Hieronder een samenvatting van de hoofdlijnen van de Bijbelbespreking in schagen van vandaag, 23 februari.
Paulus laat me de laatste tijd niet los. Niet omdat hij zo eenvoudig te plaatsen is, maar juist omdat hij zich voortdurend aan iedere poging tot vastpinnen onttrekt. We lezen hem allemaal anders: mennonieten, gereformeerden, katholieken, elk vanuit een eigen traditie en met een eigen bril. En sinds de jaren tachtig is het Paulus‑onderzoek in een stroomversnelling geraakt. Eerst was er de nieuwe Paulusbeweging, toen de nieuwe nieuwe Paulusbeweging, en telkens weer komt dezelfde conclusie terug dat we het niet weten. Staat Paulus aan de kant van het Jodendom? Ja, maar welk Jodendom dan? Of is hij er juist al voorbij? En waarom is hij überhaupt zo belangrijk geworden, terwijl hij zo sterk afwijkt van de Jezus van de evangeliën? Lucas komt nog enigszins in de buurt, maar Matteüs en Johannes vertellen een totaal ander verhaal.
In onze doopsgezinde traditie hebben we altijd een zekere afstand tot Paulus gehouden. Dat danken we aan Menno Simons, die de aardse Jezus centraal stelt: de prediker van het Koninkrijk, de man van de Bergrede, de gekruisigde en opgestane mens van vlees en bloed. Paulus daarentegen zegt ergens dat wij Christus niet meer naar het vlees kennen. Daarmee verdwijnt de concrete Jezus achter een kosmische Christusfiguur. Voor Menno is dat onverteerbaar. En eerlijk gezegd begrijp ik dat. Want Paulus is een vat vol tegenstrijdigheden. De ene keer bevestigt hij de Tora, de andere keer schaft hij haar af. De ene keer zegt hij dat besnijdenis niets betekent, de andere keer dat wie besneden is dat vooral zo moet laten. Hij is Joods en anti‑Joods tegelijk, streng en vrij, mystiek en rationeel. Hij is alles en zijn tegendeel.
Ik heb veel gehad aan John Howard Yoder, die Paulus niet als openbaring leest maar als de eerste theoloog. Paulus probeert te begrijpen wat er met Jezus is gebeurd. En dat betekent dat wij hem niet hoeven te volgen als autoriteit, maar dat we met hem in gesprek mogen gaan. Soms mogen we zelfs zeggen dat wij het anders zien. Dat is geen gebrek aan eerbied, maar precies wat theologie is: een gesprek dat nooit af is. En dat gesprek wordt nog interessanter wanneer je ziet hoe sommige woorden van Paulus door de geschiedenis heen een eigen leven zijn gaan leiden. Zijn uitspraak in Galaten dat zelfs een engel uit de hemel vervloekt is als hij een ander evangelie brengt, is een voorbeeld van zijn temperament. Maar het is ook een voorbeeld van hoe theologie in de eerste eeuw steeds meer een Grieks‑filosofische vorm krijgt: zo zit het, en niet anders.
De meest overtuigende lezing die ik de laatste tijd ben tegengekomen, is die van Mark Nanos. Hij zegt dat Paulus één grote droom had: dat Israël verrijkt zou worden door niet‑Joden die de God van Israël erkennen. Niet door hen Joods te maken, maar juist door hen onbesneden te laten. Een groter Israël, waarin Joden de Tora houden en niet‑Joden broeders en zusters worden. Maar dat project is mislukt. De heidenen wilden de Joden niet, en de Joden wilden de heidenen niet. Wat overbleef was de kerk, een gemeenschap die zich steeds verder verwijderde van haar Joodse wortels. En dat heeft gevolgen gehad die Paulus nooit heeft kunnen voorzien.
Dat zie je vooral in Romeinen 9–11, waar Paulus probeert te verklaren waarom Israël de Messias niet accepteert. Hij bedenkt een theologische constructie: God zou het hart van Israël verharden, zodat niet‑Joden nog tijd hadden om binnen te komen. In zijn tijd was dat een briljante gedachte. Maar woorden hebben een geschiedenis die zich niets aantrekt van bedoelingen. Eeuwen later werd dit gelezen als een oordeel over Israël: blind, verstokt, koppig. En dat leidde tot jodenvervolging, en uiteindelijk tot de Holocaust. Paulus bedoelde het anders, maar de geschiedenis is niet mild voor theologische subtiliteiten.
Daar komt bij dat Paulus zelf een ingewikkelde verhouding had tot zijn Joodse achtergrond. Hij vervolgt de gemeente, krijgt zijn Damascusvisioen, gaat naar Arabië, keert terug als prediker, en wordt in Jeruzalem met argwaan bekeken. Hij beweert dat hem een geheim is toevertrouwd, dat hij drie jaar heeft gestudeerd, dat hij het beter weet dan wie dan ook. En tegelijk blijft hij Jood genoeg om een gelofte af te leggen en naar de tempel te gaan om een offer te brengen. Hij besnijdt Timotheüs omdat diens Joodse moeder dat vereist, maar weigert Titus te besnijden omdat diens achtergrond anders ligt. Hij verdedigt de Tora als heilig en goed, maar zegt dat zij niemand bevrijdt. Hij is een man die voortdurend laveert tussen overtuiging en praktijk.
En dan is er nog de Brief aan de Hebreeën, geschreven na de verwoesting van de tempel. Die brief zegt dat de tempel niet meer nodig is, dat Jezus de nieuwe hogepriester is, dat offers vervangen zijn door liederen en gebeden. Het is een polemische tekst die de Joodse traditie achter zich laat. En het is precies die beweging — weg van Israël, weg van de Tora, weg van de Joodse wortels — die de kerk uiteindelijk heeft gevormd. Niet door Paulus’ bedoeling, maar door de geschiedenis die zich over hem heen heeft uitgerold.
In onze eigen traditie is het geloof nooit primair een kwestie van juiste leer geweest. Valstar zei het zo: wij zijn niet orthodox, wij zijn orthopraktisch. Niet de juiste leer, maar het juiste leven. Niet de macht van de staat, maar de weg van Jezus. Niet geweld, maar vrede. Niet dogma, maar navolging. En precies daar schuurt Paulus opnieuw. Want Paulus is niet alleen theoloog, hij is ook romanticus. Hij zoekt bevrijding van het juk van de Tora, een bevrijding die voor Joden in zijn tijd helemaal niet nodig was. Zij droegen dat juk met trots. Paulus wilde het kwijt. En dat verlangen heeft zijn theologie gevormd.
Wat mij steeds duidelijker wordt, is dat Paulus geen eindpunt is. Hij is een beginpunt. Een gesprekspartner. Iemand die je moet bevragen, tegenspreken, corrigeren, waarderen. Iemand die je niet moet aanbidden, maar moet lezen met open ogen. En misschien is dat wel de enige manier om Paulus recht te doen: niet als autoriteit, maar als iemand die ons uitnodigt om verder te denken. Niet als dogmaticus, maar als zoeker. Niet als systeem, maar als stem. Een stem die nog steeds klinkt, soms scherp, soms verwarrend, soms inspirerend, maar altijd de moeite waard om naar te luisteren.