Ik geloof….

Wat geloof ik eigenlijk?
Elke geloofsbelijdenis begint met de woorden “ik geloof”. Ik geloof in God de Vader etc. In de Zoon etc. In de Heilige Geest etc. etc. Het evangelie vraagt geloof. Mijn persoonlijke geloof, in de ik-vorm. In het Latijn: credo. Maar wat geloof ik dan?
Het evangelie in de Bijbel is niet alleen een verhaal dat onze interesse wil wekken. Het is geen infotainment. Als je de evangelisten goed leest dan willen ze ons een geschiedenis vertellen. De geschiedenis van een persoon die geloof, d.w.z. vertrouwen van ons vraagt. Het evangelie is een geschenk. Het geschenk namelijk van een ontmoeting met God. Het evangelie is een woord van toenadering en liefde dat God in Christus heeft gesproken. Zo, denk ik, hebben de evangelieschrijvers en de apostelen het bedoeld.
Het evangelie is volgens mij niet alleen maar een verhaal dat mensen verteld hebben, maar het is op een of andere manier een openbaring. God zelf heeft gesproken. De kern van het evangelie is dat God zelf laat zien wat Hij van de mensen wil, en een weg opent om in relatie met Hem te kunnen leven.
Wat wil die God dan? Zo heb ik het begrepen: wat God ten diepste wil, is gerechtigheid. Dat woord betekent veel dingen tegelijk. Verzoening, vrede, liefde, genade, verlossing, bevrijding, dat alles is inbegrepen in Gods gerechtigheid. En dat alles aanvaarden we in het geloof. Dat is ons antwoord op wat God gesproken heeft. Geloven betekent het geschenk aannemen dat God ons aanbiedt. En er dan ook naar leven.

Vertrouwen en geloof
Wat betekent ‘geloven’ dan? Het lijkt erop dat we met het woord geloven twee dingen tegelijk kunnen bedoelen. Aan de ene kant betekent het in de Bijbel zoiets als ‘trouw’, een vertrouwen geven aan iemand, in dit geval aan God zelf. Maar het woord geloven verwijst ook naar de inhoud, naar ‘wat’ we geloven. Het is een geloof hechten, een vertrouwen geven aan wat gesproken is, aan het Woord van God. En omdat Jezus het Woord van God is (Joh. 1: 14) vallen beide betekenissen ook weer samen in ons geloof in Christus. We geloven in een persoon die in levenden lijve het gesproken woord van God is. Daar zit een diep mysterie achter.
Zoals in elke menselijke ontmoeting vertrouwen we een persoon, als we de woorden vertrouwen die iemand spreekt. Dat je iemand vertrouwt, blijkt pas uit het vertrouwen in wat die persoon zegt. Je kunt niet zeggen dat je iemand vertrouwt als je niet gelooft dat de woorden die iemand spreekt waar zijn.

Geloof in het Woord
Zo is het ook met het Bijbelse begrip ‘geloven’. In God geloven betekent ook dat we vertrouwen op Zijn Woord. D.w.z. dat we niet alleen in God, maar ook in Christus geloven die Gods Woord en openbaring is. In levenden lijve, want “het Woord is vlees geworden.”
Wat betekent dus ‘ik geloof’? Het betekent dat ik geloof (1) in een God die in Christus gesproken heeft en nog spreekt, en (2) in wat deze God ‘zegt’. Wat zegt deze God dan? Boven alles uit zegt deze God ‘Jezus’, in het Hebreeuws: jesjoea, d.w.z. Hij zal bevrijden.

Pasen: dat is Jezus

WIE IS JEZUS CHRISTUS?

Pasen is het antwoord op die vraag. Je voelt de spanning in het verhaal. Jezus gaat naar Jeruzalem. Nu moet blijken of men Hem aanvaarden zal als door God gezonden koning. Op een ezel trekt Hij de stad binnen, om mensen te herinneren aan de profeten. De ware koning zal zachtmoedig zijn, en op een ezel rijden. Hosanna, roept de menigte. Hier is hij dan. Nu worden we bevrijd. Van de Romeinen, van onze vernedering. Nu worden we weer baas in eigen huis, met een echte joodse koning!

Zo’n koning blijkt Jezus niet te zijn. Hij is geen politicus, geen machthebber. Hij komt om het Woord van God te verkondigen: bekeer je, wend je naar God, met heel je hart en heel je verstand. Want die God gaat Zijn Koninkrijk vestigen. In de harten van mensen, zonder dwang of geweld, louter door de kracht van liefde.

Die boodschap is storend en zwak tegelijk. Het brengt iedereen op andere gedachten. Kan dat wel, politiek zonder geweld? Vrijheid zonder dwang? Het goede en het kwade houden elkaar in evenwicht. Zonder het kwade is de wereld ondenkbaar. Wat wil die dromer? Of heeft hij een ‘geheime agenda’? Zoekt hij eigenlijk de revolutie? Tegen de tempel? Tegen de Romeinen? Tegen de keizer? Tegen de religieuze machthebbers, de priesters en de hogepriesters?

Ook zijn leerlingen zijn teleurgesteld. Zij hoopten op het wonder van een troonsbestijging. Maar deze Jezus houdt woord. Geen geweld. Geen wonder. Alleen de prediking van Gods aanbod. Nu moeten mensen antwoorden. Vanuit hun geloof. Vanuit hun vertrouwen in God. Met voorbijgaan van hun eigenbelang, angsten en geheime doelen. Eerlijk antwoord geven op de roepstem van God. Het blijkt alleen mogelijk voor een handjevol mensen, als het erop aankomt.

Jezus wordt gekruisigd. Romeinen en joden werken samen in hun ijver voor hun eigen goede doelen. Wat er gebeurt, is allemaal heel menselijk. De moordenaars van Jezus zijn plichtsgetrouwe burgers, redelijke politici, integere bestuurders. Ze hebben maar één fout. Ze houden geen rekening met God. Ze zien niet dat God zich in deze Jezus van Nazareth aan de mensen openbaart. Daarom moet de onschuldige maar worden geofferd om de rust in het land te herstellen. Om de massa’s geen valse hoop te geven. Om de Romeinen geen voorwendsel te geven voor nieuwe maatregelen van onderdrukking. ‘Politics as usual.’ Jezus sterft na een schijnproces. Misverstanden stapelen zich op. Je ziet hoe menselijke gerechtigheid faalt. Het zijn niet de minsten en de domsten die hier over Jezus moeten oordelen. Maar gerechtigheid brengen ze niet tot stand. Dat kunnen ze ook niet, zonder zichzelf te veroordelen. Zo ontmaskert Jezus nog door zijn dood de schijngerechtigheid van de ‘ware religie’ en de ‘ware staat’, van Jeruzalem en Rome.

   Eindigt daar het verhaal? Op Paasmorgen begint alles juist opnieuw. God laat zijn verworpen en gekruisigde Zoon niet in de steek. Hij wekt hem op uit de doden, geeft hem een nieuw bestaan te midden van Zijn leerlingen. Hij spreekt de onschuldig veroordeelde alsnog vrij. God rechtvaardigt zijn Zoon. En op grond daarvan geeft God aan Jezus een plaats in de hemel, op de troon van God zelf. De verworpen Jezus wordt koning van de wereld. Zoals Hij het zelf gezegd heeft. Nu is dat nog onzichtbaar. Nu is het nog alleen werkelijk in ons geloof en in onze harten. Maar ooit zal het zichtbaar worden. Zo wil God het. Zo zal het gebeuren. Onvermijdelijk. Dat geloven en belijden we met Pasen. Dat Jezus werkelijk de Heer is. De Heer van ons leven, de Heer van de geschiedenis en van de toekomst. Zijn woord is wet, Zijn leven is de norm. Hij roept ons: weest mijn navolgers! Dat is het antwoord van Pasen: Wie is Jezus? Hij is de opgestane Heer, de Christus die God gezonden heeft.

Geloof en twijfel

Er werd mij vroeger van allerlei kanten een vraag gesteld die blijkbaar veel mensen intensief bezig houdt: Hoe komt het toch dat jij zo zeker lijkt te zijn in het geloof? Is twijfel niet ook heel authentiek? We kunnen toch niet (zomaar) alles geloven, wat er in de Bijbel staat? Kun je niet wat meer ook je eigen twijfels op de kansel laten klinken?

“Geloof en twijfel” verder lezen

Het Huis van de Messias

De gemeente wordt vaak vergeleken met een huis. Er is natuurlijk een stevig fundament, en op dat fundament is in allerlei tijden en door allerlei mensen gebouwd. De begane grond is door de apostelen en profeten van de eerste gemeente gebouwd. De eerste verdieping werd daar bovenop gezet door de mensen in de tijd van keizer Constantijn, in de vierde eeuw en later. De Reformatie heeft op de tweede verdieping allerlei grote kamers naast elkaar gebouwd, en daar vinden we ook de kamertjes van de Mennisten, de Baptisten, Evangelicalen en Vrijzinnigen. Ze zijn wat verspreid over de verdieping, maar hebben toch een samenhangende stijl van inrichten en decoreren. Eén kamertje heet ‘Amish’ en een ander heet ‘Mennonite Brethren’ maar er zijn er nog veel meer, en ten slotte is er ook nog een kamertje dat ‘Doopsgezind’ heet, vlak naast de grote en ruime kamer van de PKN waar wij net de tussenmuurtjes van Lutheranen, Gereformeerden en Hervormden hebben zitten uitbreken. En nu stomverbaasd  kijken naar de spontane schuttingen die overal weer worden opgericht.
    Nu leven we niet meer in de tijden waarin deze kamers en verdiepingen werden gebouwd, en de vraag komt langzamerhand op of we voor de 21ste eeuw eigenlijk niet een heel nieuw huis moeten gaan bouwen. En nu komt het erop aan dat we ons allemaal weer herinneren wat het belangrijkste bouwvoorschrift is dat aan de kerk is meegegeven. Niemand kan een ander fundament leggen dan wat er ligt. Christus is de Heer van de gemeente, de eigenaar. De gemeente heeft tot doel Zijn evangelie te dienen en te verkondigen. Alles wat daarbuiten gaat, is hooguit thema voor een vereniging op religieuze grondslag waar de leden zelf wel uitmaken wat ze doen en laten.

Maar het bouwvoorschrift is geen vrijblijvend advies. Als het voor de bouw van jouw kamertje, en voor de nieuwe verdieping nodig is om een ander fundament te leggen, dan kun je het wel vergeten. Dat houdt geen stand. Dat heeft geen basis, dat hangt in de lucht als de hangende tuinen van Appingedam. Op eigen risico te betreden.
    Maar we willen zo graag. Bouwen aan de toekomst. Geschiedenis máken. Ons voortbestaan in de komende eeuw verzekeren. Velen in de kerk doen daar bijna wanhopig hun best voor. Dan willen ze uiteraard eerst het muurtje slopen dat tussen ons en enkele andere kleine kerken nog bestaat, dan krijgen we al wat meer ruimte en licht. Vrijzinnigen, Confessionelen, Gereformeerde Bonders, de midden-orthodoxie en de bijna-humanisten, het moet allemaal in een kamer. Of we gaan nog iets bijbouwen, zo op de hoogte van het balkon, en dan met tuidraden aan het gebouw vastgemaakt, of gewoon een paar balken op het gazon neerleggen om een nieuwe vloer te steunen. Liefst willen sommigen in plaats van dat moeilijke en ouderwetse evangelie nog een ander fundament leggen voor de zekerheid: een stevig brok humanisme, kunst en poëzie, wat moderne iconen uit de wereld van het levenslied, ons aansluiten bij de progressieve politieke machten in de wereld die ook jongeren aanspreken en we zijn al aardig in de buurt. We bouwen dan weliswaar naast het bestaande huis, en buiten het fundament om, maar het hangt op het oog redelijk stevig en zal nog wel een generatie duren en dan zien we wel weer verder.

Maar wie Jezus’ woorden hoort en niet gelooft en ze niet gehoorzaamt “die zal met een dwaze man worden vergeleken die zijn huis op het zand gebouwd heeft” (Mat. 7: 26). Het vrijzinnige mengsel van gezelligheid, laagdrempeligheid, vrijblijvendheid, openheid voor alles en iedereen, zal op de religieuze markt nog wel een (klein) publiek vinden als we het maar modern (leuk, gezellig, enthousiast) verpakken. Dat huis kan er mooi uitzien maar het is niet bestand tegen weersveranderingen. Als de cultuur straks weer omslaat, en we met jongeren te maken krijgen voor wie ons haastige onderkomen onvoldoende beschutting biedt, dan raakt alles snel weer in verval. Nu religie ‘in’ is, kunnen we denken dat we het nog wel even droog houden. Komen er regens, dan zal het huis, op zand gebouwd, al snel wegspoelen en verdwijnen. Dat het fundament er niet meer ‘onder’ zit maar dat we er ‘naast’ zitten, lijkt nu voor sommigen geen probleem te zijn.
    Tot de Heer des Huizes thuis komt en ziet wat voor een ravage we hebben aangericht. Want de gemeente is weliswaar een huis, maar zij is niet de huiseigenaar. Die gaf ons het voorschrift voor al onze eigen bouwwerkzaamheden:

“Want niemand kan een ander fundament leggen dan wat er gelegd is, dat is Jezus Christus” (1 Cor. 3:11).

Zouden we ons niet meer moeten gaan bezighouden met deze kern van het evangelie en dit levende hart van onze traditie? Ons geloof voeden met de Bijbelse verkondiging in plaats van zulke grote aandacht te schenken aan onze gevoelens, aan onze Godsbeelden, aan onze Jezusbeelden?