De cherub van Tyrus

Over de koning van Tyrus wordt in Ezechiël 28 onder meer gezegd: “u was in Eden, de hof van God.” Waar precies was dan de koning van Tyrus? Komen we hem dan tegen in Genesis 2 of 3? Vers 13 spreekt over “de dag dat u geschapen bent.” Is dat een uitspraak die naar een troonsbestijging verwijst, zoals in de uitdrukking: “heden heb ik u verwekt”? Of hebben we met een scheppingsdaad te maken? Het volgende vers spreekt over de functie van deze koning: “u was een cherub die zijn vleugels beschermend uitspreidt.” En vers 15 zegt van de koning van Tyrus: “Volmaakt was u in al uw wegen.”

De val van de Satan

Kan dit alles gezegd worden van de menselijke koning van Tyrus? Ja, als we deze taal mogen beschouwen als poëtische verbeeldings-taal. Nee, als we de uitdrukkingen nemen als een beschrijving van een realiteit. (Poetische taal sluit een verwijzing naar de realiteit immers niet uit.) Onder de verwijzing naar de koning zit een symbolische referentie naar een cherub, een engel, die als taak had, “aangesteld was” (vers 14b), op “Gods berg”, om de schepping te beschermen.

De beeldspraak die als bovenlaag de tekst vormt, wordt echter verbroken in vers 16 waar over “de overvloed van uw handel” gesproken wordt. Dit vers is een sleutel voor het begrip van de hele passage. Hieraan wordt duidelijk dat al het andere beeldspraak is met als directe inhoud de gestalte van de duivel. Vers 16 maakt met het woord “handel” echter duidelijk dat de werkelijke koning van Tyrus met de duivel wordt vergeleken. De passage is echter niet aan hem,  maar aan de koning van Tyrus gewijd, zoals het opschrift in vers 12 duidelijk maakt. Zonder vers 12 en vers 16 zou dit een poëtische beschrijving van de duivel alleen zijn. 

Hoe moeten we dan de verhouding zien tussen beide? Twee mogelijkheden bieden zich aan. Moeten we zeggen dat niet de koning van Tyrus wordt aangesproken, maar de engel van Tyrus?  Volgens Willem Ouweneel wordt hier de “engel van Tyrus”  aangesproken. De tekst spreekt echter nadrukkelijk over de MELECH, de koning van Tyrus.  Hoe zit het dan met de referentie aan de Hof van Eden, als de koning van Tyrus zelf bedoeld zou zijn? Maar waarom dan het woord “handel”, als niet de werkelijke koning bedoeld wordt? 

Of moeten we zeggen dat we hier met een dubbele gestalte te maken hebben, d.w.z met een schets van de duivel die als een “overlay” over de koning van Tyrus wordt heengelegd. Waarom? Om zo duidelijk te maken dat de koning van Tyrus de duivel vertegenwoordigt en in feite een manifestatie is van de duivel precies ook in de geschiedenis van zijn val. De poëtische beschrijving van zijn val, is een symbolische referentie naar de zonde van de koning. Zijn troonsbestijging was een “aanstelling” om een beschermende macht, als het ware een “cherub” in de wereld te zijn. De overvloed van handel en de rijkdom – de edelstenen van vers 13 – werd verworven en gehandhaafd door geweld en dat was het begin van de specifieke zonde van de koning. 

God regeert over de koningen. De val van de koning kan herleid worden tot een prototype van de val van de satan die door God in deze wereld een positie van macht heeft gekregen. De bovenmenselijke machten zxijn door God toegelaten om de mens te beschermen. Om in gehoorzaamheid aan de Schepper als een herder te zorgen voor Zijn mensheid. De duivel en de demonen zijn niets anders dan instituties die macht hebben over velen, en die macht nu niet als herder, maar als verscheurend roofdier uitoefenen. Alle machten zijn immers uit en door en tot Christus geschapen.

De kenmerken van het reddende geloof bij Abraham – Rom. 4:13-25

13 – 15 Abraham niet gerechtvaardigd door de wet

13 Want niet door de wet is de belofte aan Abraham of zijn nageslacht gedaan dat hij een erfgenaam van de wereld zou zijn, maar door de gerechtigheid van het geloof. 14 Immers, als zij die uit de wet zijn, erfgenamen zijn, is het geloof zonder inhoud geworden en is de belofte tenietgedaan. 15 De wet brengt immers toorn teweeg, want waar geen wet is, is ook geen overtreding.

Het geloof van Abraham is hem toegerekend tot gerechtigheid. De eerste gedachte bij Paulus is, dat Abraham dus niet is gerechtvaardigd door de besnijdenis. De besnijdenis is een zegel van de gerechtigheid van het geloof. Maar dat geloof had Abraham al voordat hij besneden werd. Dat vinden we in vers 10 tot en met 14.

In vers 13 tot en met 15 vinden we dat Abraham ook niet gerechtvaardigd was door het onderhouden van de wet. De wet van Mozes immers werd pas 500 jaar later gegeven. De beloften aan Abraham, in Genesis 12 en 15 zijn dus niet verbonden met de wet van Mozes, maar alleen met de gerechtigheid van het geloof.

De belofte aan Abraham lag besloten in het verbond met Abraham. (Genesis 12,15, 18,22) Het verbond met Abraham had vier elementen. Volgens Genesis 15 geeft God een land aan de nakomelingen van Abraham – vijf eeuwen later onder Jozua is die belofte voorlopig vervuld. Voorlopig – want de omvang van het land dat aan Abraham is beloofd is vele malen groter dan het land dat feitelijk door Israël werd ingenomen.

In de tweede plaats beloofde God dat Abraham de vader van vele volkeren zou worden, en dat zijn nageslacht niet kon worden geteld. (Genesis 13:16, 15:5)

In de derde plaats beloofde God aan Abraham dat hij het middel zou zijn waardoor de hele wereld Gods zegen zou ontvangen.

In de vierde plaats lag in de belofte aan Abraham besloten dat in zijn zaad – en Paulus legt uit in Galaten 3:8 dat we daaronder Jezus moeten verstaan – de verlosser zou komen. God zou immers “voor Zichzelf het lam voor het brandoffer” voorzien.

Hebreeën 11 geeft ons daarvan een mooie samenvatting:

17 Door het geloof heeft Abraham, toen hij door God op de proef gesteld werd, Izak geofferd. En hij, die de beloften ontvangen had, heeft zijn eniggeborene geofferd.18 Tegen hem was gezegd: Dat van Izak zal uw nageslacht genoemd worden. Hij overlegde bij zichzelf dat God bij machte was hem zelfs uit de doden op te wekken.19 En hij kreeg hem als het ware daaruit ook terug.

Op een of andere wijze heeft Abraham de komst van de Messias kunnen voorzien. En het was door middel van deze Messias dan Abraham tot een zegen voor alle volkeren van de aarde zou zijn. Zo blijkt uit Johannes 8:56, waar Jezus zegt: ” Abraham, uw vader, verheugde zich er sterk op dat hij Mijn dag zou zien, en hij heeft die gezien en heeft zich verblijd.”

Waarom zegt Paulus dat Abraham niet uit de wet is gerechtvaardigd? Hij zegt immers in Romeinen 7 heel duidelijk dat die wet heilig is, en dat het gebod heilig en rechtvaardig en goed is. We moeten echter begrijpen dat de wet van Mozes nooit gegeven is als een middel tot behoudenis. De wet werd niet aan Israël voorgehouden als de perfecte standaard, maar als een liefdevolle gave van Gods wijsheid voor het leven van een verlost volk. Die verlossing was Gods soevereine daad in de uittocht uit Egypte. Die verlossing moest brengen tot vertrouwen en geloof in de God van Israël. De overgave aan deze God in geloof, wat Deuteronomium 30 de besnijdenis van het hart noemt, was de werkelijke basis van de verlossing.

De enige gerechtigheid die God ooit heeft erkend, is de gerechtigheid van het geloof, van de overgave aan God. Uiteindelijk is dus elke gerechtigheid op grond van genade. Hebreeën 12 zegt daarom dat Jezus de “voleinder van het geloof” is. Aan wie gelooft in de persoon en het werk van de Here Jezus, wordt dat geloof toegerekend als de eigen gerechtigheid van Christus. Christus Jezus is voor ons geworden: “wijsheid van Godswege, gerechtigheid, heiliging en verlossing” (1 Kor. 1:30). “Hem die geen zonde gekend heeft, heeft Hij voor ons tot zonde (zondoffer) gemaakt, opdat wij zouden worden gerechtigheid van God in Hem” (2 Kor. 5:21).

Stel nu eens dat iemand in Israël door het houden van de wet de perfecte gerechtigheid voor God uit zichzelf zou hebben verworven? Dan zouden zij erfgenamen zijn op grond van de wet. Maar dan is het geloof van Abraham betekenisloos of “zonder inhoud gemaakt.” Bovendien zou de belofte aan Abraham, een daad van vrije genade van God, ook betekenisloos zijn. Waarom zou God het geloof van Abram tot gerechtigheid rekenen, als Abraham dat al door eigen werken verdiend had? Waarom zou God zijn belofte aan Abraham houden, als uit zijn nageslacht in ieder geval enkelingen in staat waren gebleken om de wil van God perfect te doen? Geloof is de vaardigheid om te ontvangen wat God heeft beloofd. Maar als je ontvangt wat God heeft beloofd op grond van gehoorzaamheid aan de wet, dan is geloof overbodig. Als jij iemand iets belooft met een voorwaarde die mogelijk kan worden vervuld, dan is het feitelijk geen belofte meer.

De wet van Mozes kan als zodanig geen redding brengen. De wet brengt kennis van de zonde, en uiteindelijk Gods toorn. Hoe meer wij proberen onszelf te rechtvaardigen door Gods wet te onderhouden, temeer demonstreren wij ons onvermogen vanwege de zonde die over ons heerst. De wet openbaart dus de gerechtigheid van God, door de zonde van de mens te demonstreren. Dat wil niet zeggen dat de wet van Mozes geen enkele functie heeft, omdat ze niet de verlossing brengt. Wanneer je de wet van Mozes echter gaat zien als een door God aangewezen weg tot redding, een weg die zonder geloof kan worden betreden, dan maak je ook de door God wel degelijk gevraagde gehoorzaamheid onmogelijk. De gehoorzaamheid aan God is gebaseerd op ons geloof in de Redder, en berust daarmee dus ook op onze erkenning van onze zonden. Zonder de belofte en de genade en het geloof is die gehoorzaamheid aan God onmogelijk.

Vers 16 – 17 Abraham is gerechtvaardigd door Gods genade

16 Daarom is het uit het geloof, opdat het zou zijn naar genade, met als doel dat de belofte zeker zou zijn voor het hele nageslacht, niet voor dat wat uit de wet alleen is, maar ook voor dat wat uit het geloof van Abraham is, die een vader is van ons allen, 17 zoals geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gemaakt. Dit was hij tegenover Hem in Wie hij geloofd heeft, namelijk God, Die de doden levend maakt, en de dingen die niet zijn, roept alsof zij zijn.

Uiteindelijk is het Gods wil geweest dat de redding van zonde en dood, de vrijspraak in Gods oordeel, alleen op grond van genade zou zijn. Omdat het op grond van genade moet zijn, wordt ons geloof gerekend tot gerechtigheid. Ook ons geloof immers kan ons niet redden. Geloof is niet een bepaalde vorm van menselijke werken, of een of andere deugd. De macht van de redding ligt niet in ons geloof, maar in Gods genade waarin wij geloven. Het geloof van Abraham was immers niet op zichzelf genomen gerechtigheid, maar werd hem toegerekend als gerechtigheid. Ons geloof is geen gerechtigheid, maar is de erkenning van Gods genade waarmee Hij ons gerechtigheid schenkt.

Met name in de charismatische gemeenten zie je steeds deze denkfout, dat als de Schrift zegt dat iets “door het geloof”, of “uit het geloof” gebeurt, zij dat opvatten alsof het geloof de effectieve oorzaak ervan is. Zeggen “uw geloof heeft u behouden,” betekent echter hetzelfde als te zeggen: ” u bent behouden uit genade, die u in geloof hebt erkend.” Het geloof is niet de effectieve oorzaak, maar de genade, en het geloof is wat je zou kunnen noemen het zichtbare teken van die oorzaak.

Vers 18 – 25 de behoudenis is door Gods genade, niet door menselijke inspanning

18 En hij heeft tegen alles in gehoopt en geloofd dat hij een vader van vele volken zou worden, overeenkomstig wat gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. 19 En niet verzwakt in het geloof, heeft hij er niet op gelet dat zijn eigen lichaam reeds verstorven was – hij was ongeveer honderd jaar oud – en dat ook de moederschoot van Sara verstorven was. 20 En hij heeft aan de belofte van God niet getwijfeld door ongeloof, maar werd gesterkt in het geloof, terwijl hij God de eer gaf. 21 Hij was er ten volle van overtuigd dat God ook machtig was te doen wat beloofd was. 22 Daarom ook is het hem tot gerechtigheid gerekend. 23 Nu is het niet alleen ter wille van hem geschreven dat het hem toegerekend is, 24 maar ook ter wille van ons, aan wie het zal worden toegerekend, aan ons namelijk die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft, 25 Die om onze overtredingen is overgeleverd, en opgewekt om onze rechtvaardiging.

In deze verzen eindigt Paulus zijn weergave van Abraham als het voornaamste voorbeeld van een reddend geloof. In de behoudenis zijn zowel de genade van God als het geloof van een mens betrokken, maar dat zijn geen gelijkwaardige componenten, en het geloof is, zoals we gezien hebben, niet de effectieve oorzaak van de verlossing. Efeze 2 zegt het zo: “8 Want uit genade bent u zalig geworden, door het geloof, en dat niet uit u, het is de gave van God; 9 niet uit werken, opdat niemand zou roemen. 10 Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.

“Uit genade” is een uitdrukking voor de effectieve oorzaak. De genade bewerkt het. “Door het geloof” is een uitdrukking voor de meewerkende oorzaak. Het geloof maakt de bodem rijp voor de ontvangst van deze genade. Wanneer je een cadeau geeft, dan is de gever de effectieve oorzaak, maar de ontvanger moet het aannemen, om het schenken compleet te maken. De ontvanger is dus de meewerkende oorzaak. En om te benadrukken dat het geloof niet een oorzaak van behoud, en niet een menselijk werk of prestatie is, zegt Paulus hier nadrukkelijk: “niet uit u.” Wij zijn niet zelf de oorzaak van ons geloof, het geloof is dus niet onze prestatie of daad.

We spreken in de evangelische wereld wel eens van een keuze. Je zou kunnen zeggen dat de bekering die vorm wel heeft in ons bewustzijn. Wij lijken te kiezen voor het evangelie, tegen ons natuurlijke leven in de wereld. Hoewel we het zo zouden kunnen ervaren, moeten we serieus nemen wat Paulus meteen daarna zegt: “het is de gave van God.” Maar als God ons geloof schenkt, hoe kan het geloof dan onze keuze, onze daad, onze prestatie zijn? Wanneer jij een geschenk ontvangt van iemand, kun je toch moeilijk zeggen dat jij het jezelf hebt gegeven, of dat jij het cadeau zelf tot stand hebt gebracht, en zelfs niet dat jij dat cadeau gekozen hebt. (Sinterklaaslijstjes van hele jonge kinderen daargelaten.)

Het geloof van Abraham heeft zeven belangrijke kenmerken:

  1. Paulus zegt dat Abraham geloofd heeft “tegen hoop op hoop.” Hoop is het verlangen dat iets gebeuren zal; geloof is het vertrouwen dat iets waar is of gebeuren zal. Abraham heeft erop vertrouwd dat iets zou gebeuren, waar hij van een menselijk gezichtspunt uit gezien geen enkele basis voor had. Er was geen rechtvaardiging voor zijn hoop, behalve zijn vertrouwen dat God zou doen wat Hij gezegd had.
  2. Vervolgens zegt Paulus dat Abraham niet zwak werd in geloof, dat wil zeggen dat hij geen twijfel toeliet die het geloof kon ondermijnen. Hij wist al 40 jaar lang dat zijn God leven geeft aan de doden en tot het bestaan kan roepen wat niet eerder bestond (Rom. 4:17). Dat is heel bijzonder omdat Abraham een dergelijk wonder van opwekking nooit gezien had, en evenmin gezien had dat God iemand tot bestaan bracht. Toch was Abraham ervan overtuigd dat de Heere tot die dingen in staat was. Zo lezen we ook in Hebreeën 11:17-19, dat Abraham, toen zijn geloof werd getest, Isaac geofferd heeft. Waarom? “Hij heeft overwogen, dat God machtig was hem zelfs uit de doden op te wekken, waaruit hij hem ook bij gelijkenis teruggekregen heeft.”
  3. Abrahams geloof heeft als derde kenmerk dat hij niet werd ontmoedigd door zijn eigen natuurlijke zwakheden. Zijn eigen onwetendheid en zwakheden waren geen obstakels voor zijn vertrouwen in God. Toen de belofte kwam dat hij een kind zou krijgen bij Sara, heeft hij niet gekeken naar zijn eigen leeftijd – 100 jaar oud!
  4. Er kwam ook een moment dat Abraham eraan kon twijfelen of de belofte zou worden vervuld, toen de omstandigheden om hem heen die vervulling onmogelijk leken te maken. De hoge leeftijd van Sara b.v. was voor hem geen reden om te twijfelen.
  5. Ten vijfde, met betrekking tot de belofte van God is Abraham niet heen en weer gegaan van geloof naar ongeloof. Veel gelovigen gaan op die wijze onrustig heen en weer. Als naar menselijk gezichtspunt de dingen goed gaan, is het makkelijk om God te vertrouwen. Maar als de omstandigheden zwaar worden, is het eenvoudiger om geen vertrouwen te hebben. Zeker, Sara heeft uiteindelijk het punt bereikt dat ze God vertrouwde. Maar op het moment dat de belofte wordt gegeven begint ze te lachen – Genesis 18:12.
  6. Paulus zegt ten zesde dat het geloof van Abraham gekenmerkt wordt door het feit dat hij alle eer aan God gaf. Het door God vereiste maar ook geschonken geloof verheerlijkt God. Uiteraard, als Hij ook de bron is van dat geloof. Elk geloof dat geen heerlijkheid aan God toekent, komt niet uit Hem voort. Mensen verheerlijken God, door hun geloof, omdat ze daardoor bevestigen dat God het vertrouwen waard is. Elke poging om God te eren of te aanbidden zonder geloof, is waardeloos en zelfzuchtig. Wie niet gelooft, zegt Johannes zelfs, maakt God tot een leugenaar.
  7. Dan ten zevende, tenslotte, heeft Abraham volledig geaccepteerd dat wat God beloofd had, Hij ook in staat was te doen. En daarmee kunnen we zeggen dat het geloof in God van Abraham volledig en zonder reserves is geweest.

Vers 22 geeft het antwoord op Abrahams geloof van Godswege. Abraham was naar het vlees totaal niet bij machte om te handelen volgens de eis van volmaakte gerechtigheid. Over die eis van de goddelijke gerechtigheid, die God als schepper aan de mens mag opleggen en opgelegd heeft, heeft Paulus eerder gesproken. De eisende gerechtigheid van God maakte dit evangelie van geschonken gerechtigheid ook noodzakelijk. Maar de blijde boodschap over God is nu juist, dat de Here het geloof, dat Hij Zelf aan een mens heeft gegeven, (of mogelijk heeft gemaakt?) zal aanrekenen tot goddelijke gerechtigheid van de kant van de zondaar.

[De gedachte dat God het geloof niet simpelweg heeft geschonken maar alleen heeft mogelijk gemaakt, is een poging om de uitverkiezing en de wedergeboorte te verzoenen met de ervaring van de bekering. Je zegt dan dat wij weliswaar kiezen voor het evangelie, maar niet zonder een aanleiding of aanraking door de Heilige Geest. Het begrip uitverkiezing kan dan nog alleen maar betekenen, dat God van tevoren wist dat wij die keuze zouden maken. God heeft dan alleen de omstandigheden geschapen waaronder iemand met ons bijzondere karakter tot die keuze geneigd zou zijn. De genade van God is dan bij de bekering een meewerkende oorzaak.

Vanuit Romeinen 8 lijkt het erop dat we dit anders moeten zeggen. “En hen die Hij tevoren heeft bestemd”  – namelijk om aan het beeld van zijn Zoon gelijkvormig te zijn – ” heeft Hij ook geroepen.”  Waarbij we dan deze roeping moeten begrijpen als een soevereine daad van Gods genade die ons tot gelovigen heeft gemaakt. Dan schept God niet de omstandigheden waarin wij ertoe gebracht worden om een zelfstandige keuze te maken, maar is ons geloof een gevolg van deze “bestemming.” Gods genade is dan de effectieve oorzaak van ons geloof.]

In vers 23-25 maakt Paulus duidelijk dat dit niet uniek is voor Abraham. Ondanks het feit dat de inhoud van ons geloof het evangelie is van Jezus de Heere, de Opgestane uit de doden. Al eerder heeft Paulus gezegd dat Abraham van de betekenis van dit evangelie al doordrongen is geweest, zonder het in detail al te kennen. (Zoals Genesis 26 duidelijk maakt, dat Abraham al weet had van de concrete eisen van de gehoorzaamheid aan God, nog voordat de wet aan Mozes gegeven werd.) Ook ons geloof wordt gerekend tot gerechtigheid. En dat niet alleen, maar de inhoud van ons geloof – namelijk dat Christus gestorven is voor onze zonden, en opgestaan vanwege onze rechtvaardiging – was ook de grondslag van de toerekening van gerechtigheid aan Abraham. Wij mogen helder weten, wat Abraham alleen kon vermoeden. Want ” Abraham verheugde zich om Mijn dag te zien et cetera.”

Geloof is een noodzakelijke voorwaarde voor de behoudenis. Maar dat geloof is vooral een geloof in God Zelf. Dat maakt vers 24 duidelijk. Wij, “die geloven in Hem Die Jezus, onze Heere, uit de doden opgewekt heeft,” hebben hetzelfde geloof als Abraham, die geloofde dat de Heere Isaac uit de doden kon opwekken.

Anders dan Abraham kennen wij het middel op grond waarvan ons geloof tot gerechtigheid gerekend wordt. Wij geloven dat God de Vader Jezus uit de doden heeft opgewekt. Wij geloven dat Jezus werd overgeleverd aan de dood vanwege onze overtredingen, en werd opgewekt tot onze rechtvaardiging. Jezus Christus werd overgeleverd om het doodvonnis te ondergaan dat de passende straf was voor onze overtredingen. Jezus is opgestaan uit de doden om ons de rechtvaardiging (vrijspraak) te geven tegenover God die wij nooit hadden kunnen bereiken op eigen kracht of op grond van onze eigen verdiensten.

Het Paasoffer – Exodus 12:7-13

EXODUS 12


7 En zij zullen van het bloed nemen en het aan de beide deurposten strijken en aan de bovendorpel, aan de huizen waarin zij het eten zullen.


Van het bloed te nemen – in het bloed is immers het leven, en het verschieten van het bloed van het dier als een plaatsvervanger van het bloed van een mens, is het bijzondere symbool van de verzoening. Dat is de strekking van het bloedige offer.
Het bloed moet worden genomen door een huisgezin, dat wil zeggen door de vader van het huis. Vanwege de onreinheid van het volk werd later bepaald dat de Levieten dit offer zouden uitvoeren, volgens 2 Kronieken 30:17, “er waren er velen onder de gemeente die zich niet geheiligd hadden. Daarom waren de Levieten belast met het slachten van de paaslammeren voor ieder die niet rein was, om hen voor de Heere te heiligen.”

Strijken – met een bundel hyssop als een soort kwast gedoopt in het bloed werden de zijkanten van de deur bestreken. Waarom de zijkanten? Omdat de verderfengel door deze deur zou binnengaan en dan zowel links als rechts het teken van de bescherming zou zien.

De bovendorpel – dit woord lijkt in het bijzonder te slaan op de opening boven de deur die in Egyptische huizen was voorzien van een vlechtwerk van latjes. Doorgaans denkt men hier echter simpelweg aan de bovenkant van een deur, maar dit is alleen een opening in het huis waar een kleed voor kon worden gehangen.


8 En het vlees moet u dezelfde nacht nog eten; op vuur gebraden, met ongezuurde broden, en met bittere kruiden moeten zij het eten.


Gebraden – bij de offers in het Oude Testament moet het vlees doorgaans gekookt. Zie de beschrijving van het priesterlijke werk van de zonen van Eli in 1 Samuel 2:13, 14. Waarom gebraden? Braden gaat sneller en is eenvoudiger dan koken; het vuur kan gezien worden als een symbool van het oordeel; koken van een heel dier is lastiger dan het braden ervan.

Met bittere kruiden – letterlijk met bitterheden. In de Misjna vinden we wilde sla, brandnetels, en andijvie onder andere als voorbeelden van bittere kruiden.


9 U mag daarvan niets rauw eten, en zeker niet in water gekookt, maar alleen op vuur gebraden, met zijn kop, met zijn poten en zijn ingewanden.


Niets rauw eten – zoals in vele andere godsdiensten gebruikelijk was, met name in de Griekse godsdienst van Bacchus.

Met zijn kop, met zijn poten – waarom het hele dier? Omdat het hier een symbool is van de eenheid van Israël, of omdat het een symbool is van het ongebroken lichaam van Christus, die het ware Paaslam is.

De ingewanden – volgens de Joodse traditie werden die ingewanden er eerst uitgehaald, gewassen, het bloed werd eruit gehaald en daarna werden ze weer teruggeplaatst in het lam.


10 U mag daarvan ook niets overlaten tot de morgen. Wat er de volgende morgen van over is, moet u met vuur verbranden.


Niets overlaten – het gehele lam moet door de familie en de gasten in één maaltijd worden opgegeten. Wat er overbleefvan de maaltijd zoals de botten en vleesresten moest worden verbrand om te voorkomen dat het op een minachtende wijze werd gebruikt, bijvoorbeeld wordt weggegooid.

Met vuur verbranden – zonder dat dit zelf een ceremoniële betekenis had.


11 En zo moet u het eten: uw middel omgord, uw schoenen aan uw voeten en uw staf in uw hand. U moet het met haast eten, het is Pascha voor de HEERE.


Uw middel omgord et cetera – geheel en al voorbereid op een lange reis. Niet aangekleed zoals je het in huis gewend zou zijn. Deze verplichting geldt volgens sommigen alleen maar voor deze eerste viering van het Pasen, terwijl anderen ook nog op de huidige dag dit als voorschrift nemen.
Met haast – want je weet niet wanneer de reis naar het beloofde land begint.


12 Want Ik zal in deze nacht door het land Egypte trekken en alle eerstgeborenen in het land Egypte treffen, van de mensen tot het vee. En Ik zal aan al de goden van de Egyptenaren strafgerichten voltrekken, Ik, de HEERE.


Ik zal door het land Egypte trekken – dat is de reden van dit nieuwe feest en een verklaring van de uitdrukking Pesach. De eerstgeborenen van elk huis zal worden geraakt. Dat geldt niet per se voor het vee, want het lijkt erop dat daarmee de dieren worden aangeduid die als symbool bij de verschillende Egyptische goden behoren. De uitdrukking “aan al de goden van de Egyptenaren” lijkt dus een verklaring te geven voor het slaan van de eerstgeborenen van het vee.


13 En het bloed zal u tot een teken zijn aan de huizen waarin u verblijft. Als Ik het bloed zie, zal Ik u voorbijgaan en er zal geen plaag onder u zijn die verderf teweegbrengt, als Ik het land Egypte zal treffen.


Het bloed zal u tot een teken zijn – het is een teken voor God of de verderfengel, ten behoeve van de Israëlieten. Het is niet een teken voor de Israëlieten.

Zal Ik u voorbijgaan – dat is de kern van Pesach, Wanneer God voorbijgaat (passah) aan de Israëlieten van wie de deuren met bloed zijn gemarkeerd.

Exodus 12:1-6 (2) in de Christelijke exegese

Midden in het dramatische conflict tussen de Here en de goden van Egypte, is er deze onderbreking. Drie verschillende belangrijke wetten worden hier, dat wil zeggen in Egypte, geïntroduceerd. Pesach, ongezuurde broden en de wijding van de eerstgeborene krijgen hun plaatsen daarmee ook hun betekenis juist binnen het verhaal van de exodus. De boodschap van alle drie deze feesten is eenvoudigweg dat Israël eigendom is van de Here vanwege de redding van het volk. Doorgaan met het lezen van “Exodus 12:1-6 (2) in de Christelijke exegese”

Dat moeilijke geloof… Exegetische problemen in Rom. 1:17 – (eerste ruwe versie van de inleiding)

“Niet immers schaam ik mij voor het evangelie, want een kracht van God is het tot behoud voor een ieder die gelooft, en wel eerst voor de Jood en dan ook voor de Griek.
Gerechtigheid immers van God wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, zoals geschreven staat, ‘maar de rechtvaardige zal uit geloof (over –) leven.'”

Een bijzonder moeilijke tekst in het eerste hoofdstuk van de brief aan de Romeinen zijn deze verzen 16 en 17. Wanneer aan deze verzen inderdaad de functie toekomt het thema van de brief te omschrijven, is het eigenlijk vreemd dat Paulus hier een uitdrukking gebruikt die op het eerste gezicht helemaal niet zo helder is. Het gaat om de uitdrukking “uit geloof tot geloof”, dat zowel op de gerechtigheid kan slaan, als op het woord geopenbaard. Gaat het om een gerechtigheid die het geloof als bron of voorwaarde heeft? Of gaat het om een gerechtigheid die wordt erkend of ontvangen vanuit geloof? Gaat het om een geloof dat bij een individu groeit tot meer geloof? Of om een geloof dat aanstekelijk werkt en anderen tot geloof brengt? Of is het subject van het eerste geloof iemand anders dan wij en moeten we denken aan de trouw, bijvoorbeeld de trouw aan het verbond, dat de Here Jezus kenmerkte?

Aan het woord “geloof” kleeft ook nog de dubbelzinnigheid, dat het zowel om een benaming van het evangelie met verstand en wil kan gaan, als ook om datgene wat met verstand en wil wordt erkend, terwijl het ook de eenvoudiger connotatie van vertrouwen of trouw kan hebben.

De oplossingen die in de exegetische literatuur te vinden zijn, lopen sterk uiteen. We geven een overzicht:

  1. Thomas van Aquino, “deze gerechtigheid van God wordt geopenbaard in het evangelie voorzover mensen worden gerechtvaardigd door geloof in het evangelie in elk tijdperk. Daarom voegt hij eraan toe ‘ uit geloof tot geloof’, dat wil zeggen, vanuit het geloof binnen het Oude Testament tot het geloof in het Nieuwe Testament, omdat in beide gevallen mensen rechtvaardig worden gemaakt en worden gered door geloof in Christus, omdat zij hebben geloofd in Zijn komst met het zelfde geloof dat wij hebben dat Hij gekomen is. […]
    Het kan echter ook betekenen: van het geloof van de predikers tot het geloof van de hoorders – Rom. 10:14. Of van het geloof in het ene geloofsartikel tot het andere, omdat rechtvaardiging het geloof in alle artikelen van het geloof vereist: ‘zalig is hij die de woorden van deze profetie leest en hoort’ (Op. 1:3).
  2. Johannes Calvijn (noot 1): gerechtigheid wordt door het evangelie aangeboden, het wordt door geloof ontvangen. Dus: uit geloof, d.w.z. uit het evangelie dat wij geloven. En hij voegt toe “tot geloof; want als ons geloof voortgang maakt en vooruitgaat in kennis, wordt ook de gerechtigheid van God in ons groter, en het bezit ervan wordt op zekere wijze bevestigd.” Het gaat dus om de dagelijkse vooruitgang die elke gelovige doormaakt.
  3. Kanttekeningen bij de Statenvertaling op Rom. 1:17.  Hier sluit men aan bij Calvijn. “36. Dat is, tot dagelijkse toeneming en versterking in het geloof.”
  4. BMK, de verklarende kanttekeningen van Dr. H.M. Matter: “de gerechtigheid is uit het geloof, dat wil zeggen we kunnen haar niet verwerven, zelfs niet uitdenken. We kunnen haar slechts als voldongen feit geloven. We zouden het kortweg kunnen weergeven door g”eloofsgerechtigheid” in tegenstelling tot de “werkgerechtigheid” der Joden. “Tot geloof” onderstreept het voorafgaande uit geloof nog eens. (…) Ons geloof wordt integendeel steeds meer geloof.”
  5. NET: “het zou kunnen betekenen dat deze gerechtigheid door het geloof wordt verworven omdat het voor geloof bestemd was.”
  6. MNC, John MacArthur: “uit geloof tot geloof lijkt een parallel te zijn van “een ieder die gelooft” in het voorafgaande vers. Als dat zo is, dan betekent het zoiets als “van geloof tot geloof tot geloof tot geloof,” alsof Paulus het geloof van elke individuele gelovige apart wilde benoemen.” Een keten van mensen die tot bekering komen.
  7. CNT (Jakob van Bruggen): Je zou kunnen zeggen: “de gerechtigheid van God wordt openbaar in het evangelie van geloof tot geloof.” Het evangelie kan enkel en alleen door geloof worden aangenomen. Deze interpretatie verwerpt Van Brugge echter en zegt het volgende: “het accent ligt op het evangelie als gebeurtenis van verkondiging in die tijd. Het evangelie verspreidde zich in de wereld als een lopend vuurtje van het geloof van de ene prediker naar het geloof van de andere gelovende.” Het geloof verbreidt zich dus ook van de joodse christenen naar de niet-joodse christenen toe. Belangrijk is ook dat Van Brugge de mogelijkheid verwerpt dat Paulus deze woorden gebruikt als een exegese van het citaat uit Habakuk. Het gaat er alleen maar om dat het geloof een kracht is tot behoud. Wanneer het wel een uitleg zou zijn van dit citaat, dan kan het niet gaan om het “overslaan van het geloof van de een op de andere dankzij het evangelie.”
  8. NIBC, “in het licht van 3:21-22 is de meest natuurlijke betekenis “vanuit Gods trouw tot menselijke trouw.” (Zo ook James Dunn.) De tekst in het derde hoofdstuk zegt “door het geloof [van Jezus Christus ] tot allen die geloven.” Als we de genitivus moeten lezen als een genitivus objectivus – dus als het geloof in Jezus Christus – is er echter geen sprake van een parallel tussen 3:21 e.v. en 1:17.
  9. IB, “de lastige uitdrukking, letterlijk weergegeven als uit geloof tot geloof, is waarschijnlijk alleen maar een manier om het exclusieve belang van het geloof te benadrukken, alsof je kan zeggen, “geloof van begin tot eind.” (Gerald R. Cragg) Het citaat van Habakuk past niet helemaal bij deze gedachte, maar ondersteunt het idee van Paulus dat dit geloof al in het Oude Testament is aangekondigd.
  10. EBC is van mening dat de uitdrukking “uit geloof” geen verwijzing is naar een uitgangspunt, noch het uitgangspunt van Gods trouw, noch het uitgangspunt van het geloof van een prediker. Het Griekse voorzetsel is immers niet apo, dat naar een herkomst verwijst, maar ek, dat door Paulus regelmatig samen met geloof wordt gebruikt om te spreken over de grondslag van de rechtvaar-diging. Of van de gerechtigheid. De term gerechtigheid kan vaak de kracht krijgen van de rechtvaardiging. Problematisch is alleen de uitdrukking tot geloof. “Misschien wil dit zeggen dat de gelovigen moet worden vermaand dat het geloof dat rechtvaardigt alleen het begin van het christelijk leven is. Dezelfde houding van het geloof moet ook dominant zijn in de voortgaande ervaring van gelovigen als kinderen van God.” Harrison en Hagner citeren met instemming Bruce, dat het citaat van Habakuk eigenlijk de tekst is van deze hele brief; “wat hierna volgt is in hoge mate een expositie van de woorden van de profeet.”
  11. Enduring Word (David Guzik) – “door geloof van begin tot eind.” Dat wil zeggen niet vanuit geloof tot werken, of uit werken tot geloof; maar van geloof tot geloof, dat is “alleen door geloof.”

De uitleg van vers 17 door de eeuwen heen en verspreid over verschillende tradities kan ruwweg in drie categorieën worden ingedeeld. Wat betekent de uitdrukking van geloof tot geloof?

1) het verwijst naar de voortgang van het evangelie door de prediking.
2) het verwijst naar de voortgang van het evangelie in het leven van een christen
3) het is een omschrijving van het evangelie: Gods trouw tot (ons) geloof

Welke van deze drie interpretaties wordt nu door de context gesteund?

Paulus heeft net hiervoor gezegd dat hij bereid is het evangelie te verkondigen. Het is immers een kracht tot behoudenis. In het evangelie wordt immers de gerechtigheid van God geopenbaard – een gerechtigheid die in het eerstvolgende gedeelte vooral gezien wordt als Gods maatstaf van gerechtigheid tegenover een goddeloze en onrechtvaardige wereld. Dat wordt helder in vers 18.

In de onmiddellijke context is de uitdrukking “voor ieder die gelooft” die eraan voorafgaat, en het citaat van Habakuk dat erop volgt van groot belang. Paulus introduceert de term “geloof” in eerste instantie in verband met de behoudenis. Die behoudenis ligt volgens het geheel van de brief in het ontvangen van Gods gerechtigheid als een gave. Geloof is dus vooral het aannemen van het aanbod van het evangelie. De erkenning van de gerechtigheid van Christus waaraan ik deel mag krijgen als ik mij daartoe wend in geloof.

Op grond hiervan lijkt mij de eerste uitleg niet helemaal ter zake. Wanneer het zou gaan om de prediking, dan leggen we een verband met vers 6 en vers 15. Paulus die het evangelie wil verkondigen in Rome, laat die gedachte mee klinken in de uitdrukking van geloof tot geloof. Ook vers 6 krijgt dan gewicht, waar Paulus spreekt over het feit dat het geloof van de gemeente in Rome over de hele wereld bekend is geraakt. Op grond daarvan zou je kunnen besluiten dat de prediking van het evangelie aan de orde is in de uitdrukking van geloof tot geloof. Het lijkt mij echter dat we daardoor de directe context te zeer verwaarlozen.

Ook de tweede uitleg is onbevredigend, omdat we voor die benadering helemaal geen aanknopingspunt hebben in de context. Hooguit zou je kunnen zeggen dat de vertroosting door elkaars geloof in vers 12 dan zou meewegen in de uitdrukking van vers 17. Ook dat lijkt mij te ver weg voor de uitleg van deze problematische uitdrukking.

Dan blijven er twee mogelijkheden over. Wanneer we het voorafgaande vers 16 benadrukken, zou de uitdrukking van geloof tot geloof te maken kunnen hebben met het ontvangen van de gerechtigheid van God door geloof in Jezus. Dat geloof is de voorwaarde van het ontvangen van Gods gerechtigheid, dat wil zeggen van de behoudenis. Het evangelie openbaart dat de gerechtigheid van God alleen maar door geloof kan worden aangenomen. Uit geloof betekent dan zoiets als “alleen maar door geloof aan te nemen”. Dat is dan de eerste mogelijkheid: in het evangelie wordt geopenbaard, dat de gerechtigheid (dat wil zeggen de rechtvaardiging die wij ontvangen) het geloof als grondslag heeft.

Dan blijven we echter zitten met de eigenlijk overbodige uitdrukking “tot geloof.” De verklaring van sommigen dat Paulus daarmee alleen maar een nadruk wil geven is voor mij niet bevredigend. De kanttekening van de EBC, dat het voorzetsel ek doorgaans bij Paulus gebruikt wordt om de grondslag aan te geven en niet de herkomst, moeten we hier ook verdisconteren.

Wanneer de gerechtigheid is op grond van geloof, wat betekent het dan dat ze ook “tot geloof” is? Zou het kunnen zijn dat Paulus “uit geloof” in verband brengt met vervullen van de voorwaarde voor het ontvangen van de gerechtigheid, en tot geloof verbindt met de openbaring daarvan? De gerechtigheid in het evangelie wordt ontvangen door het geloof, en is geopenbaard om dat geloof op te roepen.

Het nadeel echter van deze optie is, dat het citaat van Habakuk in het tweede deel van vers 17 nu geen belangrijk doel meer dient. Het illustreert alleen een samenhang tussen gerechtigheid en geloof. Is het wel zo zeker dat Paulus geen exegese van dit vers probeert te geven?

Sommigen sluiten deze mogelijkheid uit, ook met een beroep op het feit dat de lezers in Rome over het algemeen geen Hebreeuws kunnen lezen, en de Hebreeuwse tekst van Habakuk dus ook niet in het hoofd hebben. Die Hebreeuwse tekst bevat namelijk een dubbelzinnigheid. Letterlijk staat daar: “en (of: maar) de rechtvaardige zal leven in (door) “zijn” geloof. Het woordje “zijn” is in het Hebreeuws maar een enkele letter, een zogenaamde wav. De Hebreeuwse tekst maakt niet duidelijk of de rechtvaardige leven zal op grond van zijn geloof, dat wil zeggen zijn trouw en vertrouwen binnen het verbond, of dat hij zal leven op grond van Zijn, dat is Gods trouw aan het Verbond. Die ambiguïteit is wellicht ook opzettelijk. Het is juist de bedoeling, dat we met deze beide vertaalmogelijkheden rekening houden.

In het Grieks kan Paulus die mogelijkheden suggereren door het woordje “zijn” gewoon weg te laten. En daarmee is een exegese van de tekst van Habakuk voorbereid. Gerechtigheid van God wordt geopenbaard op grond van Gods trouw (uit geloof) die het vertrouwen en de trouw van de gelovigen mogelijk maakt (tot geloof). Dat is dan ook dezelfde gedachte van hoofdstuk 3:26.

Het lijkt daarmee duidelijk geworden dat de beste benadering ligt in de derde mogelijkheid. De behouden s is voor ieen eder die zijn geloof stelt in het evangelie. In dat evangelie wordt Gods gerechtigheid immers geopenbaard op een bijzondere wijze. Gerechtigheid van God blijkt te zijn een daad van Gods trouw die ontvangen wordt en erkend wordt in ons geloof. De gerechtvaardigde op grond van Gods trouw die zal leven. Want de gerechtigheid die nodig is om staande te blijven in het oordeel, wordt ontvangen en niet tot stand gebracht.

NOTEN


(1) When at first we taste the gospel, we indeed see God’s smiling countenance turned towards us, but at a distance: the more the knowledge of true religion grows in us, by coming as it were nearer, we behold God’s favor more clearly and more familiarly. What some think, that there is here an implied comparison between the Old and New Testament, is more refined than well-founded; for Paul does not here compare the Fathers who lived under the law with us, but points out the daily progress that is made by every one of the faithful. Calvin ad locum.

Johannes 1:1-6 – Grieks, met een nawoord van Augustinus.

Christenen hebben, anders dan joden en moslims, weinig of geen toegang tot de oerteksten van hun geloof.

Bijna niemand neemt de moeite om de Bijbel te lezen – te bestuderen – in een vertaling, laat staan met de nodige commentaren en in het Hebreeuws en Grieks. Er is nóg een gebrek: dat wij de tradities niet kennen, de gedachten van de Bijbellezers vóór ons die al over de Bijbel nagedacht hebben.

Zo iemand is Augustinus, die we uiteraard niet volgen in zijn hele theologie, maar die ons bij het lezen van zijn teksten wel dwingt om opnieuw na te denken over de Bijelse tekst. Soms geeft dat verrassend nieuwe inzichten.

Deze video wil laten zien hoe belangrijk kennis van het Grieks en de grammatika is om een tekst als Johannes 1:1-6 werkelijk te verstaan. En daarnaast wil het aan een enkele passage van Augustinus laten zien hoe belangrijk de kennis van de oude tradities is.

In de joodse benadering van de Schriften hebben we een goed voorbeeld van een andere en betere manier van lezen. De tekst in het Hebreeuws blijft het uitgangspunt; kennis van de grondtaal en de grammatika is cuciaal voor het correcte begrip en dus ook de gehoorzaamheid aan Gods woord. De traditie spreekt mee in de Talmoed, de Midrasj en in de joodse exegese door de eeuwen heen. Volgens mij is dat voorbeeldig!

Maar niet alleen dat wij moeten en mogen leren van de Rabbijnen, zoals ik elders uitvoerig betoogd heb, maar we moeten en mogen ook leren van onze eigen “Talmoed” de rijke traditie van de Apostolische Vaders en van de patristieke literatuur, waarvan Augustinus een uitstekend voorbeeld is.

De Getrouwe op het witte Paard – Openbaring 19

Dan komt het einde. Nu zitten we in de sfeer van de voltooiing, terwijl we vanaf het zesde tot en met het 18e hoofdstuk in de sfeer zaten van de rechtvaardige oordelen. Nu is de behoudenis en de heerlijkheid en de macht van God volledig geopenbaard. Nu, dat wil zeggen met het oordeel over Babylon. Voor ons gevoel is het misschien vreemd dat hier een gejubel uitbreekt over de machtige oordelen die God over de aarde brengt. Maar de nadruk ligt ook eerder op de waarheid en de gerechtigheid die daardoor mogelijk worden, dan op het leed dat ongetwijfeld deze oordelen ook hebben gebracht. Doorgaan met het lezen van “De Getrouwe op het witte Paard – Openbaring 19”

De vrouw en het beest – Openbaring #17

Het grote Babylon wordt hier in zijn geheel beschreven, wellicht aan de hand van een munt, geslagen voor Vespasianus, met daarop de Dea Roma, gezeten op zeven heuvels, met de god Tiber aan de linkerzijde, en de wolvin met Romulus en Remus aan haar rechterhand. Uiteraard draagt ze een zwaard.

Een dergelijke beschrijving van een munt – op zijn beurt waarschijnlijk afgeleid van een bronzen of marmeren monument voor Vespasianus – kwam veel voor en heette een “ekfrasis”. Krijgt Johannes hier in een visioen de ware aard te zien van wat monument en munt hebben afgebeeld?

De Hoer van Babylon  gaat vallen. Juist door de volkeren en staten die ze onder haar macht had. Wanneer de tien koningen zich tegen haar verzetten, is het einde nabij. Daarover meer in Openbaring #18.

Openbaring 11 – de Twee Getuigen en de Proclamatie van het Koninkrijk

Eerste deel van de bespreking van Openbaring 11.

In dit gedeelte vinden we eerst het optreden van de twee getuigen, waarin we vanwege het zesde vers, Mozes en Elia kunnen herkennen. In ieder geval twee figuren die over de attributen van Mozes en Elia kunnen beschikken.

Tweede deel van de bespreking van Openbaring 11.

Na drieënhalf jaar overwint het beest uit de afgrond deze getuigen. Hun lijken liggen op de straat van Jeruzalem, dat door de volkeren onder de voet is gelopen. De hele wereld verblijdt zich over de ondergang van deze profeten. Na drieënhalve dag worden ze uit de dood opgewekt en zien hun vijanden hun hemelvaart.

Het derde en laatste gedeelte van Openbaring 11 geeft ons een scène in de hemel: de proclamatie van het koningschap van God en Christus. De 24 oudsten (engelen, en niet de gemeente van Christus) lopen vooruit op het oordeel over de doden in hoofdstuk 20, de beloning voor de heiligen in hoofdstuk 21 en 22, en de vernietiging van de machten van de draak en het beest in hoofdstuk 19.

Alle drie deze delen als één geheel: