De bekering van de kamerling – Handelingen 8

Exegetische voorbereiding van de verkondiging van as zondag 1 oktober 2017 in Schagen. Handelingen 8:25-40

25 Toen zij dan getuigd hadden van het Woord van de Heere en het gesproken hadden, keerden zij terug naar Jeruzalem en verkondigden het Evangelie in veel dorpen van de Samaritanen. 26 En een engel van de Heere sprak tot Filippus en zei: Sta op en ga naar het zuiden, de weg op die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, die eenzaam is. 27 En hij stond op en ging op weg; en zie, een Ethiopiër, een kamerheer en een machtig heer van de kandakè, de koningin van de Ethiopiërs, die heel haar schatkist beheerde en gekomen was om in Jeruzalem te aanbidden, 28 keerde terug, en hij zat op zijn wagen en las de profeet Jesaja. 29 En de Geest zei tegen Filippus: Ga ernaartoe en voeg u bij deze wagen. 30 En Filippus snelde ernaartoe, hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zei: Begrijpt u ook wat u leest? 31 Maar hij zei: Hoe zou ik dat kunnen, als niemand mij de weg wijst? En hij verzocht Filippus op de wagen te klimmen en bij hem te komen zitten. 32 En het schriftgedeelte dat hij las, was dit: Hij is als een schaap naar de slachting geleid en zoals een lam stemmeloos is bij de scheerder, zo doet Hij Zijn mond niet open. 33 In Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen en wie zal over Zijn geslacht vertellen? Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen. 34 En de kamerheer antwoordde Filippus en zei: Ik vraag u, over wie zegt de profeet dit? Over zichzelf of over iemand anders? 35 En Filippus deed zijn mond open en, uitgaande van dat Schriftwoord, verkondigde hij hem Jezus. 36 En terwijl zij onderweg waren, kwamen zij bij een water. En de kamerheer zei: Kijk, daar is water; wat verhindert mij gedoopt te worden? 37 En Filippus zei: Als u met heel uw hart gelooft, is het geoorloofd. En hij antwoordde en zei: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon van God is. 38 En hij liet de wagen stilhouden, en zij daalden beiden af in het water, zowel Filippus als de kamerheer, en hij doopte hem. 39 En toen zij uit het water opgekomen waren, nam de Geest van de Heere Filippus weg; en de kamerheer zag hem niet meer, want hij vervolgde zijn weg met blijdschap. 40 Maar Filippus werd aangetroffen in Asdod; en terwijl hij het land doorging, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat hij in Caesarea kwam.

De zesvoudige gerechtigheid in Paulus’ brief aan de Romeinen

De zesvoudige gerechtigheid

in Paulus’ brief aan de Romeinen

 

  1. De gerechtigheid Gods is noodzakelijk (1:18-3:20)
  2. De gerechtigheid Gods wordt toegerekend, niet verworven (3:21-5:21)
  3. De gerechtigheid Gods wordt gerealiseerd in de gelovigen (6:1-8:39)
  4. De gerechtigheid Gods wordt bevestigd door Gods trouw aan Zijn beloften aan Israël (9:11-11:36)
  5. De gerechtigheid Gods wordt beoefend in de gemeente (12:1-15:13)
  6. De gerechtigheid Gods wordt zichtbaar in de steun van heidenen aan Joden (15:14-33)

1. De gerechtigheid Gods is noodzakelijk (1:18-3:20)

Het evangelie van Jezus Christus openbaart de gerechtigheid die God als bron heeft, als de ultieme maatstaf van het menselijke leven, met als gevolg de toorn van God over de goddeloosheid van de mens, zowel joden als niet-joden.

2. De gerechtigheid Gods wordt toegerekend, niet verworven (3:21-5:21)

Deze noodzakelijke gerechtigheid Gods  – die een mens nodig heeft om in het oordeel te worden vrijgesproken – wordt niet verworven door (goede) werken, maar uit genade geschonken aan allen die in Christus geloven; de gerechtigheid wordt toegerekend.

3. De gerechtigheid Gods wordt gerealiseerd in de gelovigen (6:1-8:39)

In het geloof echter worden met Christus in Zijn dood geïdentificeerd en als gestorven met Christus zijn wij nu vrij van de (wet van) de zonde en kunnen de Heer dienen in een vernieuwd leven. Wij worden dienaren van de gerechtigheid Gods.

4. De gerechtigheid Gods wordt bevestigd door Gods trouw aan Zijn beloften aan Israël (9:11-11:36)

God bewijst Zijn gerechtigheid ook in de trouw aan Israël, Zijn uitverkoren volk, dat nu is verworpen vanwege hun ongeloof, maar hersteld zal worden op grond van Gods genade.

5. De gerechtigheid Gods wordt beoefend in de gemeente (12:1-15:13)

In de gemeente wordt de gerechtigheid van God door gelovigen gedáán in de afzondering van de wereld, de onderwerping aan de overheid, in de verdraagzaamheid en broederlijke liefde onderling etc.

6. De gerechtigheid Gods wordt zichtbaar in de steun van heidenen aan Joden (15:14-33)

In de onderlinge dienstbaarheid van de gemeenten van Christus wordt de gerechtigheid van God zichtbaar gemaakt; in het bijzonder in de collecte waarmee de heidense gemeenten de gemeente van Jeruzalem ondersteunen. Het is gerechtigheid omdat de heidenen een schuld dragen tegenover de joodse christenen door wie zij nu het evangelie van hun behoudenis hebben ontvangen.

KOINONIA LIVE! #25

In deze aflevering:

De getrouwe gemeente van Filadelfia; de ontrouwe gemeente van Laodicea. De Doopsgezinde Broederschap en de PKN; persoonlijke overwegingen bij het komende vertrek uit IJmuiden.