Augustinus schrijft in Contra Faustum, boek XII, par. 39:
“De Joden zelf, die spotten met de gekruisigde Verlosser in wie wij geloven, en die bijgevolg niet willen toegeven dat Christus wordt voorspeld in de uitspraken en daden die in het Oude Testament zijn opgetekend, zijn genoodzaakt om bij ons aan te kloppen voor een verklaring van die zaken die, als ze niet worden uitgelegd, onbeduidend en belachelijk moeten lijken.
Dit bracht Philo, een zeer geleerde Jood, van wie de Grieken zeggen dat hij qua welsprekendheid Plato evenaarde, ertoe om sommige dingen te verklaren zonder enige verwijzing naar Christus, in wie hij niet geloofde. Zijn poging toont alleen maar de inferioriteit aan van alle ingenieuze speculaties, wanneer ze worden gedaan zonder Christus in het oog te houden, naar wie alle voorspellingen in werkelijkheid verwijzen. Hoe waar is de uitspraak van de apostel: “Wanneer zij zich tot de Heer zullen bekeren, zal de sluier worden weggenomen.” 2 Korintiërs 3:16
Bijvoorbeeld, de ark van Noach is volgens Philo een type van het menselijk lichaam, lid voor lid: met dit standpunt laat hij zien dat de numerieke verhoudingen perfect overeenkomen. Er is namelijk geen reden waarom een type van Christus niet ook een type van het menselijk lichaam zou kunnen zijn, aangezien de Verlosser van de mensheid in een menselijk lichaam verscheen, hoewel wat typerend is voor een menselijk lichaam niet noodzakelijkerwijs typerend is voor Christus.
Philo’s uitleg faalt echter wat betreft de deur in de zijkant van de ark. Om iets te kunnen zeggen, laat hij deze deur de onderste openingen van het lichaam voorstellen. Hij heeft het lef om dit onder woorden te brengen en op papier te zetten. Hij kende de deur inderdaad niet en kon het symbool niet begrijpen. Als hij zich tot Christus had gewend, zou de sluier zijn weggenomen en zou hij de sacramenten van de kerk hebben gevonden die uit de zijde van Christus’ menselijke lichaam vloeiden. Want volgens de aankondiging: “Zij zullen tot één vlees zijn”, verwijzen sommige dingen in de ark, die een type is van Christus, naar Christus, en sommige naar de Kerk. Dit contrast tussen de uitleg die Christus in het oog houdt en alle andere ingenieuze verdraaiingen, is in alle details hetzelfde in alle figuren in de Schrift.”
Deze passage uit Contra Faustum XII.39 behoort tot de meest onthullende teksten waarin Augustinus zijn visie ontvouwt op de relatie tussen Kerk en Jodendom. In deze korte maar geladen paragraaf ontvouwt hij een hermeneutisch universum waarin de Joden de Schrift bezitten maar niet begrijpen, waarin Christus de sleutel is die de sluier wegneemt, en waarin elke niet‑christelijke uitleg — zelfs die van Philo, de meest hellenistische Jood van de oudheid — noodzakelijkerwijs tekortschiet. De tekst is geen toevallige polemiek, maar een geconcentreerde uitdrukking van Augustinus’ bredere theologie:
de Joden zijn het volk dat de Schrift draagt,
maar de Kerk is het volk dat haar betekenis ontsluit.
Augustinus begint met een retorische omkering: de Joden, die volgens hem spotten met Christus, worden gedwongen om bij de Kerk aan te kloppen voor uitleg van hun eigen Schrift. De claim is niet historisch, maar theologisch. De Schrift is volgens Augustinus intrinsiek christologisch; wie Christus niet erkent, kan haar niet begrijpen. De Joden worden zo tot hermeneutische analfabeten gemaakt, niet door gebrek aan kennis, maar door gebrek aan geloof. De verwijzing naar 2 Korintiërs 3:16 — “wanneer zij zich tot de Heer zullen bekeren, zal de sluier worden weggenomen” — fungeert als hermeneutisch axioma: de Jood leest de Schrift met een sluier, de christen zonder.
Philo wordt vervolgens ingezet als exemplarisch geval. Zijn allegorische uitleg van de ark van Noach is volgens Augustinus ingenieus maar blind. De numerieke verhoudingen van de ark kan Philo nog wel verklaren, maar de deur in de zijkant van de ark — voor Augustinus een type van de zijde van Christus waaruit de sacramenten vloeien — blijft voor hem onbegrijpelijk. Philo’s falen is niet intellectueel, maar spiritueel: hij kent Christus niet, en daarom kent hij de Schrift niet. De implicatie is duidelijk: zonder Christus is elke Joodse uitleg een mislukte allegorie, een ingenieuze verdraaiing die de kern mist.
Deze hermeneutiek is niet slechts een exegetische methode, maar een machtsclaim. De Kerk eigent zich de Schrift toe door haar betekenis te monopoliseren. De Joden worden niet verworpen, maar gedegradeerd tot dragers van een tekst die zij zelf niet begrijpen. Hun rol is getuigend, niet interpreterend. Zij bewaren de Schrift, maar de Kerk leest haar.
Wanneer men deze visie naast de rabbijnse hermeneutiek legt, wordt de kloof onmiddellijk zichtbaar. De rabbijnse traditie kent geen hermeneutische sluier die door geloof wordt weggenomen. De Thora is niet een tekst die pas door een messias wordt ontsloten, maar een tekst die zichzelf ontsluit door studie, debat en traditie. Waar Augustinus de Joodse uitleg als blind beschouwt, ziet de rabbijnse traditie de Thora als een oneindige bron van betekenis die zich juist in de veelheid van interpretaties openbaart. De rabbijnen zouden Augustinus’ claim dat de Schrift slechts één ware betekenis heeft — en dat die betekenis christologisch is — als een reductie beschouwen, een verarming van de rijkdom van de openbaring.
De rabbijnse hermeneutiek is bovendien niet gericht op typologie, maar op halacha, ethiek en gemeenschap. De ark van Noach is voor de rabbijnen geen type van Christus of van de Kerk, maar een morele en kosmische gebeurtenis die vragen oproept over rechtvaardigheid, oordeel en redding. De deur in de zijkant van de ark is geen sacramentele opening, maar een detail dat aanleiding geeft tot discussie over de bouw, de functie en de symboliek van de ark binnen het verhaal zelf. De rabbijnen lezen de tekst niet als een voorafschaduwing van een toekomstige figuur, maar als een levende bron van betekenis in het heden.
Wanneer men een polemische reconstructie maakt van hoe een rabbijn uit de late oudheid op Augustinus zou reageren, ontstaat een scherp maar plausibel gesprek. De rabbijn zou beginnen met de vraag waarom de Schrift slechts één betekenis zou hebben, en waarom die betekenis buiten Israël zou liggen. Hij zou erop wijzen dat de Thora aan Israël is gegeven, niet als een gesloten boek, maar als een uitnodiging tot studie. De claim dat de Joden de Schrift niet begrijpen omdat zij Christus niet erkennen, zou voor hem absurd zijn: de Schrift spreekt tot Israël, en Israël antwoordt door interpretatie. De rabbijn zou Augustinus’ typologie beschouwen als een vorm van hermeneutische kolonisatie: de Kerk eigent zich de tekst toe door haar te herlezen in het licht van een figuur die de tekst zelf niet noemt.
De rabbijn zou bovendien wijzen op de gevaren van een hermeneutiek die de Joden reduceert tot getuigen van een waarheid die zij niet delen. Een volk dat slechts bestaat om een ander volk te bevestigen, wordt niet gerespecteerd, maar gebruikt. De rabbijn zou Augustinus herinneren aan de woorden van de profeten, die Israël niet tot getuige van een ander volk maken, maar tot getuige van God. De Thora is geen bewijsstuk in een christelijke rechtszaak, maar een verbond tussen God en Israël.
De kern van het conflict tussen Augustinus en de rabbijnse traditie ligt in hun verschillende opvattingen over openbaring. Voor Augustinus is de Schrift een gesloten systeem dat door Christus wordt ontsloten. Voor de rabbijnen is de Schrift een open systeem dat door studie wordt ontsloten. Voor Augustinus is de Joodse uitleg blind; voor de rabbijnen is de christelijke uitleg eenzijdig. Voor Augustinus is de Joodse rol getuigend; voor de rabbijnen is zij priesterlijk. Voor Augustinus is de Kerk de erfgenaam van Israël; voor de rabbijnen is Israël de drager van de Thora.
Wanneer men deze twee hermeneutische werelden naast elkaar legt, wordt duidelijk dat Augustinus’ kritiek op Philo niet slechts een kritiek is op één Joodse denker, maar op de hele Joodse traditie. Zijn hermeneutiek is niet slechts christelijk, maar anti‑joods in de technische zin van het woord: zij ontkent de legitimiteit van Joodse interpretatie. De rabbijnse tegenstem maakt duidelijk dat deze ontkenning niet slechts exegetisch, maar theologisch problematisch is. De Thora is geen tekst die wacht op Christus om betekenis te krijgen; zij is een tekst die leeft in de gemeenschap die haar ontvangt.
In deze zin is de confrontatie tussen Augustinus en de rabbijnse traditie geen historische curiositeit, maar een blijvende uitdaging. Zij dwingt ons na te denken over de relatie tussen tekst en gemeenschap, tussen openbaring en interpretatie, tussen macht en hermeneutiek. En zij herinnert ons eraan dat de vraag wie de Schrift mag uitleggen, nooit slechts een exegetische vraag is, maar altijd een vraag naar identiteit, autoriteit en geschiedenis.