straf en tucht zijn niet langer in de mode en daarom worden ook passages vermeden waarin dat naar voren komt. Wie van de predikanten durft nog te preken over de hel? Dat is een begrip dat zowel door Jezus als door de apostelen uitvoerig gebruikt wordt en vanzelfsprekend bij hun gedachtewereld hoort. Maar in onze preken wordt het zorgvuldig verwijderd om niet het predikaat “donder- en bliksempreek” op te roepen. Daarom wordt er ook niet gepreekt over zonde in het algemeen, over overspel, of over het homohuwelijk. Daarom wordt er ook niet gepreekt over de rolverdeling van mannen en vrouwen, of de rol van de vrouw in het ambt van predikant. Dat zijn zaken waar de gemeente immers verdeeld over is en omdat je niet wilt dat de ene helft van de gemeente wegloopt terwijl de andere applaudisseert, vermijd je dat soort onderwerpen maar.

In dit selectieve zwijgen is het duidelijk, dat de Bijbel haar gezag verliest omdat alleen die teksten nog aan de orde kunnen komen, die jouw eigen standpunt ondersteunen. (Of het algemeen gevoel van de gemeente ondersteunen.) Wanneer er passages in de Bijbel staan waarover wij niet kunnen preken, impliceert dat dat die passages niet Gods Woord zijn. Wanneer er passages zijn in de Bijbel waarover de gemeente alleen maar een negatief oordeel wil horen, zo in de trant van: wat jammer dat dat erin staat, of: ik begrijp dat u daar moeite mee hebt en ik ook, wordt zelfs nadrukkelijk het gezag van Gods Woord ondermijnd.

Ik heb het nu nog uitsluitend over de preken gehad, maar dit zet zich voort ook in andere verbale uitingen zoals in de catechese of de Bijbelkring. Wij dienen als predikanten ook te zwijgen over de waarde van het Nieuwe Liedboek om maar een ander pijnpunt te noemen – de toorn van kerkenraad, gemeente en organisten komt over je heen. We mogen als predikanten alleen maar zwijgen wanneer gastpredikanten het evangelie vervalsen, ook al is dat voor ieder mens die er aandacht aan geeft volstrekt helder te maken. Selectief zwijgen is een noodzakelijke overlevingsstrategie geworden voor een predikant die beseft, dat zijn baanzekerheid mede afhangt van het goede gevoel van de gemeente over zijn vriendelijkheid en inschikkelijkheid. De gemeente is niet geneigd om te begrijpen dat het Gods Woord is die een bepaalde prediking noodzakelijk maakt, en niet de vrije keuze van de predikant. Wanneer het Woord als negatief wordt beoordeeld, moet de schuld wel liggen bij de predikant die de verkeerde selectie maakte. Want waarom zou je de gemeente iets voorleggen, dat die gemeente onaangenaam in de oren moet klinken? Waarom zou je geen tekst kiezen voor de prediking, die het gehoor streelt? Of aansluit bij verwachtingen? Dat moet dan aan de recalcitrantie van de predikant liggen.

Onderbelichten en overbelichten

Een mooi voorbeeld van dit zwijgen is ook het verschijnsel van het onderbelichten van een passage of term. Ik geef als voorbeeld de prediking in de kersttijd over het evangelie naar Mattheus. Stel dat we voor kerstavond gekozen hebben voor een lezing uit Mattheus 1. De kerkenraad heeft al uitdrukkelijk gevraagd om de prediking op die avond toegankelijk te maken voor die buitenstaanders die maar één keer per jaar naar de kerk komen. Bij de uitleg van het geboorteverhaal komen we aan vers 20. “Terwijl hij deze dingen overwoog, zie, een engel van de Heere verscheen hem in een droom.” En even later: “wat in haar ontvangen is, is uit de Heilige Geest.” Wat moeten moderne mensen met deze “engel”, met deze “droom”, en met de “ontvangenis uit de Heilige Geest”? De gebruikelijke tactiek is het onderbelichten van dergelijke bewoordingen. We zeggen: “Jozef kwam vanuit zijn geloof en trouw, en vanuit zijn liefde tot Maria tot een beslissing haar niet te verstoten”. We zeggen: “omdat Jezus een bijzonder mens was, hebben de eerste christenen geloofd dat ook zijn geboorte bijzonder moest zijn, net als bij de keizer.”

Ziet u wat hier gebeurt? Door het op een andere manier te willen zeggen, verminderen we de realiteit waarnaar de tekst verwijst. Gods ingrijpen in het leven van Jozef, wordt een persoonlijke beslissing. De bovennatuurlijke geboorte van Jezus – het Woord dat vlees is geworden! – wordt een onderdeel van de mythe waarin uitsluitend de eerste christenen geloofd hebben. Zodat wij moderne mensen kunnen menen daar ver boven verheven te zijn, want wij hebben dergelijke sprookjes niet meer nodig.

Selectief zwijgen over de passages uit de Bijbel die aanstoot kunnen geven voor het moderne levensgevoel; selectief spreken over wat het moderne levensgevoel ondersteunt en het gehoor streelt; en het onderbelichten van alles in de Bijbel waar we van aannemen dat moderne mensen er toch niet meer in kunnen geloven, en ook niet meer in hoeven te geloven. Omdat tegelijkertijd de tekst van de Bijbel toch wordt naverteld lijkt het net alsof alles in orde is. Een gemiddeld kerklid hoeft het niet eens in de gaten te hebben dat er van dit zwijgen en selecteren en onderbelichten sprake is. Maar in werkelijkheid, voor iedereen die een dergelijke preek rustig nog eens naleest en vergelijkt met de strekking van de gebruikte passage uit de Bijbel, kan er geen twijfel zijn dat op subtiele wijze het gezag van de Schrift is omzeild.

2. Schaamte tegenover de tekst
Veel predikanten lezen een tekst, met name uit het Oude Testament, waarvoor ze in de preek verontschuldigingen aanreiken. Soms gebeurt dat rechtstreeks, door het nare gevoel te verwoorden dat iedereen in eerste instantie wel zal hebben, maar om het daar bij dan ook te laten. Soms gebeurt het indirect, door een Oudtestamentische tekst te contrasteren met een tekst uit het Nieuwe Testament.

We lezen bijvoorbeeld uit 2 Koningen 1 de geschiedenis van Elia. Dan komen we bij vers 10: “Toen kwam er vuur uit de hemel neer en dat verteerde hem en zijn vijftigtal.” God neemt het hier tegenover de gezalfdekoning van Israël Ahazia, op voor Zijn eigen eer. De koning heeft een afgod geraadpleegd vanwege zijn ziekte. Als de profeet hem het oordeel van de Heere aankondigt, stuurt de koning soldaten naar Elia om Hem daarvoor te straffen. Het wordt een strijd om de soevereiniteit. Wie is de waarachtige koning in Israël? De afgodendienaar Ahazia of de Heere God die spreekt door Zijn profeet?

Stel nu eens dat in de uitleg van deze passage de inzet van de strijd niet wordt vermeld. Er wordt alleen maar gezegd dat de koning ziek is, zoekt naar een genezing, en dan een woord van de profeet te horen krijgt, en dat die profeet met bovenmatige geweld onschuldige soldaten neerslaat met vuur uit de hemel. Opnieuw dus een voorbeeld van de onderbelichting van de strekking van een tekst. Daardoor wordt het heel makkelijk om de tekst te contrasteren met wat we lezen in Lukas 9. Wanneer de Samaritanen Jezus niet in hun dorp willen ontvangen, vragen Jacobus en Johannes: “Heere, wilt U dat wij zeggen dat er vuur van de hemel moet neerdalen en hen verteren, zoals ook Elia gedaan heeft?” De discipelen maken dus een connectie met het verhaal van Elia, niet Jezus. Maar na de uitleg van het verhaal van Elia kan de predikant op een bijzondere wijze voortredeneren. Dat leidt tot deze schijnbaar fraaie conclusie. Jezus keurt hier af wat Elia gedaan heeft. Immers, “de Zoon des mensen is niet gekomen om zielen van mensen te gronde te richten, maar om ze te behouden.” De implicatie in de preek waarin deze beide passages met elkaar verbonden worden, is duidelijk. Elia heeft de zielen van mensen te gronde willen richten, maar Jezus daarentegen wil ze behouden. De Oudtestamentische tekst wordt dus alleen maar gebruikt om de houding van Jezus in scherp contrast te plaatsen. En de gemeente heeft het goed begrepen: het Oude Testament, het heilige boek van de Joden, staat vol met geweld, maar Jezus kwam die nare visie corrigeren. Hij zou hebben gewild dat de soldaten in leven waren gebleven.

Niets is echter verder van de waarheid. Dat is wat het selectieve zwijgen dan bewerkstelligt. Voor het gemak wordt vergeten, dat deze Jezus ook kon zeggen: “Ga weg van Mij, vervloekten, in het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bestemd is.” Zeker, Jezus is gekomen om zielen te behouden, maar dat impliceert dat sommigen “zullen gaan in de eeuwige straf” (Mat. 25:46). En Hij kon zeggen: “wie de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn van God blijft op hem” (Joh. 3:36).

Ziet u wat er gebeurt? Door de Oudtestamentische tekst te onderbelichten, en te contrasteren met een Nieuwtestamentische tekst, ontstaat er een overbelichting van de laatste. De reden van de strijd met de soldaten van de koning wordt weggelaten, en er wordt gesuggereerd dat Jezus’ weigering om vuur van de hemel te laten neerdalen, een bewijs is van Zijn allesomvattende vriendelijkheid. (Is het dan niet van belang dat beide teksten een geheel andere context hebben?) Maar in de eerste plaats zou Jezus het getuigenis van het Oude Testament nooit op die wijze verworpen hebben. In de tweede plaats is ook in het Nieuwe Testament de realiteit van Gods oordeel een belangrijke waarheid. In de derde plaats breng je, door die teksten op deze wijze met elkaar in verband te brengen, in feite alleen je eigen theologische mening naar voren. Terwijl de gemeente denkt dat de predikant bevestigt dat ze zich onrustig mag voelen door de teksten over Elia, en dat de predikant toch nauwkeurig de Bijbel heeft uitgelegd die duidelijk maakt dat Jezus een en al vriendelijkheid en liefde is. Ik noem dat een vervalsing van de Schrift in de preek. De schaamte over de tekst regeert en het inzicht in de diepte ervan ontbreekt. Wat overblijft is een tendentieuze prediking waarin de predikant meer zichzelf dan de waarheid heeft verkondigd.

Besluit
“Wij hebben de schandelijke, verborgen praktijken verworpen; wij wandelen niet in bedrog en vervalsen ook niet het Woord van God, maar door het openbaar maken van de waarheid bevelen wij onszelf aan bij elk menselijk geweten, in de tegenwoordigheid van God.”
“Want wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere, en onszelf als uw dienstknechten om Jezus’ wil.” (2 Kor. 4:2, 5)
Wat zijn nu deze “schandelijke, verborgen praktijken”? In ieder geval is het de praktijk van het onderbelichten van een tekst, een eigen geheime agenda te hebben bij de uitleg van die tekst. Paulus verwijst met deze woorden het gedrag van een koopman op de markt. Een te hoge prijs rekenen, bijvoorbeeld voor wijn die je verkoopt als onvermengd maar intussen ruimschoots met water het aangelengd. Dat is een schandelijke praktijk.

Het onderbelichten van een tekst is als het aanlengen van de wijn met water, terwijl je doet alsof je het Woord van God zuiver uitlegt. Daarom is het bedrog. 

Wat is dan dit “vervalsen van het Woord van God”? Is het niet dit, dat we een tekst uitleggen volgens onze eigen intentie, en niet volgens de intentie van de schrijver zoals die blijkt uit de tekst? Het is om die reden dat de apostel Petrus zo nadrukkelijk stelt, dat “geen enkele profetie van de Schrift een eigenmachtige uitleg toelaat.” Eigenmachtig wil zeggen dat we de tekst laten buikspreken om de boodschap te ondersteunen die wij zelf bedacht hebben.

In vers 5 vinden we de kern van de zaak. Het onderwerp van de prediking is niet wat wij zelf denken, ook niet onze eigen theologie, ook niet onze eigen hoogverheven of diepzinnige gedachten. Prediking is alleen maar het openbaar maken van de waarheid. En omdat die waarheid schriftelijk is vastgelegd in de Bijbel, is prediking niets anders wat Paulus aan Timotheüs schrijft: “predik het Woord.”

Predik het Woord

Predik het Woord, volhard daarin, gelegen of ongelegen, weerleg, bestraf, vermaan en dat met alle geduld en onderricht. (2 Tim. 4:2)

Al maandenlang denk ik na over het karakter van mijn prediking in de gemeente van IJmuiden. Vindt mijn prediking wel aansluiting bij het geloof van de gemeente? Zijn mijn preken niet te onderwijzend of te vermanend? Schenk ik voldoende aandacht aan de normale ervaringen van mijn gemeenteleden, die lang niet allemaal op hetzelfde niveau van geloof leven? Ben ik te zeer gericht op het onderwijs vanuit de Schrift en komt daardoor de bemoediging tekort?

Ik zou niet weten waar ik het antwoord op die vragen anders zou moeten zoeken, dan in het Woord van God zelf. De opdracht om te prediken heb ik bij mijn examen als predikant aanvaard als een opdracht om volgens het Woord te prediken. Ik heb zelfs de belofte afgelegd, dat ik mij zou verzetten tegen alles wat met de leer van het Woord van God in strijd is. Mijn kerkelijke opdracht is dus hetzelfde als de Bijbelse opdracht die Paulus hier verwoordt: “Predik het Woord.” Dat betekent in ieder geval dat ik me moet aansluiten bij de woorden die Paulus elders spreekt: “wij prediken niet onszelf, maar Christus Jezus als Heere” (2 Kor. 4:5).

Zonder deze Bijbelse en kerkelijke opdracht zou het leven een stuk eenvoudiger zijn. Als je elke zondag tussen de 20 en 30 minuten mag spreken over een onderwerp dat je zelf wel aardig vindt, en dat je nuttig vindt voor de toehoorders, dan ben je zo klaar. Maar de opdracht van een predikant is helemaal niet gering. Hij is verantwoordelijk voor zijn prediking in de eerste plaats tegenover God zelf. Maar toch is er een gemeente die over zijn prediking ongetwijfeld een oordeel heeft. Het is goed dat de gemeente beseft vanuit welke opdracht een predikant moet spreken. Daarom zal deze tweede brief aan Timotheüs ongetwijfeld in Efeze en op andere plaatsen in de gemeente zijn voorgelezen. Als de gemeente de opdracht aan de predikant niet ondersteunt, wordt zijn leven buitengewoon moeilijk. Laten we daarom eens kijken naar een deel van de tekst die de opdracht aan de predikant definieert.

Paulus en de gemeente van Efeze

Paulus heeft grote zorgen om de gemeente van Christus in Efeze. In de laatste brief die hij geschreven heeft voor zijn dood, roept hij zijn leerling Timotheüs daarom op om vol te houden. Ondanks de moeilijke tijden die in Efeze zijn aangebroken. Deze tweede brief aan Timotheüs laat veel van die zorg zien, en de opdracht van de plaatsvervanger van Paulus in die gemeente is dan ook een behoorlijk zware opdracht.

Veel vooral jonge predikanten vragen zich in onze tijd af met welke strategie ze de gemeente moeten onderwijzen en het evangelie moeten verkondigen. Ze zoeken naar een “strategie” zoals een bedrijf probeert een onpopulair en onbekend product te slijten aan de massa. Daar is een campagne voor nodig, en er moet reclame worden gemaakt en een goede prijsstelling binnen de markt. Het is een manier van denken die ook de kerk is binnengeslopen. Hoe kunnen we het evangelie aanvaardbaar maken voor moderne mensen? Hoe kunnen we onze erediensten aantrekkelijk maken voor jongeren? Hoeveel van de moderne cultuur moeten wij opnemen, zodat er tenminste nog gesproken kan worden over God en Christus? Misschien moet de prijs van het evangelie wel drastisch worden verlaagd, misschien moeten we in ons optreden naar buiten toe – onze reclame – de kerkelijke taal vermijden en aansluiten bij de beleving van moderne mensen. Ondanks al die mooie strategieën worden onze kerken steeds leger.

Al het onderwijs dat ik in mijn opleiding heb ontvangen over het vinden van de juiste strategie, over het rekening houden met het karakter van de gemeente, over de aansluiting van de Bijbel met de ervaringen van de mensen, dat alles zou ik graag hebben ingeruild voor een goede heldere exegese van deze brief van Paulus. Want eigenlijk staat het hier allemaal al. De grondslag van het ambt in de kennis van het Woord van God bijvoorbeeld in het derde hoofdstuk: “Blijft u echter bij wat u geleerd hebt en waarvan u verzekerd bent….” en alles wat daarna volgt over het karakter en het nut van de Schrift. De zware verantwoordelijkheid, niet tegenover de gemeente, maar tegenover “God en de Heere Jezus Christus, die levenden en doden zal oordelen…” aan het begin van hoofdstuk 4. Dan de opdracht zelf die ik hierboven geciteerd heb, en dan de diagnose: “Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen…” (vers 3).

Diagnose: de verdeeldheid van de gemeente

Om met dat laatste te beginnen: hoe is dan de diagnose van onze gemeente? Het zal niet veel verschillen van andere gemeenten binnen onze Protestantse Kerk. Er zijn mensen die naar de kerk gaan omdat ze dat van jongs af aan gewend zijn. Er zijn mensen die gaan omdat ze gesteld zijn op de liederen en elkaar graag willen ontmoeten. Vanwege vriendschappen die soms meer dan een halve eeuw terug gaan. Wat het geloof betreft zijn er ongetwijfeld mensen die uit een gelovig nest komen, en alles met de paplepel hebben meegekregen. De Bijbelse woorden zijn hun vertrouwd en ze geloven die woorden met heel hun hart. Maar tussen deze beide uitersten in, zijn er ongetwijfeld ook mensen die bezig zijn hun geloof en hun betrokkenheid bij de kerk te verliezen. Je ziet ze niet elke zondag meer. Ze staan met één been buiten de kerk en hebben de moderne cultuur meer lief dan het evangelie. Sommigen staan aarzelend op de rand van de bekering, onzeker of ze het evangelie voluit moeten omhelzen of een kritische distantie in acht moeten nemen. En dan zijn er nog de mensen voor wie het geloof een vanzelfsprekendheid is en die in de kerk liever bezig zijn met de praktische vragen waar ze elke dag op stuiten. Hoe heb ik mijn naaste lief? Hoe ver moet ik gaan in mijn zorg voor anderen? Of, als hun bezorgdheid voortkomt uit het krantenbericht van zaterdag, dan willen ze op zondag horen hoe het dan zit met de Islam, of met de zorg voor vreemdelingen, of het geweld in de wereld.

Het is onmogelijk dat een predikant in een preek al deze mensen geven kan wat zij naar hun eigen oordeel nodig hebben. Maar het is de vraag of dat ook de norm kan zijn. De diagnose die Paulus al gaf, lijkt onverkort ook van kracht voor onze tijd. Mensen zullen zoeken wat het gehoor streelt, zegt hij. Wat het gehoor streelt, is altijd wat je al wist. Wat het gehoor streelt, is wat jou een goed gevoel geeft over jezelf. Wat het gehoor streelt, is een troostend woord waardoor je je eigen moeilijkheden even kunt vergeten. Wat veel gemeenteleden verwachten van de preek, wordt door Paulus hier gekarakteriseerd als een uitvloeisel van persoonlijke behoeften en voorkeuren. Het maakt niet uit of mensen de waarheid horen, als het maar hun gehoor streelt en overeenkomstig hun eigen begeerten is. Feilloos wijst Paulus het hart van dit probleem aan: “ze zullen zich van de waarheid afkeren en zich keren tot verzinsels.”

Prediking als zorg om de waarheid

Ongetwijfeld veronderstelt Paulus hier, dat de prediking van het Woord een prediking van de Waarheid is. Een preek is geen suggestie om de wereld eens anders te bekijken. Een preek is geen poging om te entertainen, te coachen, te adviseren, te overtuigen van de vriendelijkheid van de prediker, en het is zeker geen peptalk waardoor iemand zich goed kan gaan voelen. Met de Schrift, zegt Paulus, wordt onderwezen, maar ook weerlegd en verbeterd en opgevoed – 2 Tim. 3:16. Er is een waarheid in het geding, die besloten ligt in het Woord van God, die “de overleggingen en gedachten van het hart” oordeelt. Het Woord van God is “levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard” (Hebr. 4:12).

Waarom moet de gemeente met aandacht luisteren naar het woord van haar predikanten? Omdat deze voorgangers “het Woord van God tot u gesproken hebben”. Waarom wordt de gemeente opgeroepen deze voorgangers werkelijk te gehoorzamen? Omdat “zij waken over uw zielen”. Waarom wordt de gemeente opgeroepen om te bidden juist voor de voorgangers? – “omdat zij rekenschap moeten afleggen”, en een grotere verantwoordelijkheid dragen dan anderen, en “opdat zij dat mogen doen met vreugde en niet al zuchtend” (Hebr. 13:7). Maar de gemeente zal moeten begrijpen, dat de maatstaven die zij aanlegt voor haar predikant geen andere mogen zijn, dan de maatstaven die het Woord van God aan die predikanten oplegt. De gemeente moet beoordelen of de predikant zijn Bijbelse opdracht trouw is. De maatstaf is dus nadrukkelijk niet, of de prediking het gehoor streelt en overeenkomstig de eigen verlangens is.

In zijn prediking spreekt een predikant in zijn eigen gemeente tegen mensen die hij kent, van wie sommigen het allemaal al denken te weten, anderen aarzelend staan tegenover het evangelie, weer anderen afgeleid zijn door hun dagelijkse zorgen, weer anderen met één been buiten de kerk zijn gaan staan en weer anderen die verdwaald zijn en eigenlijk door hun ongeloof in de kerk niets te zoeken hebben, en tenslotte ook nog tegen gelovigen die onderwijs nodig hebben om in hun geloof gesterkt en gevoed te worden.

Prediking volgens de gezonde leer

Paulus zegt niet tegen Timotheüs dat hij een strategie moet ontwikkelen om al deze verschillende groepen op een eigen en passende wijze aan te spreken. De opdracht die Paulus zelf van de Heere ontvangen heeft, geeft hij door aan zijn leerling Timotheüs. In drie Nederlandse woorden: predik het Woord. Wat God zegt tegen de gemeente moet door de predikant worden vertolkt. Het moet onderwijs zijn en dus “gezonde leer.” Die “leer” is de samenvatting van het Bijbelse verhaal, de hoofdpunten van het evangelie, de waarheid die God geopenbaard heeft, dat alles is “leer”. Het ligt voor ons fundamenteel vast in de belijdenis en in de Catechismus, en de predikant – maar niet alleen hij, ook de gemeente – leert het kennen door het bestuderen van de werken van de grote leraren van vroeger. Het Woord van God moet worden gepredikt, zoveel als maar mogelijk is in overeenstemming met de gezonde leer, en dat betekent voor ons: de gereformeerde traditie. De prediking kan dan niet alleen maar troostend en bemoedigend zijn. Het is ook en altijd onderwijs, weerlegging en verbetering. Dat wil zeggen, de prediking probeert onwetendheid over het evangelie in Christus te veranderen in wijsheid en kennis; foutieve gedachten en aannames over Gods waarheid tegen te spreken en ten goede te keren; onzekere en onjuiste overtuigingen over Gods wil te corrigeren en zo alles te doen om de gemeente een opvoeding te geven. Zoals een leraar een klas opvoedt, zoals ouders hun kinderen opvoeden.

Gelegen of ongelegen

Predik het Woord dus. Ik denk dat dat alleen waar wordt, als we de methode van de expositie volgen. De tekst bepaalt het thema, het verloop van de argumenten, roept de illustraties op en niet omgekeerd, loopt uit in een toepassing van de Bijbel op het leven – en niet de toepassing van het leven op de Bijbel. Timotheüs wordt daarbij zelfs opgeroepen om te volharden, om aan te dringen, om ervoor te staan, allemaal betekenissen van dat Griekse woord dat daar gebruikt wordt. Dan staat er ook nog: gelegen of ongelegen. Letterlijk: volgens een goede tijd en tegen de goede tijd in. Het Griekse woord “kairos” is tijd in de zin van het goede en passende moment. Een huwelijksdatum is een “kairos” – de zinvolle tijd –, terwijl de tijd die verstrijkt volgens de klok op het nachtkastje eerder met het woord “chronos” wordt aangeduid – de vergleidende tijd. Gelegen of ongelegen slaat op de situatie waarin de prediker zich bevindt. Het gaat erom dat hij het Woord moet prediken of het hem nu uitkomt en voor hem de passende tijd is, of dat hij zich wat ongelukkig voelt, aarzeling moet overwinnen, en het voor hem helemaal niet een passende tijd is. Overigens, een vers als dit geeft geen legitimatie aan onbeschoftheid. Een woord opdringen aan anderen, die je bijvoorbeeld ontmoet in familiekring, of bij een huwelijksfeest, heeft niets te maken met gelegen of ongelegen, maar wel met gebrek aan beleefdheid.

Het kan heel ongelegen zijn, om het Woord van Christus te prediken volgens de gezonde leer in een tijd waarin mensen zoeken wat het gehoor streelt. Veel predikanten zijn daarbij gesneuveld. Het Woord wordt vervangen door een tekst, de uitleg van die tekst wordt vervangen door een opbeurend praatje, het opbeurende praatje wordt overschaduwd door een anekdote uit het dagelijks leven. Het resultaat is precies volgens de verwachting van veel gemeenteleden: evangelisch nietszeggend, zonder vermaning, troostend vanwege mooie losse woorden, een ruwe en primitieve poëzie die het goede gevoel wil opwekken, maar het hart en het verstand hongerig laat. De alledaagse ervaring domineert het Woord. God spreekt niet tegen ons, wij spreken tenslotte alleen nog tegen elkaar.

Het lot van een Kerk zonder het Woord

In sommige steden zijn de grote kerken leeg. Op de zondag morgen blijft het donker want de gelovigen van Hervormde of Gereformeerde komaf hebben al lang ontdekt dat in hun kerken geen geestelijk voedsel meer wordt aangereikt. Ook in Leeuwarden staan de kerken leeg en zijn sommigen al verkocht om te worden omgebouwd tot appartementen. Maar in een van de wijken van Leeuwarden staat een gemeente met 1800 leden. De leden daarvan hebben de verplichting op zich genomen om elke week een bijbelstudie te volgen. En dat is naast de wekelijkse Bijbelstudie op een dag in de week die ze óók volgen. Op zondagmorgen na de dienst gaan ze elk naar hun eigen lokaal, want ze zijn verdeeld over meerdere klassen of leergangen. Permanente educatie van een gelovige door Bijbelstudie – in die gemeente wordt het als voorwaarde gesteld. De toegang is daardoor moeilijker geworden. Maar in die kerk gaat op zondag het licht aan en de kachel niet uit als niet alleen de lofzang is gezongen uit 1800 kelen, want er wordt in het hele gebouw in groepjes van 40 man aan diepgaande Bijbelstudie gedaan. Zo’n gemeente is in dit opzicht “volmaakt en toegerust tot elk goed werk” (2 Tim. 3:16, 17). Het is Bijbelstudie volgens de leer en gericht op het leven.

Waarom zien we zo vaak in die buiten kerkelijke gemeenten, zoveel mensen die eerder bij de Protestantse kerken zijn afgehaakt? Is het niet eenvoudig hierom: als je als gelovige voeding zoekt vanuit Gods Woord, heb je in verreweg de meeste van onze Protestantse gemeenten niets te zoeken. Wij sukkelen voort op de oude weg, van aanpassing aan de cultuur, van troostende praatjes, en we willen niets weten van een intense studie van Gods Woord. Zolang we ons over alle andere dingen druk maken in de kerk, over financiën, zaalverhuur, de verwarming, de geluidsinstallatie, het lekkende dak, de diaconale doelen, het aantal huisbezoeken per week, kunnen we onszelf als toegewijde christenen zien. De studie van Gods Woord is voor ons een sluitpost geworden. De meesten van ons zien het nut er niet van in. Ik betreur dat zeer.

Gods Woord wijst ons een andere weg.

KOINONIA LIVE! #12 – de vijf “fundamentals”- 18 April 2017

De “Five Fundamentals” markeren het verschil tussen Bijbelgetrouw Christendom en het modernisme. In deze aflevering bespreek ik die “Fundamentals” vanuit de Gereformeerde Traditie tegenover het modernisme van Harry Kuitert.

De Fundamentals zijn:
1. De volkomenheid van de Schrift
2. De godheid van Jezus (of: de maagdeijke geboorte)
3. Christus’ plaatsvervangend sterven
4. Christus’ lichamelijke opstanding
5. De echtheid van Christus’ wonderen

De overspelige vrouw en Jeremia

Job Borg vroeg:

Ik heb uw college op you tube (over o.a.de overspelige vrouw) volledig bekeken. Interessante video! Deze tekst uit Johannes zou volgens u niet in de oorspronkelijke versie van het NT voorkomen.

-Pint u zich nu niet erg vast op de kopieen uit de 2e eeuw?

-wat doet u met de duidelijke verwijzing in dezeJohannes-tekst naar Jeremia? Nieuwe testament legt hier toch een mooie link naar het Oude Testament?

vr.gr. Job Borg

Mijn antwoord was:

Bruce Metzger zei over deze “pericope adulterae”: “het bewijs voor een herkomst van deze perikoop van de overspelige vrouw buiten Johannes is overweldigend.”
De passage wordt in de belangrijkste handschriften weggelaten, inderdaad vooral in die van het Alexandrijnse teksttype. Maar van de zogenaamde westerse manuscripten heeft alleen codex D (een 9e eeuwse copie van de Claromontanus uit de 6e eeuw) deze passage. Het komt eigenlijk alleen voor in teksten van het Byzantijnse teksttype – en dat is in mijn ogen inderdaad een secundaire tekstgetuige. Ik lees de Byzantijnse tekst als een soort “commentaar” op de tekst, die ik vooral terugvind in de tekstgetuigen van het Alexandrijnse type en de vroege mss.
(Jammer dat de briljante Statenvertalers met een dergelijke slechte tekst (de Textus Receptus) moesten werken.)
Het ligt echter genuanceerder als we naar het interne bewijs kijken.
  • Zo valt de passage keurig in de context.
  • Er zit inderdaad een verwijzing in naar Jesaja 9:1, 2. (De verwijzing naar Jeremia heb ik niet gezien.)
  • Jezus heeft zichzelf beschreven als het licht van de wereld, en nu komt deze vrouw als het ware in dat licht te staan.
Maar er zijn ook argumenten tegen de authenticiteit van de passage.
  • Zo kun je de tekst weglaten zonder dat de voortgang van het evangelie wordt verstoord.
  • En misschien het belangrijkste: de stijl van de passage klopt niet met de rest van het evangelie, in woordkeus maar ook niet met de grammatica. Dat is bijvoorbeeld nog door Wallace betoogd in 1993.
  • De voortgang van de dagen is juist niet helemaal logisch te noemen.
Toch is de tekst heeft vele opzichten en briljante toevoeging, zodat ik het nodig vond om er toch commentaar op te geven in mijn boek over het evangelie naar Johannes. Het enige dat mij stoort is wat we lezen in 8:11, namelijk dat Jezus niet zegt: “ook ik veroordeel u niet, ga, en wees verzekerd van Gods vergeving”, of: “uw zonden zijn u vergeven”, maar veeleer een moralistische uitspraak doet, namelijk: “zondig niet meer”. Ik heb het gevoel dat dat niet helemaal klopt met de strekking van dit evangelie, dat wil laten zien dat alleen het geloof in Jezus als de Zoon van God vergeving van zonden kan schenken.
Mag ik jouw vraag en dit antwoord op de site plaatsen? Ik zou het leuk vinden als ook anderen bij onze kleine discussie betrokken konden raken.
De verwijzing naar Jeremia – die ik niet zag – is zoals Job aangaf te vinden in  Jeremia 17:13, waar we lezen
“13 HEERE, Hoop van Israël,
allen die U verlaten, zullen beschaamd worden.
Wie zich van mij afkeren, zullen in de aarde worden geschreven,
want zij hebben de bron van het levende water, de HEERE, verlaten.”
Dat vind ik wel een mooie vondst, al blijf ik met de vraag zitten hoe we dat hier moeten toepassen.
Mooi toch, zo’n kleine discussie? Ik heb er wat van geleerd!
Daarom: