Voorbereiding voor de bespreking van Rom. 3:21 – 31

Aantekeningen bij Romeinen 3:21-31

21 Maar nu is zonder de wet gerechtigheid van God geopenbaard, waarvan door de Wet en de Profeten is getuigd:
Gods gerechtigheid wordt buiten elke denkbare wet om geopenbaard. De Wet van Mozes maakt alleen maar bewust van zonden. Elke wet mondt alleen uit in het bewustzijn van schuld. Daarom kan de Wet niet het juiste instrument zijn om mensen in de goede relatie met God te brengen. Abraham en David in hoofdstuk 4 zijn daarvan belangrijke voorbeelden. Hun relatie tot God is gebaseerd op Gods belofte en hun geloof.
De Wet van Mozes getuigt van het feit dat de ware gerechtigheid tegenover God door het geloof is, zo ook de profeten. Dat vergt wel dat ze in de Thora kijken naar het beginsel van geloof dat in Genesis wordt vastgesteld, en nauwkeurig lezen wat in het boek Deuteronomium wordt gezegd over het eerste gebod, dat van het liefhebben van God.

22 namelijk gerechtigheid van God door het geloof in Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven, want er is geen onderscheid.
De gerechtigheid van God wordt werkzaam in het menselijk leven “door geloof in Jezus Christus.” Anders dan in 1:16, 17 wordt nu nadrukkelijk het voorwerp van het geloof genoemd. De Statenvertaling geeft letterlijk de Griekse constructie weer: het geloof van Jezus Christus. Dit “van” kan vertaald worden als een objectieve of een subjectieve genitivus. Het is dus ofwel het geloof, dat wil zeggen het vertrouwen op God van Jezus Christus, ofwel het geloof in Jezus Christus. Het laatste verdient hier de voorkeur.
De verlossing wordt gegeven “door” geloof. Dat is nadrukkelijk te onderscheiden van de gedachte dat mensen worden gered “vanwege” hun geloof in Christus. Geloof heeft zelf geen verdienste en is geen grondslag van behoud. De uitdrukking “door geloof” betreft de wijze waarop de verlossing wordt aangenomen. Geloof is “de hand van het hart” (Frédéric Godet), het is alleen de erkenning van wat God gedaan heeft (Karl Barth).
De gerechtigheid van God wordt aangenomen door middel van het geloof in Jezus Christus en daarmee strekt die gerechtigheid zich uit tot allen die geloven. Er is immers wat het geloof betreft geen onderscheid naar de persoon, maar geloof is zowel voor joden als niet-joden de enige weg tot behoud.

23 Want allen hebben gezondigd en missen de heerlijkheid van God,
Er is immers geen onderscheid wat betreft het probleem van de zonde. Zowel joden als niet-joden worden onder de wet van Mozes veroordeeld. Alle mensen schieten dus tekort om bij de heerlijkheid van God te blijven, dat wil zeggen zij hebben het recht verloren om in de heerlijkheid van de goddelijke aanwezigheid te staan en verloren het bijzondere privilege van de mens om in een directe gemeenschap met God te leven – zoals de mens oorspronkelijk bedoeld was. Het onvermogen om in de nabijheid van God te bestaan werd gesymboliseerd in de Tempel door de voorhang voor het Heilige der Heiligen. Het grote verlies vanwege de zonde is dus het onvermogen om in de presentie van de heilige God te staan, zoals Genesis 3:10 ook duidelijk maakt.

24 en worden om niet gerechtvaardigd door Zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.
En (zij) worden … Het is niet de bedoeling van Paulus om hiermee te zeggen dat net zoals iedereen gezondigd heeft ook iedereen gerechtvaardigd zal worden. Men kan lezen: omdat allen gezondigd hebben, moeten alle gerechtvaardigd worden – als ze gered willen worden – door de vrije genade van God. En men kan lezen: tot allen die geloven, die om niet gerechtvaardigd zullen worden ondanks het feit dat zij allen gezondigd hebben.
Wat betreft de rechtvaardiging. Het Griekse woord dikaioo betekent in klassiek Grieks: recht doen aan iemand, rechtvaardig oordelen, en daarom kan het soms ook betekenen “veroordelen”. In het Bijbelse Grieks van het Oude Testament wordt het eerder gebruikt in de betekenis van vrijspreken – zie Exodus 23:7 en Deuteronomium 25:1. In het Nieuwe testament worden doorgaans gebruikt in nog weer een andere betekenis, namelijk als het equivalent van “als rechtvaardig beschouwen, als rechtvaardig verklaren.” Het betekent zeker niet een verandering van karakter, dus zoiets als rechtvaardig maken is uitgesloten.
Rechtvaardiging is dus Gods verklaring voor eens en altijd dat de gelovige zondaar vrij is van schuld en oordeel. Vergeving van zonden betekent niet helemaal hetzelfde, omdat het ook van voortdurend belang is in het leven van de gelovige. Vergelijk bijvoorbeeld 1 Joh. 1:9. Er is dus een vergeving van zonden gekoppeld aan de rechtvaardiging, maar omdat en voorzover ook een christen nog zonde kan doen, blijft vergeving ook in het christelijk leven nog voortdurend van belang.
Om niet. Het Griekse woord betekent “als een gave, zonder reden) – de rechtvaardig verklaring heeft geen reden in het gedrag of karakter van de zondaars. God heeft een grondslag voor de rechtvaardiging uitsluitend in Hem zelf. Daarom is het ook door Gods genade en niet op grond van zijn rechtvaardig oordeel dat wij rechtvaardiging ontvangen.
De verlossing in Christus Jezus. De term verlossing komt uit de taal van de slavenmarkt. Als het vereiste bedrag wordt betaald, is de slaaf nu weer een vrij mens. Die verlossing brengt de vergeving van de zonden en in de toekomst ook de bevrijding van het lichaam, waarmee onze behoudenis volledig is geworden.

25 Hem heeft God openlijk aangewezen als middel tot verzoening, door het geloof in Zijn bloed. Dit was om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen vanwege het voorbijgaan aan de zonden die eertijds hadden plaatsgevonden onder de verdraagzaamheid van God.
Vers 24 sprak in de taal van de bevrijding van de slaven. Vers 25 spreekt in de taal van de tempel. De aansluiting met het vorige vers verloopt via het woord Christus Jezus.
Christus is voor ons een “verzoening”, dat wil zeggen een offer van verzoening. Het Griekse woord is hilastèrion, dat de plaats van de verzoening aangeeft. Het woord verwijst in de Griekse bijbel naar de bedekking van de ark in het Heilige der heiligen. Op die bedekking sprenkelde de Hogepriester het bloed voor de verzoening van de zonden van het volk op de Grote Verzoendag. Met het bloed werd de wrekende gerechtigheid van God tot vrede gebracht, wat in het Engels met de term propitiation wordt aangeduid. Dat is ook de betekenis van het Hebreeuwse woord kipper dat in Exodus 25:17-22 gebruikt wordt. Daarvan moet worden onderscheiden de term expiation dat het wegnemen van zonde en schuld bij de mens aanduidt. Het offer van de verzoening voldoet aan de strenge eisen van Gods rechtvaardigheid – propitiation is hier dus bedoeld. Maar de tweede betekenis van het wegnemen van de schuld is ongetwijfeld in dit offer betrokken.
Nog een gedachte. Het verzoendeksel is normaal gesproken aan het oog onttrokken omdat het in het Heilige der Heiligen staat. Het kruis van Christus is echter het ware Verzoendeksel en het is openbaar geweest voor de omstanders zoals het in de verkondiging van het evangelie openbaar wordt in de hele wereld.
Door het geloof. In Zijn bloed. Moeten we nu zeggen dat de gelovige zijn vertrouwen moet stellen in het bloed van Christus? Dan moeten we vertalen “door het geloof in Zijn bloed.” Maar geloven wordt bij Paulus nooit op een ding betrokken maar alleen maar op een persoon. Als we hier vertalen met geloof in Zijn bloed zou het het enige vers zijn waarin geloof niet op een persoon is gericht. Het is beter om te vertalen: een verzoening, namelijk (subjectief ontvangen) door het geloof, (en wat de objectieve grondslag betreft een verzoening die tot stand komt) in Zijn bloed.
Het offer van de verzoening is tegelijkertijd ook een demonstratie van Gods wrekende gerechtigheid, het is namelijk de straf voor de zonden die God voorheen nog alleen maar verdragen heeft – waardoor er twijfel kan zijn aan de absoluutheid van Gods gerechtigheid. (Vergelijk 2:4, “of veracht gij de rijkdom Zijner goedertierenheid et cetera.”) Jezus gaf Zijn leven in de dood plaatsvervangend voor zondaars en ontving het oordeel van vernietiging in hun plaats. Maar omdat Hij dit in Godsnaam doet vanuit liefde en als de volmaakte onschuldige is het vergieten van Zijn bloed van oneindige waarde en effectief voor eens en altijd voor degenen die geloven in Hem. Daarmee ontvangen de gelovigen de gerechtigheid van God, die ze als zondaars niet hebben en niet kunnen verwerven, als een vrije gave.
De verdraagzaamheid van God, in het Grieks parèsis, is de tijdelijke opheffing van een schuld. Of een gedeeltelijke en tijdelijke kwijtschelding. Daar staat tegenover de vergeving, in het Grieks de afèsis, een permanente en volledige kwijtschelding van een schuld
Als dit “deksel van de verzoening”, als de plaats dus van de volkomen voldoening en verzoening, is Christus “voorgesteld”, dat wil zeggen in het openbaar als zodanig getoond. Zo ook in Gal. 3:1 waar we lezen dat “Jezus Christus voor de ogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde” De nadruk ligt hier op deze openbaring van Gods gerechtigheid, zoals in vers 21 – geopenbaard – en vers 25,26 – betoning, die plaatsvindt in de proclamatie van het evangelie waarin het reddende werk van Christus centraal gesteld wordt.

26 Hij deed dit om Zijn rechtvaardigheid te bewijzen nu in deze tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is én rechtvaardigt degene die uit het geloof in Jezus is.
In dit vers gaat het om de betekenis van het kruis van Christus. Golgotha had een tweeledig doel. Door de straf die wij verdiend hadden op Christus te doen aankomen, heeft God publiekelijk geproclameerd dat God volkomen gerechtigheid is in Zichzelf. Tegelijkertijd heeft Hij daarmee Zijn barmhartigheid en genade gedemonstreerd, door zondaars nu te rechtvaardigen uitsluitend door hun geloof, dat wil zeggen door hun erkenning van dit feit. De erkenning van de uitoefening van Gods gerechtigheid op het kruis, is de wijze waarop een mens ook deel krijgt aan die gerechtigheid, dat wil zeggen de wijze waarop God hem die gerechtigheid heeft toegerekend. De dood van Jezus maakt het mogelijk dat zondaars worden vergeven zonder het rechtvaardig karakter van God aan te tasten.

27 Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door welke wet? Van de werken? Nee, maar door de wet van het geloof.
Hoe kan er in het licht van dit evangelie, nog zoiets zijn als eerbetoon of als verdiensten, dat wil zeggen “roem”? Tegenover God is elke roem uitgesloten. Het beginsel van die uitsluiting – de wet of het principe – is niet de wet van Mozes in zoverre deze bepaalde werken gebiedt of verbiedt. Tegenover mensen is zeker het doen van het goede een aanleiding tot roem. Het houden van de wet kan betiteld worden als een “eigen” gerechtigheid, zoals in Fil. 3:9, waar Paulus schrijft “niet hebbende mijn rechtvaardigheid, die uit de wet is”. De rechtvaardiging is uit geloof – en Luther voegde daar nog het woord “alleen” aan toe.
Een probleem is nu dat Paulus in hoofdstuk 2:13 de rechtvaardiging verbonden lijkt te hebben met de “daders van de wet.” Is de rechtvaardiging echter door geloof (alleen) dan zijn de werken van de wet uitgesloten. Als de rechtvaardiging berust op het doen van de wet, dan kan het geloof alleen maar – maar wellicht dan het belangrijkste – werk van de wet zijn. Er zijn twee mogelijke oplossingen. In de eerste plaats de retorische oplossing. In beginsel is rechtvaardiging alleen maar mogelijk op grond van de realiteit, dat de mens voldoet aan de eisen van Gods gerechtigheid, dus een dader van de Wet is. In de opbouw van het betoog blijft dan echter vervolgens, dat niemand tot het doen van de Wet in staat is gebleken. Daarom is een andere gerechtigheid noodzakelijk. In de tweede plaats de bevestigende oplossing. Dat wil zeggen dat het beginsel ook voor gelovigen gehandhaafd blijft. De constructie is dan deze: zij die door geloof gerechtvaardigd worden, zullen ook door de kracht van de Heilige Geest tot waarachtige daden van gehoorzaamheid aan Gods gerechtigheid in staat worden gesteld. Zodat uiteindelijk hun vrijspraak in het oordeel wel degelijk berust op hun doen van het goede. Dat laatste lijkt echter onwaarschijnlijk, omdat het beginsel zegt dat alle geboden moeten worden gehouden, terwijl ook in het leven van een christen zonde voorkomt. Het lijkt dus beter om de eerste oplossing te volgen, waarin de introductie van dit beginsel van rechtvaardiging ertoe moet leiden dat we beseffen daaraan nooit te kunnen voldoen. Bovendien lijkt de tekst in 2:13 vooral tot doel te hebben om joden ervan te overtuigen dat de maatstaf niet ligt in een horen en kennen van de wet, maar in het onderhouden van alle geboden. Dat is niet het beginsel van zowel het Oude als het Nieuwe Testament, maar wel het beginsel dat in de joodse uitleg van de wet in feite gehanteerd wordt. (Zij het dan naast een theologie die zegt dat iedereen in Israël al de behoudenis zal ontvangen simpelweg op grond van het feit dat zij tot het volk van het verbond behoren.)
Wanneer de mens wordt gerechtvaardigd uit geloof, is er geen onderscheid tussen grotere en kleinere zondaars. Kan men ook niet een betere of slechtere gelovige zijn. Daarom sluit de wet van het geloof – het door God geopenbaarde beginsel van de behoudenis – elke roem uit.

28 – 30 Wij komen dus tot de slotsom dat de mens door het geloof gerechtvaardigd wordt zonder werken van de wet.
Of is God alleen de God van Joden? En niet ook van heidenen? Ja, ook van heidenen.
Het is toch immers één en dezelfde God, Die besnedenen rechtvaardigen zal uit het geloof en onbesnedenen door het geloof.
De conclusie uit dit gedeelte, in verband met de eerdere vraag of er onderscheid is tussen jood en heiden wat betreft de behoudenis, moet dus zijn dat de mens, jood of heiden, door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken van de wet. Daarmee valt het voorrecht van Israël weg, en wordt het ook niet van belang of sommige heidenen nog beter zijn in het doen van het goede dan sommige joden.
Het evangelie blijkt dus een universele aanspraak te hebben omdat (vers 29) God zowel een God van joden als van heidenen is.
Bijzonder interessant is vers 30. Dat het evangelie zowel voor joden als voor heidenen bestemd is, is ook vanzelfsprekend als we bedenken dat er maar één God is. Ligt het dan niet voor de hand om te zeggen, dat Hij ook maar één enkele methode heeft om de mensheid tot Zichzelf terug te voeren? Nu wordt wel een zeker onderscheid gesuggereerd door het verschil in de twee preposities die Paulus gebruikt in vers 30. De jood wordt gerechtvaardigd “uit het geloof”, en de heiden wordt gerechtvaardigd “door het geloof.” Het is echter maar moeilijk voorstelbaar, dat Paulus aan de ene kant wilde benadrukken dat er geen onderscheid is, maar dat dan toch nog ingevoerd heeft met behulp van deze twee preposities. En het is zeker niet duidelijk wat dat onderscheid dan precies zou zijn. “Uit het geloof” lijkt wel te benadrukken dat het geloof de werkende oorzaak van de rechtvaardiging is. Geloof “doet” het tegenover God. “Door het geloof” benadrukt dat het geloof de instrumentele oorzaak is van de behoudenis, namelijk als de erkenning van het evangelie. Het geloof is dan alleen het middel van ontvangst van de vrijspraak. Van het geloof in Christus dat voor jood en heiden precies hetzelfde betekent, kunnen we dus wel zeggen dat het objectief de grondslag is van Gods rechtvaardiging – omdat wij geloven kan God ons rechtvaardigen – en subjectieve de wijze van ontvangst is – omdat God ons gerechtvaardigd heeft, geloven wij dat. Maar wellicht is dit te zeer op een linguïstisch onbelangrijk detail gebaseerd. Het is zeker denkbaar dat Paulus hier alleen maar een stilistische variatie wilde invoeren zonder daarmee een semantisch onderscheid te maken.

31 Doen wij dan door het geloof de wet teniet? Volstrekt niet, maar wij bevestigen de wet.
Een dringende vraag komt dan nog op. Er is weliswaar gezegd dat de Wet van Mozes getuigenis aflegt van de gerechtigheid van God die nu openbaar is geworden (vers 21), maar houdt dat niet in dat het geloof in Christus nu als volledig nieuw beginsel optreedt en dus de gehele strekking van de Wet terzijde schuift en vervangt? Stellen wij de Wet niet buiten spel door het geloof? Als het antwoord bevestigend zou zijn, komen we immers in conflict met Mattheus 5, waar Christus nadrukkelijk zegt dat Hij niet gekomen is “om de Wet of de profeten te ontbinden” (Mat. 5:17).
Wanneer Paulus echter zegt dat dit evangelie een bevestiging van de Wet is, dan is het de vraag hoe we dat moeten verstaan. Wanneer wij de term “wet” in de betekenis nemen van de heilige Schrift, dan komt het overeen met vers 21. Wet en profeten openbaren het karakter van de Messias. Het evangelie wordt bij Abraham en David al geanticipeerd. Een tweede mogelijkheid is dat de wet wordt bevestigd in het vernietigende oordeel over de menselijke zonde. Juist dat oordeel fundeert de noodzaak van een andere gerechtigheid en in die zin legt de Wet van Mozes daar al getuigenis van af. Maar het is ook nog, in de derde plaats,  mogelijk,  dat bedoeld wordt wat we kunnen samenvatten met de term heiliging. De wet wordt bevestigd omdat degenen die gerechtvaardigd zijn en vrijgesproken van het uiteindelijke oordeel, zijn bevrijd van zonde en schuld “opdat de rechtvaardige eis van de wet vervuld zou worden in ons, die niet naar het vlees wandelen, maar naar de Geest” (8:4). De gerechtvaardigde zondaar komt er toe om te leven naar Gods eis van de gerechtigheid, en daardoor komt op een verrassende wijze een bevestiging van de Wet tot stand. Dat past bij de interpretatie, dat het beginsel van hoofdstuk 2:13 van blijvende waarde is en niet retorisch is bedoeld. Dan geldt ook voor christenen, weliswaar niet dat zij gerechtvaardigd worden als daders van de wet, want zij worden om niet gerechtvaardigd als zondaars door het geloof, maar wel dat zij bij dat laatste oordeel ook zullen blijken daders van de wet te zijn geweest in de kracht van de heilige Geest.

(wordt vervolgd)

MAAR God, die rijk is aan barmhartigheid… Verkondiging over Efeze 2:1-10

Broeders en zusters, gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Inleiding
Ik wil met u vanuit het gedeelte uit de brief aan Efeze bij drie dingen stilstaan: bij de diagnose die God geeft van de menselijke toestand; vervolgens bij de remedie die Hij gegeven heeft, en tenslotte bij het leven na de genezing dat God ons geschonken heeft. Diagnose, remedie en het gezonde leven dus.

1. Eerst het minder leuke gedeelte: de diagnose.

Sommigen van u zullen het helaas hebben meegemaakt. Dat moment dat de behandelend arts tegen u zegt: “Ik weet niet wat we er nog aan kunnen doen.” De diagnose is duidelijk, maar we hebben geen remedie. Tot dat moment had u hoop. Tot dat moment zag u nog voor u dat er een einde zou komen aan uw lijden. Maar die woorden van de arts: “U bent uitbehandeld” nemen alle hoop weg.
Zoals het in de sfeer van het lichamelijke is, zo is het ook in de sfeer van het geestelijke. Mensen stellen een diagnose van de problemen waarmee we worstelen: de armoede in de wereld, de stille armoede in onze eigen samenleving. We zeggen dat de mens ziek is, of teveel religie heeft, of te weinig religie heeft, of te weinig kennis. Het onrecht in de wereld, zeggen mensen, dat komt van ongelijkheid, hebzucht, onrechtvaardige structuren en instituties. We zeggen dat we daar wel een remedie voor hebben. Als de mens ziek is, dan heeft hij meer medicatie nodig; als de mens gewelddadig is, dan hebben we meer wetgeving en strengere straffen nodig. Als de mens onverstandig handelt, dan moet er meer scholing komen en misschien wel indoctrinatie – zoals ze in communistische landen zo lang geprobeerd hebben. Hoe oppervlakkiger de diagnose is, hoe oppervlakkiger ook de voorgestelde remedies zijn. En als we het helemaal niet meer weten dan zingen we iets in de trant van “we bennen in de wereld om mekaar om mekaar te hellupen nietwaar.”
Maar het is opvallend hoe weinig mensen tegenwoordig de diagnose van de Bijbel aanvaarden die zegt dat het kernprobleem van de mens is, dat hij een zondaar is tegenover God en zijn naaste. Dat er in ons geen goed woont. Of de nog zwaardere diagnose die we gelezen hebben in de brief aan Efeze waar Paulus zegt: jullie zijn dood in misdaden en zonden. Dat betekent niet: dood vanwege misdaden en zonden, maar we zijn wandelende doden, we zijn geestelijk dood, en daarom bedrijven we misdaden en zonden. Zombies zijn we! Ons lichaam leeft, en onze ziel is dood tegenover God. Dat is de goddelijke diagnose van onze toestand. Dat hakt er pas echt in. Want als er nog een greintje geestelijk leven in de mens zou zitten, dan was het misschien nog zinvol om naar remedies te zoeken. Maar het is de Heere God die hier zegt: jullie zijn dood, uit jezelf kun je niets, je kunt niet antwoorden op Gods stem, je kunt de geboden van God niet verstaan, laat staan gehoorzamen, en dat wil ook zeggen jullie remedies werken niet, helpen niet, geven jullie geen uitweg. Jullie zijn uitbehandeld. Die diagnose is voor de mens onaanvaardbaar. En toch is het – we weten dat toch wel – alleen de correcte diagnose die ons zicht kan geven op de geweldige remedie God zelf in de wereld heeft gebracht. Dat is voor iedereen de laatste uitweg.
Ik wil niet heel lang blijven stilstaan bij deze diagnose, maar het liegt er niet om:
• We leven in overeenstemming met de overste van de macht van de lucht, d.i. met de Satan als de bron en regisseur van het kwade.
• We volgen de begeerten van het vlees en we gehoorzamen aan het vlees – d.i. we zijn geheel en al opstandig tegenover God
• We zijn van nature – meteen al vanaf onze geboorte, kinderen van de toorn, voorbestemd voor Gods toorn.
Maar als je dan zou zeggen tegen deze Goddelijke Geneesheer: is er dan niets aan te doen? Als je met heel je hart zou uitschreeuwen, zoals Paulus dat deed: “Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen uit dit lichaam van de dood?” Dan zou er een antwoord komen, geen oppervlakkige remedie maar een werkelijk antwoord.

2. Zo komen we in vers 4 bij de remedie. Er komt een goddelijk MAAR in de tekst. Maar god die rijk is aan barmhartigheid, wat doet deze God nu? Die heeft ons levend gemaakt met Christus. Hij heeft ons het leven van Christus geschonken. Hij laat ons geestelijk doormaken wat Christus doorgemaakt heeft. Maar dan in deze vorm: opgestaan uit de doden in Christus en doen zitten in de hemelse gewesten, in Christus. Kijk, dat is de enige remedie: wij waren dood, maar God maakt ons levend. Er is voor de kern van onze geestelijke problemen een waarachtig medicijn.
U kunt ongetwijfeld het verhaal van de opwekking van Lazarus. Is dat geen fraaie gelijkenis van de manier waarop God onze ziekte geneest, ons onvermogen en onze zwakte overwint? Die Lazarus zijn wij: dood, afgezonderd van het leven in het graf, omringd met windsels en zonder mogelijkheid om te bewegen en te spreken.
Maar dan komt de stem van de Zoon van God: Lazarus ga uit! Met die roepstem heeft Hij ons allen geroepen, als u ook werkelijk tot bekering bent gekomen, als U weet dat de Heer Jezus Christus Uw Heer en Verlosser is. U bent door Hem bij name geroepen, en uw dode ziel en geest hebben gehoorzaamd – hoe kan het ook anders, het is de stem van God Zelf – en u bent uit het graf tevoorschijn gekomen., Eerst aarzelend en onzeker, nog steeds omwikkeld door de banden van de dood, door de windsels, zonder veel te zien om dat licht van het leven uw blik verblindt. Maar dan komt u in het land van de levenden.

3. Het nieuwe leven
Het is wel belangrijk om dan te zien welk land dat is. Niet voor niets zegt de Schrift hier, dat we met Christus geplaatst zijn in de hemelse gewesten. Dat is voor allen die God geroepen heeft, die met Christus zijn opgestaan, het ware vaderland. Daar horen we thuis, we horen dáár te zijn en te leven waar Christus is. Zijn we als Christenen niet vaak geneigd om vooral bezig te zijn met het aardse leven? Met de zorgen van alledag, met onze ambities. Want dat doen we ook als we genezen worden verklaard in het ziekenhuis. We keren terug naar het oude leven en leven op dezelfde manier verder. Soms met wat beperkingen en stapels medicijnen om gezond te blijven, maar toch. Zo is het niet met deze geestelijke genezing en dat is dan mijn derde punt.
Kijken we naar vers 10, dan zien we dat. De diagnose was: dood in misdaden en zonden. De remedie: dat God ons uit de doden doet opstaan, met Christus één maakt in Zijn opstanding, ons deel geeft aan Zijn leven. Maar dan keren we niet terug naar het oude leven, maar is er een “nieuwe schepping” zoals Paulus zegt, er is een “nieuwheid van het leven” waarin we wandelen.
We zijn geschapen in Christus Jezus tot goede werken. We mogen de werken van God gaan doen, gehoorzamen aan Zijn geboden, het goede doen dat Hij ons opdraagt. En nu kunnen we dat ook. Hij heeft ons geloof en vertrouwen geschonken., Hij gaf ons de Heilige Geest zodat Christus in ons woont, Hij, deze Geest, komt ons te hulp in ons gebed en helpt ons God te kennen als onze hemelse Vader. Daarom kunnen we nu wandelen in goede werken in plaats van dood zijn in misdaden en zonden.
En het mooiste is, dat God deze al van tevoren voor ons klaar zet, dat Hij ons die goede werken aanreikt: we hoeven ze zelf niet te verzinnen, we hoeven ze zelf niet op te zoeken, maar elke dag van ons leven geeft Hij ons de mogelijkheid het goede te doen, te wandelen in deze nieuwheid van het leven.

• Diagnose: dood in de zonden
• Remedie: opstaan uit de doden met Christus
• Resultaat: een nieuw leven waar in wij het goede doen.

4. De hemelse gewesten
Is dat niet prachtig? En als dit leven dat God ons schonk al zo mooi is, wat moet dat leven in die hemelse gewesten dan niet zijn? Wat is er dan te vinden in die hemelse gewesten?
Oneindig veel en oneindig hoog moet dat zijn. Maar we kunnen er wonen, zegt de Heere in Johannes 14, we hebben er een ruimte om te wonen. Je kunt het niet beschrijven. Het moet een bepaalde schoonheid hebben, die kan ontroeren, zoals een zonsopgang na een lange, met zorgen vervulde nacht. Het moet ons diep vrolijk maken, zoals het aanstekelijke lachen van een kind dat van een ziekte is genezen. Het is diep ernstig maar ook eenvoudig, zoals de ondoorgrondelijke majesteit van sterren en planeten die volgens Gods wil aan de nachtelijke hemel Gods eer verkondigen. En dan kun je al deze gevoelens bij elkaar optellen en met 10.000 vermenigvuldigen en dan heb je een fractie van wat je zou voelen als je eenmaal in die hemelse gewesten aankomt.
Die hemelse gewesten moeten ook een wonderbaarlijke vrijheid met zich meebrengen, omdat alle beperking is weggevallen. Alle ketenen die we hier nog voelen zijn verbroken. Je kunt het omschrijven als een diep geluk, omdat schoonheid en vrede en vreugde alle andere negatieve gevoelens hebben verdreven. Je kunt het de mooiste orde noemen, omdat in de hemel Gods wil volledig gedaan wordt, zodat alles en iedereen tot volle bloei komt – de Bijbel zegt daarom dat God ons “verheerlijkt” in de hemel, d.w.z. dat Hij ons innerlijke wezen volledig tot bloei brengt, tot ontplooiing brengt. Je kunt het ook de zaligheid noemen, omdat er geen behoefte en geen verlangen meer is, geen enkele onrust of zorg, want we gaan geheel en al op in de brede en diepe stroom van Gods leven. Er is geen aarzeling meer en geen hartstocht die angstig maakt; we willen elkaar begrijpen en in die hemel sfeer lukt dat ook. We zetten ons niet meer in voor eigen gewin en dat hoeft ook niet meer, want anderen houden rekening met ons, In die hemelse gewesten begrijpen mensen maar één ding, maar in het lucht daarvan komt al het andere tot verschijning: namelijk dat God liefde is. Tel dat alles bij elkaar op en vermenigvuldig het met 10.000, dan heb je een fractie van wat de hemel is.
In dat licht moeten we begrijpen wat Paulus hier zegt: wij zijn gezet, geplaatst in die hemelse gewesten in Christus. We horen daar al thuis. Dat is ons nieuwe vaderland. Omdat de Heer Jezus de dood overwon, en ons meenam in Zijn opstanding. Dat is de rijke barmhartigheid van God, dat is het resultaat van Zijn inzet voor ons, dat is de rijkdom van Zijn genade waarmee Hij zo overvloedig geweest voor ons.

Besluit
Daarom hebben gezongen in lied 234 wat de praktische toepassing is van deze heerlijke waarheden die de apostel ons heeft voorgehouden:
Al wat zondig is veracht – moeten we verachten, naast ons neer leggen, vermijden, negeren.
Meer den geest van d’aard verheven – wegkijken van hier beneden, het hoofd omhoog, de hart gericht naar boven!
Hem die ons in de hemel (op-)wacht, Hem moeten we geheel ons hart geven – niet een beetje en niet af en toe, maar Hem geheel en al toegewijd zijn.
Waar onze hemelse woning, ons hemelse vaderland ligt, bij Christus daarboven, daarheen moet ons oog gericht zodat we de wereld zien in Zijn licht, en daarheen moet ons hart zijn gericht, opdat wij werkelijk antwoord kunnen geven aan de liefde van God, die zo zichtbaar werd in Christus Jezus: want Hij gaf zich voor ons in de dood, toen wij nog vijanden van God waren, toen wij zondaars waren heeft Hij zich over ons ontfermd, en deed ons zitten en tot rust komen in de hemelse gewesten in Christus. Broeders en zusters, dat is onze eigenlijke en ware realiteit ook in het heden! Dit alles is niet toekomstig alleen, maar ook hier en nu.
Welk een liefde vol van leven, steeds en nooit genoeg geroemd,  heeft de Vader ons gegeven, dat Hij ons Zijn kinderen noemt.
Hem zij de eer en de heerlijkheid en de kracht tot in eeuwigheid.
AMEN