Het is een kort bericht, maar één zin blijft bij me hangen. Een jonge Palestijnse vrouw, Amana Jawad Mona, 25 jaar oud, aangeklaagd voor de moord op een Israëlische tiener, werd voorgeleid in een militaire rechtbank bij Beit El. Ze had hem via het internet naar de Westbank gelokt. Ofir Rahum, 16, werd gedood door terroristen op 17 januari van dit jaar bij de stad Al-Bireh.
Ze verscheen glimlachend bij de rechtszaal, hief haar geboeide armen omhoog en riep: “Ik ben trots! Ik ben trots!” Dat moment, dat beeld, bleef in mijn gedachten hangen – niet vanwege de feiten alleen, maar vanwege de ontstellende tegenstelling tussen de zwaarte van de aanklacht en de morele leegte waarmee zij zich presenteerde.
Volgens de berichtgeving was zij twee maanden eerder gearresteerd door een speciale eenheid van Shin Beth, die zich had vermomd als een groep Arabieren. Israëlische autoriteiten meldden dat zij tijdens verhoren had bekend, en dat ook twee leden van een militiegroep die verbonden was met Fatah betrokken waren. De reconstructie van de gebeurtenissen is bekend uit de nieuwsberichten: een rit vanuit Jeruzalem, een hinderlaag bij Al-Bireh, en daarna een haastige poging om het lichaam te verbergen. Het zijn feiten die op zichzelf al zwaar genoeg zijn.
Maar het was die scène in de rechtszaal die alles in een ander licht zette. De glimlach. De opgeheven armen. De woorden “Ik ben trots.” Het is moeilijk te bevatten hoe iemand op zo’n moment trots kan zijn – vooral omdat het hier zo pijnlijk botst met het verlies van een jong leven. Het laat ineens weer zien dat mensen, gevangen in een extremistische ideologie, hun misdaden kunnen zien als iets heldhaftigs of rechtvaardigs, zelfs wanneer de buitenwereld alleen tragedie ziet.
Misschien is dat waarom dit soort berichten zo blijven hangen: niet alleen vanwege de feiten, maar vanwege de openlijke immoraliteit. De manier waarop trots en verdriet, rechtvaardiging en rouw, identiteit en geweld met elkaar botsen. Een enkele zin in een rechtszaal zegt meer over de diepte van de “Palestijnse” verdwazing, dan historische verhalen.
De theologie van Robbert Veen beweegt zich op een terrein waar maar weinig christelijke denkers zich wagen: de radicale heroriëntatie op het jodendom als oorsprong én toetssteen van het christelijk geloof. Zijn werk laat zien hoe diep het christendom is gevormd door Griekse filosofie en Romeinse macht, en hoe ver dat soms afstaat van de wereld waarin Jezus leefde en sprak. Wat hij voorstelt is geen cosmetische correctie, maar een terugkeer naar het joodse hart van de Schrift.
In zijn exegeses klinkt een scherpe kritiek door op vertrouwde dogma’s. Niet om te provoceren, maar omdat hij vindt dat veel van wat wij “christelijke leer” noemen niet uit de Bijbel zelf komt, maar uit de geschiedenis van de kerk. Zijn herlezing van Paulus is daar een goed voorbeeld van: niet de Paulus van de Reformatie of de systematische theologie, maar de Paulus van de synagoge, de diaspora en de Griekse tekst. Een Paulus die niet de breuk met Israël belichaamt, maar juist de trouw van God aan Israël bevestigt.
Wat zijn werk bijzonder maakt, is de waardering voor de rabbijnse traditie. Niet als exotische aanvulling, maar als de wereld waarin de Schrift ademt. Zijn onderwijs in Hebreeuws, Grieks en Talmoedische denkvormen is bedoeld om christenen opnieuw te leren lezen, zonder de bril van latere dogmatiek. Dat maakt zijn theologie soms confronterend, maar ook bevrijdend: het opent ruimte voor een geloof dat niet tegenover Israël staat, maar er middenin.
Veen schrijft buiten de institutionele kerk, maar niet buiten het christelijk geloof. Juist die positie geeft hem de vrijheid om te zoeken naar een vorm van theologie die trouw is aan de Messias én aan Israël. Het schuurt, het daagt uit, maar het wijst ook een weg terug naar de bron. In een tijd waarin veel tradities wankelen, is dat misschien precies wat nodig is.
Translate this site
Zoek op deze site
Abonneer je op dit blog d.m.v. e-mail
Voeg je bij 414 andere abonnees
Koinonia on Spreaker
Ds. R.A. Veen, voluit Robbert Adrianus Veen, is een Nederlandse theoloog en filosoof, geboren in Amsterdam in 1956. Zijn theologische werk is sterk beïnvloed door Karl Barth, John Howard Yoder en Menno Simons. Tegenwoordig werkt hij aan de relatie tussen het (rabbijnse) jodendom en het christendom en publiceert daarover op zijn website. (koinoniabijbelstudie.nl)
Ds. Veen was universitair docent "Christelijke Geloofs- en Zedenleer vanuit Dopers Perspectief" aan de Vrije Universiteit, voor het Doopsgezind Seminarium. Hij was tevens predikant in de Doopsgezinde Broederschap in Enkhuizen, Zeerijp, Zijldijk en Bussum. Na een periode als predikant in de Protestantse Kerk Nederland (Ter Apel, IJmuiden) werkte hij drie jaar in Knokke, België, voor de Verenigde Protestantse Kerk in België - de VPKB. In 2023 ging hij met emeritaat en woont sindsdien in de Noord-Hollandse gemeente Anna Paulowna.