9. Zowel antisemitisme als filosemitisme zijn onverenigbaar met het Evangelie.
Citaat: “Antisemitisme en filosemitisme druisen beide in tegen de essentie van het persoonlijke geloof.”
Stelling 9 stelt dat het aandringen op een uitzonderlijke positie van Israël misleidend is, omdat het suggereert dat het christelijk geloof verwant zou zijn aan het jodendom en dat Christus’ redding afhankelijk zou zijn van bijzondere verwachtingen voor Israël.
Vanuit het perspectief dat Gods verbond met Israël blijvend is, overtuigt deze redenering niet.
De Schrift zelf verbindt het evangelie juist met Gods trouw aan Israël. Paulus schrijft dat Christus “een dienaar van de besnijdenis is geworden om de beloften aan de vaderen te bevestigen” (Rom. 15:8). Dat is geen misleiding, maar een expliciete theologische uitspraak: het werk van Christus staat niet los van de beloften die God aan Israël heeft gedaan, maar is er juist de bevestiging van.
De gedachte dat een blijvende rol voor Israël zou suggereren dat Christus’ redding afhankelijk is van Israël, wordt door het Nieuwe Testament zelf tegengesproken. Paulus benadrukt dat “er geen onderscheid is tussen Jood en Griek” in de toegang tot het heil (Rom. 10:12), maar hij zegt tegelijk dat Israël een unieke plaats heeft in Gods heilsplan. Hij spreekt over Israël als het volk “aan wie de verbonden, de beloften en de eredienst toebehoren” (Rom. 9:4) en waarschuwt de heidenen: “Niet jij draagt de wortel, maar de wortel draagt jou” (Rom. 11:18). Deze woorden laten zien dat Israëls bijzondere positie niet in strijd is met de universaliteit van het evangelie, maar er juist een onderdeel van vormt.
Ook Jezus zelf erkent een bijzondere rol voor Israël zonder dat dit afbreuk doet aan zijn universele missie. Hij zegt tegen de Samaritaanse vrouw: “Het heil is uit de Joden” (Joh. 4:22). Dat is geen etnische claim, maar een theologische: Gods weg naar de wereld loopt via Israël. De universaliteit van Christus’ redding wordt dus niet bedreigd door Israëls bijzondere roeping, maar juist gedragen door de weg die God met dit volk is gegaan. Simeon noemt Jezus daarom zowel “een licht voor de heidenen” als “tot heerlijkheid van Uw volk Israël” (Lk. 2:32). Beide dimensies horen bij elkaar.
De stelling dat een bijzondere positie voor Israël zou leiden tot een verkeerde verwantschap tussen christendom en jodendom miskent bovendien dat het Nieuwe Testament zelf deze verwantschap erkent. Paulus spreekt over de heidenen als “mede‑erfgenamen” (Ef. 3:6). Mede‑erfgenaam ben je alleen wanneer er een oorspronkelijke erfgenaam is die zijn plaats niet verliest. De Kerk wordt dus niet in plaats van Israël gezet, maar wordt toegevoegd aan wat God al begonnen was. Dat is geen misleiding, maar de structuur van het evangelie zelf.
Vanuit dit geheel van bijbelse getuigenissen is het goed verdedigbaar
dat een blijvende rol voor Israël niet leidt tot een ondermijning van Christus’ centrale positie, maar juist tot een dieper verstaan van Gods trouw. Christus is de vervulling van Gods beloften aan Israël, niet hun ontkenning. De universaliteit van het evangelie staat niet tegenover Israëls bijzondere roeping, maar is ermee verweven.