De hedendaagse berichtgeving over het Israël–Gaza‑conflict roept vaak verbazing op, vooral door de snelle en kritiekloze verspreiding van informatie die afkomstig is van Hamas en vervolgens wordt overgenomen door grote media en zelfs terechtkomt in institutionele documenten zoals VN‑rapporten. Toch wordt dit verschijnsel veel begrijpelijker wanneer men het bekijkt door de bril van Jacques Elluls analyse van propaganda. Ellul maakt duidelijk dat wat op het eerste gezicht lijkt op journalistieke tekortkomingen of politieke vooringenomenheid, op een dieper niveau de voorspelbare werking is van een technologische massamaatschappij die vereenvoudigde narratieven, emotioneel geladen kaders en kant‑en‑klare interpretaties nodig heeft om psychologische en sociale samenhang te bewaren.
Ellul benadrukt dat propaganda niet in de eerste plaats draait om leugens of bewuste manipulatie. Het is een techniek—een onmisbaar mechanisme van de moderne samenleving—waarmee staat, instituties en media de deelname en gehoorzaamheid van de massa’s veiligstellen. Propaganda is in zijn visie de “Siamese tweeling” van technologische vooruitgang: naarmate samenlevingen complexer worden, raken individuen afhankelijker van systemen die zij niet kunnen doorgronden, en propaganda wordt het middel waarmee die systemen legitimiteit behouden. Dit inzicht is cruciaal om te begrijpen waarom mediaorganisaties, zelfs wanneer zij streven naar nauwkeurigheid, zo vaak beweringen van actoren als Hamas reproduceren zonder grondige verificatie. Het probleem is niet dat journalisten bewust misleiden, maar dat de mediaomgeving zelf is gestructureerd om bepaalde soorten informatie te bevoordelen—vooral gekwantificeerde, emotioneel aansprekende of institutioneel verpakte gegevens—ongeacht de herkomst.
Wat bedoelt Ellul met propaganda? Kijk naar deze video:
Elluls onderscheid tussen verschillende soorten propaganda werpt extra licht op deze dynamiek. De berichtgeving over Gaza vertoont vaak kenmerken van wat hij rationele propaganda noemt: het gebruik van feiten, statistieken en schijnbaar objectieve gegevens om een emotioneel of ideologisch effect te bereiken. Wanneer slachtoffercijfers die door Hamas worden verstrekt als gezaghebbend worden gepresenteerd enkel omdat ze numeriek zijn, krijgen ze de schijn van technische legitimiteit. Het publiek ziet cijfers, grafieken en officieel klinkende verklaringen en neemt neutraliteit aan. Ellul waarschuwt echter dat rationele propaganda vaak steunt op halve waarheden, waarheden buiten hun context, of een overvloed aan ongecoördineerde feiten die het beoordelingsvermogen van het individu verlammen. De herhaling van dergelijke gegevens in de media kristalliseert een bepaald moreel narratief lang voordat verificatie mogelijk is. Zelfs wanneer later correcties verschijnen, blijft de eerste indruk bestaan, omdat de kracht van propaganda niet ligt in nauwkeurigheid, maar in de psychologische behoefte die zij vervult.
Die behoefte staat centraal in Elluls theorie. Moderne individuen worden geconfronteerd met wereldgebeurtenissen van immense complexiteit en ervaren daardoor machteloosheid en desoriëntatie. Propaganda biedt hen een kant‑en‑klare mening, een gevoel van betrokkenheid en een moreel kader dat hen bevrijdt van de last van interpretatie. In de context van Israël en Gaza biedt het humanitaire kader—lijden, slachtofferschap, asymmetrie—precies dit soort interpretatieve verlichting. Het stelt het publiek in staat zich moreel betrokken te voelen zonder zich te hoeven verdiepen in de historische, politieke en strategische complexiteit van het conflict. Wanneer Hamas emotioneel krachtige claims aanlevert, passen die naadloos in dit vooraf bestaande morele sjabloon. De media, die binnen dezelfde culturele atmosfeer opereren, versterken deze claims niet omdat zij ze bewust onderschrijven, maar omdat ze resoneren met de sociologische propaganda van westerse liberale samenlevingen, die de onderdrukten verheerlijken en machtsasymmetrieën wantrouwen.
Ook Elluls begrip van integratiepropaganda is hier relevant. Integratiepropaganda heeft tot doel de samenleving te stabiliseren door individuen een coherent wereldbeeld te bieden dat hen afstemt op de behoeften van het technologische systeem. In die zin draagt de kritiekloze herhaling van door Hamas aangeleverde informatie bij aan het behoud van een stabiel moreel narratief dat westerse publieken in staat stelt het conflict te verwerken zonder cognitieve overbelasting. Het narratief is eenvoudig, emotioneel geladen en moreel doorzichtig. Het reduceert een complexe geopolitieke strijd tot een binaire tegenstelling van slachtoffer en onderdrukker, lijden en geweld, onschuld en macht. Deze vereenvoudiging is geen journalistieke afwijking maar een structurele noodzaak: zonder dergelijke narratieven zou het publiek het conflict niet kunnen integreren in het dagelijks leven.
Horizontale propaganda, een andere categorie van Ellul, verduidelijkt de rol van sociale media in dit proces. Platforms als Twitter, Instagram en TikTok creëren de illusie van een peer‑to‑peer‑consensus, waarbij individuen geloven dat zij gezamenlijk en spontaan tot meningen komen. In werkelijkheid worden deze groepsnormen gevormd door algoritmische versterking en emotionele besmetting. Claims die afkomstig zijn van Hamas worden, eenmaal geïntroduceerd in deze omgeving, herhaald, gemoraliseerd en binnen digitale gemeenschappen afgedwongen. Het individu voelt zich deel van een gedeelde morele zaak, maar zijn deelname wordt gestuurd door subtiele groepsdruk. Elluls inzicht dat horizontale propaganda krachtiger is dan top‑down‑boodschappen blijkt uit de manier waarop sociale media onbevestigde claims omvormen tot onbetwistbare waarheden door louter herhaling en sociale bekrachtiging.
Institutionele actoren zoals de Verenigde Naties spelen eveneens een rol die Ellul onmiddellijk zou herkennen. Moderne instituties vertrouwen op gegevens, rapporten en bureaucratische procedures om legitimiteit te behouden. Wanneer zij cijfers van Hamas citeren, is het effect niet dat Hamas de VN heeft overtuigd, maar dat de VN gegevens nodig heeft om haar institutionele functies te vervullen. De herkomst van de informatie wordt ondergeschikt aan haar bruikbaarheid binnen het bureaucratische systeem. Zodra de gegevens geïnstitutionaliseerd zijn, krijgen ze een nieuw niveau van legitimiteit, dat vervolgens door de media wordt versterkt, waardoor een feedbacklus ontstaat waarin de oorspronkelijke bron vervaagt en het narratief zichzelf in stand houdt. Dit is precies wat Ellul bedoelt wanneer hij stelt dat propaganda onlosmakelijk verbonden is met de werking van moderne instituties: het systeem zelf vereist vereenvoudigde, emotioneel aansprekende informatie om te kunnen functioneren.
Misschien is Elluls meest verontrustende stelling dat propaganda slaagt omdat individuen haar verlangen. Zij willen duidelijkheid, morele zekerheid en een gevoel van verbondenheid. Zij willen zich aan de kant van de rechtvaardigheid voelen staan. Zij willen deelnemen aan een collectieve passie die betekenis geeft aan gebeurtenissen die anders overweldigend zouden zijn. Dit verlangen verklaart waarom correcties zelden effect hebben, waarom nuance vaak wordt afgewezen en waarom afwijkende stemmen met wantrouwen worden bekeken. Propaganda wordt in Elluls zin niet opgelegd aan een weerbarstig publiek; zij wordt verwelkomd door een publiek dat snakt naar psychologische verlichting.
Het resultaat, zo waarschuwt Ellul, is de uitholling van democratisch gedrag. Zelfs wanneer propaganda wordt ingezet om zogenaamd democratische waarden te bevorderen, produceert zij een totalitaire psychologische structuur: rigide morele tegenstellingen, onderdrukking van nuance, emotionele mobilisatie en delegitimatie van afwijkende meningen. In het discours rond Israël en Gaza zijn deze tendensen onmiskenbaar. Het in twijfel trekken van slachtoffercijfers wordt taboe. Vragen naar de strategische motieven van Hamas wordt als wreedheid bestempeld. Nuance wordt gezien als medeplichtigheid. De burger wordt wat Ellul de “totalitaire mens” noemt: psychologisch geïntegreerd in een massabeweging, denkend in gedachten die niet de zijne zijn maar wel zo voelen.
Gezien door Elluls kader is het kritiekloos gebruik van door Hamas aangeleverde informatie door de media geen afwijking maar een onvermijdelijkheid. Het is het voorspelbare gevolg van een technologische samenleving die propaganda nodig heeft om samenhang te bewaren, van een mediasysteem dat emotioneel aansprekende narratieven bevoordeelt, van instituties die afhankelijk zijn van gegevens ongeacht hun herkomst, en van individuen die morele helderheid zoeken in het aangezicht van overweldigende complexiteit. Ellul verontschuldigt deze dynamiek niet, maar hij verklaart ze. En daarmee laat hij zien dat het probleem niet slechts een journalistiek falen is, maar de diepere structuur van de moderne samenleving zelf.