Anti-judaïsme in het vroege christendom

14 Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der gemeenten Gods die in Judéa zijn in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uw eigen medeburgers, gelijk als zij van de Joden;
>>>>15 Welke ook gedood hebben den Heere Jezus en hun eigen profeten, en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en allen mensen tegen zijn,<<<<
16 En verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij allen tijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.
Mattheüs is de bron van die woorden waarvan de moderne christenen wensen dat ze nooit geschreven waren: “Zijn bloed zij over ons en over onze kinderen!” (Matth. 27:25). De parallellen met de passage in 1 Thess. zijn duidelijk en talrijk.
Het is niet nodig het lange en droevige proces te verhalen waardoor de christenen het jodendom eerst als een rivaal en daarna als een zondebok zijn gaan zien. De ontwikkeling kan getraceerd worden aan de hand van talrijke passages in het Nieuwe Testament, de Apostolische Vaders, en andere vroegchristelijke schrijvers. Na de verwoesting van de Tempel en de verschrikkingen die het gevolg waren van de eerste Joodse opstand, werd het een gewoonte te geloven dat dit alles het rechtstreekse oordeel van God was, gericht tegen Israël wegens zijn aandeel in de dood van Jezus. dood van Jezus. […]
1 Thess. 2:14-16 toont ons dat er een tijd was in Paulus’ carrière waarin Paulus, onder invloed van een apocalyptische verwachting, zijn tijd vooruit was in het uiten van een historisch-theologisch anti-judaïsme.
Enkele tientallen jaren later werden soortgelijke opvattingen wijder verbreid en zijn zij kenmerkend geworden voor de christelijke kerk gedurende het grootste deel van haar geschiedenis.
(John C. Hurd in: ANTI-JUDAISM IN EARLY CHRISTIANITY, Volume 1, PAUL AND THE GOSPELS, 1986
 ISBN 0-88920-167-6)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.