Augustinus over de kruisiging (parafrase, vervolg)

Johannes beschrijft uitgebreid wat de soldaten deden toen zij Jezus gekruisigd hadden. Zij namen zijn kleren en verdeelden het tussen hun vieren. Alleen het onderkleed verdeelden zij niet maar zij wierpen het lot. Daarmee heeft Johannes de misverstanden opgelost die hadden kunnen ontstaan door het lezen van de andere evangeliën. Lukas 23:34 wekt de indruk dat zij gedobbeld hebben over al Zijn kleren. “En ze verdeelden Zijn kleren en wierpen het lot” (klèrous – meervoud). Dat suggereert dat ze voor elk kledingstuk het lot hebben geworpen. Mattheus 27:35 gebruikt hier het enkelvoud klèron, wat suggereert dat ze voor het geheel van Zijn kleding eenmaal het lot geworpen hebben. Diezelfde indruk wordt ook gewekt in Markus 15:24. Johannes zegt het dus nauwkeuriger: ze verdeelden Zijn kleding in vier delen, en wierpen het lot over het lange kostbare onderkleed.

“Augustinus over de kruisiging (parafrase, vervolg)” verder lezen

Augustinus over de kruisiging (parafrase)

Johannes 19:17-22
En terwijl Hij Zijn kruis droeg, ging Hij de stad uit naar de plaats die Schedelplaats genoemd wordt en in het Hebreeuws Golgotha.
Daar kruisigden zij Hem en met Hem twee anderen, aan elke kant één, en Jezus in het midden.
En Pilatus schreef ook een opschrift en zette dat op het kruis; en er was geschreven: JEZUS DE NAZARENER, DE KONING VAN DE JODEN.
Dit opschrift dan lazen velen van de Joden, want de plaats waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad; en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Grieks en in het Latijn.
De overpriesters van de Joden dan zeiden tegen Pilatus: Schrijf niet: De Koning van de Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning van de Joden.
Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, heb ik geschreven.

“En zij namen Jezus”. Dit zijn de woorden die mij vandaag opgevallen zijn, toen ik de lijdensgeschiedenis bij Johannes las. Opvallende woorden in dit evangelie, dat een grote nadruk legt op de godheid van Jezus, Zijn almacht en soevereine gezag over alle mensen en alle gebeurtenissen. Natuurlijk horen wij te begrijpen dat Hij zich laat meenemen. Er gebeurt niets zonder Zijn goddelijke instemming. Hij is geen speelbal van menselijke willekeur. Maar toch onderwerpt Hij zich hier aan de macht van mensen. De vernedering van de Zoon van God bereikt hier een voorlopig dieptepunt.

Het moet voor de inwoners van Jeruzalem een groot spektakel zijn geweest. Voor de één een aanleiding tot vluchtig medelijden. Voor een ander een gretig bekeken geweldsdaad. Voor weer een ander een tot bitterheid stemmend voorbeeld van de Romeinse bezetting. Voor weer anderen de diepe tragedie van het einde van al hun hoop en verlangen; de diepe pijn van de naderende dood van een geliefde zoon en broer en leraar. Er zal niemand bijgestaan hebben die vanuit zijn geloof kon zien wat hier werkelijk gebeurde. Een koning draagt in plaats van zijn Koningsstaf het hout van Zijn executie. De Zoon des Mensen wordt overgeleverd in de handen van zondaars op Gods tijd en op Gods bevel om de straf te dragen voor de zonden van alle gelovigen.

Voor wie in deze Jezus leerde geloven, klinken op dit moment in de geschiedenis de woorden van Paulus in de oren. “Maar ik zal mij volstrekt niet beroemen op iets anders dan op het kruis van onze Heere Jezus Christus, door Wie de wereld voor mij gekruisigd is, en ik voor de wereld” (Gal. 6:14). Het kruis van Christus is in de waarneming niet meer dan tragische ondergang. Tragiek beheerst het oog van het ongeloof, dat alleen het spektakel kan zien. Dit kruis echter van de Heere Jezus Christus, is voor Paulus een zaak van roem, van heerlijkheid en glorie. Achter het tragische spektakel speelt zich een goddelijk geheim af. Dit is de ware voorbereiding van het ware Pascha, van de slachting van het lam dat de zonden van de wereld draagt. Johannes zegt het in vers 14, dit was de voorbereiding van het Pascha. Dat begon met de uitroep: kruisigt Hem!” En dan kwam de overlevering aan de soldaten; dan nemen zij Jezus mee en leidden Hem weg (vers 16). Maar het eindigde in de triomf van Gods liefde over de zonde.

O kostbaar kruis, o wonder Gods,
waaraan de Prins der glorie stierf;
ik wil om U zijn zonder trots,
ik acht verlies wat ik verwierf.

En door zijn dood en door zijn bloed
is nu de wereld dood voorbij.
Ik ben gestorven, maar voorgoed
van heel de dode wereld vrij.
(Gez. 192:1, 5)

Nachmanides over Genesis 1

Ik was bijna vergeten hoe mooi de oude bronnen in het Jodendom kunnen zijn: helder en verhelderend. Nachmanides bij voorbeeld, met zijn grote commentaar op de Torah. Waarom is het geloof in God als schepper essentieel? Omdat daarop ook het geloof berust dat God “wonderen” doet, d.w.z. de alledaagse wonderen, of de “onzichtbare wonderen” die samenhangen met Gods beloften. God is een beloner van wie Hem zoeken. Wie Gods zegen ontvangt, ervaart dus een “onzichtbaar wonder” en kan God daarvoor danken. Als de wereld eeuwig is, dan is alles wat ons toevalt letterlijk toevallig en geen reden om God te danken of te gehoorzamen. Hij is dan – als Hij al bestaat – onmachtig om iets te doen of iets te veranderen in de wereld. Dat geldt natuurlijk ook als we denken dat de wereld weliswaar een begin van tijd – niet “in” de tijd – heeft gehad, maar dat de wereld uit zichzelf is ontstaan zoals in de moderne cosmologie het geval is.

De climax in het Nieuwe Testament – the Gagging of God – Don Carson – deel 5 – hoofdstuk 6C

Pluralisme, inclusivisme, en de verhaallijn van de Bijbel

Het is bijna een maand geleden dat ik met Don Carson ben bezig geweest. Dat verzuim had niets te maken met het fascinerende karakter juist van het hoofdstuk waar we nu aan toe zijn gekomen. De polemische strekking van Carson’s weergave van het Bijbelse verhaal, begint nu duidelijk te worden. In deze afdeling van het zesde hoofdstuk richt hij zich vooral tegen de poging om het Evangelie aanvaardbaar te maken voor de postmoderne mens.

“De climax in het Nieuwe Testament – the Gagging of God – Don Carson – deel 5 – hoofdstuk 6C” verder lezen

De crisis van de leer

2018-03-14_1248.png
    Hans-Georg Geyer, Evangelische Theologie, mei/juni 1982, in een nummer van dit tijdschrift geheel gewijd aan “Probleme kirchlicher        Lehre.” (These 1.3 op pag. 265.)

Het woord “leer” (of dogma, of theologie, of doctrine) komt in kerkelijke discussies niet meer voor. Er is een vanzelfsprekende afwijzing van alles in het christelijk geloof dat met het verstand moet worden begrepen en op het leven toegepast. “De crisis van de leer” verder lezen