De wederkomst van Christus – 1 Thess. 4

Verkondiging over de wederkomst op zondag 28 mei 2017.
Belangrijk: de Heere tegemoet in de lucht betekent niet een opname van de gemeente, maar is een beeld voor een “ontvangstcomité” dat na de ontmoeting met de Heere terugkeert naar de aarde.
Er is maar één wederkomst, niet twee. Op die “Dag des Heeren” zal het Koninkrijk van de Zoon komen, niet zonder eigen moeilijkheden en strijd, en Jezus zal handelen in de wereld als de Koning van Israël. Na een bepaalde tijd – wellicht letterlijk 1000 jaar – zal de Zoon volgens 1 Kor. 15 het Koningschap overdragen aan de God de Vader en “zo zal God zijn alles in allen.”

De wederkomst van Christus als grondslag van de vertroosting over de ontslapen heiligen – 1 Thess. 4

Verkondiging over de wederkomst op zondag 28 mei 2017.

Belangrijk: de Heere tegemoet gaan in de lucht betekent niet een opname van de gemeente, maar is een beeld voor een “ontvangstcomité” dat na de ontmoeting met de Heere terugkeert naar de aarde. Er is maar één wederkomst, niet twee.

Op de “Dag des Heeren” zal het Koninkrijk van de Zoon gevestigd worden, niet zonder eigen moeilijkheden en strijd, en Jezus zal handelen in de wereld als de Koning van Israël en de wereld. Na een bepaalde tijd – wellicht letterlijk na 1000 jaar – zal de Zoon volgens 1 Kor. 15 het Koningschap overdragen aan God de Vader en “zo zal God zijn alles in allen.”

Zoals Paulus zegt: “vertroost elkaar met deze woorden.”

Voorbereiding van de verkondiging op Hemelvaartsdag 2017

NB, helaas is er geen opname van de preek op Hemelvaartsdag…

Zusters en broeders, gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Van alle kerkelijke feesten is Hemelvaart het kleinste. Zeer uitbundig vieren wij kerst, diep bewogen vieren wij Goede Vrijdag, en vol vreugde ook het Paasfeest. Daarna bewegen wij ons zo snel als maar kan naar Pinksteren waarmee we het seizoen van de grote feesten afsluiten. Daar tussenin zit dan Hemelvaart. Ik ben zeer dankbaar dat onze gemeente dat op de donderdag apart viert. Veel andere gemeenten bestempelen de zondag erna als “Hemelvaartszondag” en proberen er dan aandacht aan te besteden. Maar wij vieren waarachtig Hemelvaart vandaag.

Ook in onze geloofsbelijdenis neemt de Hemelvaart maar een kleine plaats in. “Opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods” – meer niet. Maar toch is deze Hemelvaart van het grootste belang. Niet alleen omdat deze gebeurtenis het verhaal van Jezus compleet maakt. Maar ook vanwege de praktische consequenties voor ons leven.

1. Het belang van Hemelvaart

Als we de Bijbel goed lezen, dan zien we hoe belangrijk Hemelvaart geweest is voor de apostelen. Neem bijvoorbeeld het gebed dat Paulus uitspreekt voor de gemeente van Efeze. Hij bidt dat de gelovigen van Efeze zullen weten hoe groot de kracht is die God in hun levens werken wil. En dan bemoedigt hij hen door die kracht te benoemen. Het is geen lege troost. Het is gebaseerd op een realiteit. Hij zegt: “hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken – dat is de opstanding – en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten  boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. En Hij heeft alles onder zijn – dat is Christus’ – voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt” (Efeze 1:19-23). Nu weten de gelovigen in Efeze waar deze kracht vandaan komt, die hen staande houdt. Het is de kracht van de opstanding in de eerste plaats, maar vervolgens ook de macht van de Hemelvaart. Jezus is boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam verheven. Alles is onder zijn voeten gesteld. Hij is het hoofd boven al wat is. En dat hoofd, die koning, die opperste gezaghebber over het heelal, is gegeven aan de gemeente. Juist als de Hemelse Heer staat Hij nu in betrekking tot alle gelovigen en met de Gemeente als geheel. Paulus zegt het dus zó, dat de opstanding een “moment” is in de geschiedenis van de Heere Jezus, maar dat de kracht van Zijn leven en opstanding pas aan de gemeente merkbaar wordt door de Hemelvaart!

Paulus heeft in dit gebed veel meer woorden uitgesproken over de Hemelvaart dan over de opstanding. Waarom is dan de Hemelvaart zo belangrijk voor ons? In diezelfde brief noemt Paulus in ieder geval twee redenen. In de eerste plaats is Hemelvaart de voltooiing van de heilsgeschiedenis. Zo lezen we in 4:10, “hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen.” Wat wordt er dan tot volheid gebracht? Wel, alles! Hemelvaart is het doel van de vleeswording van Christus. Kerst zou niets betekenen zonder de Hemelvaart. Dat Jezus is geboren, en dat Hij God Zelf is, heeft geen betekenis voor ons en voor de wereld als het daarbij gebleven was. Maar dat geldt ook voor de kruisdood van Christus. Zonder opstanding en Hemelvaart, is dat alleen een tragische moord. En de opstanding die we vieren met Pasen is dan weliswaar de overwinning van Christus over de dood, maar dat heeft voor ons en de wereld geen gevolgen zonder de Hemelvaart. Stel je voor dat er geen Hemelvaart geweest was. Dan zou de Heilige Geest niet gekomen zijn, de gemeente nooit zijn begonnen, en dan zou ergens in Israël nog een man rondlopen die claimde Jezus te zijn. Wat zou er dan gebeurd zijn? Zou Hij dan niet steeds opnieuw gekruisigd zijn? Zou dan de opstanding niet steeds herhaald moeten worden?

De Hemelvaart is dus de voltooiing van het leven en de missie van Jezus. En dat heeft ook gevolgen voor ons, en dat is de tweede reden, en dat lezen we in het tweede hoofdstuk in vers 6. “(Hij) heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus.” Wij hebben een plaats in de hemelse gewesten. De hemel is ons ware vaderland, omdat onze Koning daar is. En daarom is ons sterven geen reis in het vreemde, maar een thuiskomen bij onze hemelse Vader.

2. De ervaring van Hemelvaart voor de discipelen

2a. het slot van Lukas

Zo belangrijk is dus de Hemelvaart in de gedachten van Paulus. Maar in contrast daarmee is het wel opvallend hoe beknopt de weergave is die Lucas ervan geeft aan het eind van zijn evangelie en aan het begin van het boek Handelingen. We lezen in Lukas 24 dat Jezus aan de apostelen de opdracht geeft om in Jeruzalem te blijven totdat zij “kracht uit den hoge” zouden ontvangen. In Jeruzalem blijven tot de komst van de Heilige Geest dus. Dan brengt Jezus hen naar Bethanië, dat tegen de zuid-oostelijke wand van de Olijf berg aanligt. Vervolgens heeft Hij de handen omhoog geheven en hen gezegend. Dat is het laatste dat de discipelen van Hem gezien hebben. Zijn zegenende handen. En precies op dat moment is Hij van hen gescheiden geraakt, dat wil zeggen opgenomen in de heerlijkheid van de Vader. Ze hebben een zegen ontvangen die niet ophoudt. Iedereen weet hoe belangrijk het moment en de manier is waarop hij afscheid van elkaar nemen. Soms staat het afscheid in ons geheugen gegrift en denken wij er steeds aan terug. Ik heb er geen moment twijfel over dat Jezus precies wist dat Hij op deze manier afscheid wilde nemen. Zodat de herinnering aan deze zegen hun leven lang bij hen zou blijven.

Nu waren de discipelen van tevoren zeer angstig geweest vanwege het vooruitzicht dat Jezus van hen zou scheiden. Daarom zegt Jezus tegen de discipelen in Johannes 14: “uw hart worde niet ontroerd”, in een andere vertaling: “uw hart moet niet verschrikt raken.” Want Jezus ging wel heen, maar dat was om voor hun een plaats te bereiden in het Vaderhuis. Hij gaf daarbij meteen de belofte dat Hij zou terugkeren: “(dan) kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.” Maar nadat de Heere 40 dagen lang onderwijs heeft gegeven, en na deze zegen te hebben gegeven, zijn ze van deze angst bevrijd: “En zij keerden terug naar Jeruzalem met grote blijdschap, en zij waren voortdurend in de tempel, lovende God” (Lukas 24:52,53). Niet alleen was de angst verdwijnen en had plaatsgemaakt voor blijdschap, opvallend is ook de vrijmoedigheid waarmee deze discipelen, die zich eerst uit de angst voor de joodse leiders hadden verborgen in een achterafkamertje, nu in het openbaar in de tempel God prijzen vanwege hun levende Heer.

2b. Het begin van Handelingen

Met deze korte weergave van de Hemelvaart eindigt het evangelie van Lucas. Maar Lucas heeft nog een tweede boek geschreven, het boek Handelingen. Aan het begin van dat tweede boek zegt Lukas dat zijn evangelie geschreven is “overal wat Jezus begonnen is te doen en te leren, tot de dag dat Hij werd opgenomen” (1:1-2a). Hieruit kunnen wij twee dingen opmaken. In de eerste plaats dat de beide boeken van Lucas spreken over wat Jezus doet en leert. Het eerste boek gaat immers over het begin daarvan, over wat Jezus heeft gedaan en geleerd tot op de dag van Zijn Hemelvaart. Maar dan ligt het voor de hand, ten tweede, dat de Handelingen nu gaan over wat Jezus heeft gedaan en geleerd in de kracht van de heilige Geest door middel van de apostelen. Nu noemen wij dat boek meestal de Handelingen der apostelen, maar het zou dus veel beter zijn geweest om het de titel: “de Handelingen van de verhoogde Heer” te noemen. Zoals het evangelie dan had kunnen heten: “de Handelingen van de vernederde Heer.”

Na de veertig dagen van onderwijs komen de discipelen nog met een laatste vraag. Zo lezen we in vers 6: “Heere, herstelt U in deze tijd het koningschap voor Israël?” Jezus antwoordt dat het hun niet gegeven is de tijden of gelegenheden te weten die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft. In feite zegt Jezus nu dat alle speculatie over de toekomst, al het bezig zijn met het herstel van het koninkrijk, niet aan de orde is. Wat nu aanbreekt is niet de tijd van de vervulling, maar de tijd van het afwachten. De tijden of gelegenheden, de toekomst van het koninkrijk, is niet onze zaak. Het is zeker niet onze opdracht omdat Koninkrijk te verwerkelijken of zelfs maar voor te bereiden. De komst van het Koninkrijk ligt uitsluitend in de beschikking van de Vader, en is verbonden met de Terugkeer van Jezus. Maar dat betekent niet dat de discipelen ondertussen niets te doen hebben. Vers 8 zegt daarom in de eerste plaats dat de apostelen kracht van boven zullen ontvangen. Namelijk wanneer de Heilige Geest over hen komt. De Trooster zou komen! Maar het doel van de komst van de Heilige Geest is niet om de discipelen van Jezus nu gelukkig te maken of in afzondering te bewaren, maar om het voor hun mogelijk te maken aan hun opdracht te voldoen. Zij moeten immers nu de getuigen van Jezus zijn. Niet alleen in Jeruzalem, maar tot aan de einden der aarde – een opdracht die de apostelen zelf maar gedeeltelijk konden vervullen, maar die uiteindelijk voor alle gelovigen geldt.

Na dit bevel van de Koning zal de zegen hebben plaatsgevonden waarover Lucas in zijn evangelie spreekt, en daarna lezen we over de Hemelvaart. Over die Hemelvaart is natuurlijk heel veel speculatie geweest. Wat betekent het nu dat Jezus is opgenomen? Hoe moeten wij ons voorstellen dat een wolk Hem aan hun ogen heeft onttrokken? Er zullen veel mensen zijn die simpelweg redeneren dat zoiets niet kan, en daarom ook niet gebeurd is. En sommigen van hen zullen ongetwijfeld geprobeerd hebben om aan deze weergave van de feiten een symbolische verklaring te geven. Het is echter opvallend dat Lucas op geen enkele manier dit wonderbaarlijke feit met mooie woorden probeert te verklaren. Hij geeft het weer als een simpele constatering van een gebeurtenis. De tekst heeft de zakelijkheid van een mededeling. Zo spreekt een historicus die eenvoudig de feiten wil weergeven. Zonder een eigen verklaring te bedenken, en zonder zijn verhaal aan te vullen met allerlei invallen en fantasieën.

3. De Hemelvaart als gebeurtenis

Ik denk dat we de Hemelvaart moeten nemen en lezen, zoals we ook lezen over de schepping. Ook het boek Genesis begint met een eenvoudige constatering, een mededeling van een feit. “In den beginne schiep God de hemel en de aarde.” Ook bij de uittocht uit Egypte is de mededeling van grote eenvoud: “de Heere deed de zee de gehele nacht door een sterke oostenwind wegvloeien” (Ex. 14:21). Op dezelfde manier spreekt de Bijbel over de geboorte van Jezus uit de maagd Maria: “en zij baarde haar eerstgeboren zoon” – zonder ophef, zonder wonderbare gebeurtenissen. Over het lege graf, en de weggerolde steen, en de opgerolde zweetdoek, en de verschijning van engelen en de aardbevingen en het gescheurde voorhangsel in de tempel wordt in de vorm van een simpele mededeling van een feit gesproken. Een dergelijke eenvoud is voor mij altijd behulpzaam geweest. Het is een teken dat wij niet te maken hebben met kunstig bedachte fabeltjes maar met een betrouwbare weergave van feiten door ooggetuigen. Zoals Petrus zegt: “want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd” (2 Pe. 1:16).

Het blijft lastig om ons de Hemelvaart voor te stellen. Het is veel makkelijker om een schilderij te maken van de geboorte of van de opstanding. Maar het is wel duidelijk dat door heel de Bijbel heen de belangrijkste macht in het universum – God Zelf en al Zijn wonderbare daden – juist onzichtbaar is. Het is niet voor niets dat het geloof geldt als “het bewijs der dingen, die men niet ziet”, omdat alles wat zichtbaar is, “door het woord Gods tot stand gebracht is, zodat het zichtbare niet ontstaan is uit het waarneembare” (vgl. Hebr. 11:1-3). In ieder geval is het duidelijk dat Jezus niet langer op aarde is. De levende Heer is aan ons oog onttrokken en geplaatst in een onbereikbaar “Boven”. De verkondiging zegt dat Hij herenigd is met de Vader in de hemel. Dat Hij nu gezeten is aan de rechterhand van God en dat daarmee Zijn werk voltooid is. Hij neemt de positie in van de ware Koning van het universum. En dat gegeven blijft niet zonder gevolgen.

Misschien is van alle feesten die wij als Christenen vieren, de Hemelvaart het moeilijkste ook om door te vertellen. Wie niet in Christus gelooft, kan zich nog iets voorstellen bij het Kerstverhaal en ontroering voelen over het kind in de kribbe uit het arme gezin in Galilea. Wie niet in Christus gelooft, kan nog denken dat het verhaal van Pasen troostrijk kan zijn zoals een sprookje troostrijk kan zijn. Maar wat moet iemand die niet in Christus gelooft nu met het verhaal van de Hemelvaart? Juist het verhaal over de kroning van Jezus, kan voor een ongelovige alleen maar bedreigend zijn. De kroning van Jezus geeft immers de garantie in de eerste plaats dat Jezus nu regeert. Hij is het door God ingestelde wettige gezag over de wereld. Alle schepselen zijn er aan gebonden om de geboden en verboden van deze levende Heer te gehoorzamen. Maar de kroning van Jezus garandeert ook, wanneer Hij daadwerkelijk het gezag over de wereld rechtstreeks gaat uitoefenen, dat er over alle ongerechtigheid van mensen een oordeel wordt geveld. De Hemelvaart geeft de garantie van de Terugkeer van de ware Rechter, die “zal oordelen over levenden en doden.” Zo bezien, is het eigenlijk het enige feest waar een ongelovige helemaal niets mee kan. Behalve dan een vrije dag accepteren, zolang een samenleving met christelijke tradities nog een vrije dag schenken wil.

4. De Hemelvaart in het Oude Testament

Het is denkbaar dat Lucas zijn weergave van de feiten ook zo beperkt heeft, omdat wij uit andere bronnen ook over de Hemelvaart worden ingelicht. Je kunt dan denken aan de Psalmen, bijvoorbeeld Psalm 110: “aldus luidt het woord des Heeren tot mijn Heere: “Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten”” (110:1). Een eerste vervulling hebben deze woorden ongetwijfeld gehad bij de kroning van David of bij een van zijn nakomelingen. Maar het is duidelijk dat David nooit priester is geweest. Daarover spreekt het vierde vers: “De Heere heeft gezworen en het berouwt Hem niet: Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchizedek.” Over wie spreekt de Psalm dan? Wie is dan deze priester?

Stel je voor dat David naar huis gegaan is, na een dag hard werken, en dat zijn vrouw hem dan vraagt hoe zijn dag geweest is. David zegt dan dat hij een bijzonder mooie dag heeft gehad, en dat hij een paar mooie dingen geschreven heeft en leest dan Psalm 110 voor. “Prachtig,” zegt zijn vrouw. “Een koning die ook priester is, en rebellerende heidenen zal verslaan. Dat is inderdaad mooi. Maar over wie gaat dat nu?” Dan zal David tegen zijn vrouw moeten zeggen: “ik heb geen flauw idee.” Dat David niet precies heeft geweten over wie hij sprak, durf ik u te zeggen vanwege de woorden van Petrus in zijn eerste brief. Hij spreekt daar over het bijzondere van de zaligheid die nu in Christus geopenbaard is. (En zegt dan tussendoor: “in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien”, de belangrijkste macht in het universum is inderdaad onzichtbaar.) En dan in vers 10: “Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna” (1 Pe. 1:10, 11).

Ziet u het verband? Daarom ook is de Hemelvaart zo belangrijk, omdat deze voorspeld is in het Oude Testament. Een andere passage uit de Profeten is misschien nog duidelijker. In Daniel 7 lezen we “Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een Mensenzoon; hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde hem voor deze; en hem werd heerschappij gegeven en eer en Koninklijke macht, en alle volken, nazi en talen dienden hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is” (vers 13). Is dat niet de andere kant van de ervaring uit Handelingen 1? Zoals Lukas beschrijft dat Jezus aan de ogen van de discipelen werd onttrokken door een wolk, zo schrijft Daniel over wat er gebeurd is aan de andere kant van de wolk, in de hemel. De Zoon des mensen heeft het koningschap ontvangen van God.

5. De praktische toepassing van Hemelvaart

Wat is nu de praktische toepassing van Hemelvaart voor ons. Ik wil vier punten aanwijzen waaruit naar voren komt hoe belangrijk Hemelvaart ook voor ons is. Dus niet alleen maar om het verhaal van Jezus compleet te maken, maar ook om te beseffen dat ons leven er zonder de Hemelvaart werkelijk heel anders uitgezien had.

  1. We mogen ons vandaag realiseren dat de opperste Heerser over het heelal, de Koning van de gehele wereld, onze Heere Jezus Christus is. Hij leeft, en Hij is actief en betrokken op de wereld om ons heen net zo goed als op onze persoonlijke levens. Als wij Zijn Troon naderen, dat wil zeggen in ons gebed, in het besef van onze zwakte, schuld en zonde, met gebogen hoofd, dan vinden wij een troon van genade! Wat is het toch vreselijk dat veel mensen denken dat alles uiteindelijk van hen afhangt. Wat is het toch armzalig als je je vertrouwen stelt op jezelf of op de dingen van deze wereld. We hebben nog maar net het zogenaamde Ik-tijdperk achter de rug. Het vulde onze hele cultuur in het Westen. Jouw leven draait om jezelf, om jouw prestaties, om jouw glorie, om jouw aangeboren goedheid, om jouw ontplooien, om jouw carrière, om jouw geluk. Maar óns leven is met Christus in de hemelse gewesten geplaatst, zoals we Paulus horen zeggen in Efeze 2. En daarom mogen we belijden met Zondag 1 van de Heidelbergse Catechismus, dat onze troost niet is dat wij op onszelf zijn aangewezen, maar dat wij niet van onszelf zijn, en dat wij mogen leven en zullen sterven niet voor onszelf maar voor de Heere. Want wij zijn Zijn eigendom, gekocht door Zijn kostbaar bloed
  2. Maar dan mogen we ook in ons leven moedig zijn, vol zekerheid, om onze opdracht als dienaren van deze koning te kunnen vervullen. In het besef dat alles wat wij doen in de naam van de Heer Jezus niet tevergeefs zal zijn.
  3. Dan mogen we ook weten dat Jezus niet onverschillig staat tegenover onze strijd en moeite. Hijzelf heeft een diepe lijden moeten doormaken en daarom is hij de meest barmhartige Hogepriester die we ons maar kunnen voorstellen. We mogen onze zorgen brengen bij een opgevaren en verhoogde Heere die onze gebeden hoort en met al het gezag van de hemel kan antwoorden op ons gebed.
  4. Tenslotte mogen we hopen op een glorieuze toekomst. De opgevaren Heere zal terugkeren als rechter en koning. Hij zal alle ongerechtigheid wegnemen, een einde maken aan het lijden, de dood vernietigen en een koninkrijk vestigen van waarheid, gerechtigheid en liefde. En het mooiste van alles is, dat wij voor altijd bij onze Koning zullen zijn.

Cultuur zonder dorst

Pas enkele dagen na mijn preek over Johannes 7 ben ik gaan nadenken over de stevige veronderstelling ervan. In dat gedeelte spreekt Jezus, nee schreeuwt Hij de woorden uit: “als iemand dorst heeft, hij kome tot Mij, en drinke.” In het Grieks is het duidelijk, dat Jezus meende dat aan deze voorwaarde kon worden voldaan. Het was reëel om te verwachten dat iemand waarachtige dorst zou hebben. Uiteraard niet de fysieke dorst naar water, maar de dorst waarover Psalm 42 spreekt. “Zoals een hert schreeuwt naar de waterstromen, zo schreeuwt mijn ziel tot U, o God! Mijn ziel dorst naar God, naar de levende God” (Ps. 42:2, 3) de vraag is nu, of het in onze tijd vanzelfsprekend is dat mensen deze dorst ervaren.

In mijn preek heb ik al een keer gezegd – maar ik denk dat ik daar onduidelijk over was – dat uiteindelijk niet het gevoel, de beleving van het verlangen doorslaggevend was, maar het inzicht in ons tekort. In de taal van de Heidelberger: om naar de troost te verlangen moet je je ellende kennen. Als Christus mijn enige troost is in leven en sterven, dan zal ik moeten weten “hoe groot mijn zonden en ellende zijn” (zondag 2). En dan vertelt zondag 2 ons, dat wij onze “ellende”, onze troosteloze, van God verlaten en hopeloze toestand, niet kennen uit ons gevoel of ervaring. De bron van de kennis van onze ellende, dat wil zeggen het inzicht in onze werkelijke dorst, komt volgens het antwoord van zondag 3 “Uit de wet Gods.” Immers, Paulus schrijft dat wij uit de wet kennis van de zonde verwerven (Rom. 3:20).

Onze huidige cultuur kent wel degelijk de ervaring van het kwade. Overspel, diefstal, mishandeling en moord worden op zichzelf als kwaad beschouwd. Maar het besef van zonde kent twee elementen die in dat huidige besef niet aanwezig zijn. In de eerste plaats het besef dat zonde niet alleen bestaat in de vorm van duidelijk onderscheiden overtredingen van de strafwet. Zonde is niet alleen maar een kenmerk dat de wetgeving verbindt aan bepaalde daden waarin mensen andere schade toebrengen of pijn doen. Wanneer de Heidelberger zegt dat wij de zonde kennen uit de Wet, dan slaat dat niet alleen maar op de tweede Tafel van de 10 geboden, waarin het gaat over de relatie van mensen tot elkaar. De erkenning van God als de bevrijder, het verbod op het maken van eigenzinnige voorstellingen van deze God, het gebod om de afhankelijkheid tegenover onze Schepper en Bevrijder ook praktisch en concreet te laten zien in het houden van de Sabbat – kortom alle geboden en afleidingen daarvan uit de eerste Tafel, zijn net zo belangrijk in het bepalen van wat zonde is.

Daar komt nog iets bij, namelijk dat zonde niet alleen maar bestaat in de uiterlijke overtreding van een wetsregel, maar ook en wellicht vooral in het wilsbesluit – en de gevoelens van begeerte die daarmee verbonden zijn – om een verkeerde daad te overwegen. In de Bijbelse analyse van de zonde is vooral het verhaal van David illustratief. Aangelokt door de aanblik van de badende Bathseba, neemt David het besluit om zich te blijven verlustigen aan die aanblik. Het besluit vervolgens om het overspel te overwegen, en na te denken over de mogelijke obstakels die uit de weg moeten worden geruimd. (Een overweging die leidt tot de indirecte moord op de echtgenoot van Bathseba.) Het verlangen en de begeerte drijven de wil om in een reeks van daden een voorgesteld doel te bereiken. Dat valt buiten de regels van het strafrecht. Bij dit alles is koning David in het geheel niet strafbaar volgens de heersende normen van die tijd. De uitoefening van zijn Koninklijke macht is, naar geldende normen van het koningschap, geheel en al wettig. De vrouw is in dit geval gewillig. David heeft niet zelf de hand gehad in de dood van de echtgenoot. Die is uiterlijk bezien omgekomen door een vijand in de oorlog.

Het is allemaal een wettige daad, een menselijk verlangen, een uitoefening van een gezag dat rechtmatig aan de koning toekomt, er is daarom ook geen strafrechtelijk proces denkbaar, en toch is het zonde. Het is een overtreding van het vijfde gebod, dat ons opdraagt geen echtbreuk (overspel) te plegen. Het is ook een overtreding van het tiende gebod, dat ons opdraagt niet te begeren. Het is tevens een overtreding van het zesde gebod, dat Davids daad als doodslag karakteriseert en nadrukkelijk ook deze indirecte vorm van moord verbiedt. Het is eigenlijk ook een overtreding van het eerste gebod dat ons verbiedt een god te bedenken naar eigen makelij, in dit geval een god die dergelijke daden goedkeurt en geen kennis heeft van onze innerlijke overwegingen. In Gods ogen is er sprake van een zonde en wel een die tot de dood leidt – “des doods schuldig”! “Het loon van de zonde is de dood” zegt Paulus. Als de zonde volgroeid is, baart zij de dood, zegt Jacobus (Jac. 1:15). Gods perspectief is daarmee geheel anders dan de menselijke overwegingen van David en die van ons als postmoderne mensen.  Hoewel er meer over te zeggen valt, is het daarom van belang, dat David wel vergeving ontvangt – zijn zonde is een zonde tegen God –  maar dat de Heere toch gevolgen verbindt aan zijn daad: “Omdat u echter door deze zaak de vijanden van de Heere zeer hebt doen lasteren, zal wel de zoon die u geboren is, zeker sterven” (2 Sam. 12:14).

Het lijkt erop dat in onze tijd een dergelijke diagnose van de zonde op dovemansoren valt. Onze cultuur is postmodern, wat in ieder geval wil zeggen dat de verschillende kringen waarin mensen leven elk hun eigen systeem van waarden en normen kunnen hebben. In elk van die kringen zou een pleidooi gehouden kunnen worden waarin juist een zekere waardering voor het handelen van David wordt uitgedrukt. Was zijn liefde voor deze vrouw niet zo groot, dat hij er – tragisch natuurlijk – toe kwam om tot het uiterste te gaan om haar voor zich te verwerven? Liefde maakt niet alleen blind, maar soms ook immoreel. De waarde van de liefde gaat echter uiteindelijk die van het machtsmisbruik van David te boven. Ons morele gevoel wordt dieper aangetast door het idee dat een onschuldig kind het slachtoffer zou moeten zijn van de wraakzucht van God, die blijkbaar geen waardering heeft voor de diepe kracht die liefde kan hebben in een mensenleven. Een onschuldige sterft om David te straffen voor iets wat in aanleg juist als goed en bewonderenswaardig wordt ervaren.

De dood van het kind van David en Bathseba wil echter juist illustreren, dat het probleem van de zonde niet alleen maar een probleem is van het gevoel en de ervaring. Het berouw van David kan oprecht zijn geweest. De vergeving van de Heere is een wonderlijk blijk van Zijn liefde. Als het daarbij gebleven was, zouden wij dan niet hebben geprotesteerd tegen het feit, dat de dood van Uria blijkbaar onbestraft is gebleven? Of hadden wij deze man, die gekenschetst wordt als een relatieve buitenstaander in Israël, een huurling, makkelijk uit ons geweten laten ontsnappen? De ernst van de zonde wordt ons eigenlijk pas duidelijk, niet door het overspel van David, dat wij in onze tijd makkelijk kunnen vergoelijken. De ernst van de zonde wordt ons ook niet duidelijk, wanneer we lezen over de beraamde moord tegen Uria. Ons instinct zegt ons dat de opdracht om deze man ter plaatse in het heetst van de strijd nog niet eens als een opzettelijke en persoonlijke schuld kan worden toegerekend. Juist de dood van het kind moet ons duidelijk maken, dat de Heere de zonde onder het regime van haar gevolgen heeft geplaatst.

Wat ik daarmee bedoel, vinden we in Exodus 20. Daar lezen we dat de Heere “de misdaad van de vaderen bezoekt aan de kinderen.” Dat mogen we niet opvatten als “vergelden”, of “bestraffen”. Het woord dat daar wordt gebruikt betekent ook “bezoeken”, dat wil zeggen erbij aanwezig zijn, ontmoeten. De misdaad of zonden van de vaderen wordt zichtbaar en tastbaar in het leven van de kinderen. De zonde heeft gevolgen ver buiten de feitelijkheid van een misdrijf. En God handhaaft deze verder weg liggende gevolgen juist om de zonden te ontmoedigen en haar ware karakter helder te maken. David en Bathseba zullen niet genieten van de vrucht van hun zonden.

Juist wanneer we zien dat de zonde meer is dan een overtreding of misdrijf, wordt duidelijk hoe diep onze ellende is. Een fluisterende stem, een onopzettelijke roddelpraat, een neiging van het hart die zich vertoont in onze gelaatstrekken, al deze dingen hebben gevolgen die ver buiten onze eigen intentie liggen. In de Bergrede maakt Jezus ook duidelijk, dat de echte kracht van het kwade niet ligt in de daad, zoals de echte kracht van de boom niet ligt in de vruchten, maar in de wortels. Onze begeerte sleurt ons mee en verleidt ons. Ons wilsbesluit bevrucht onze begeerte. En die begeerte baart dan de zonde die anderen raakt en verleidt en ontmoedigt en schaadt. (Vgl. Jacobus 1:14, 15) De spottende uitroep “dwaas” is al een vorm van moord. De weigering om je met een ander te verzoenen, bederft al onze verhouding tot God. Het koesteren van een begeerte in het hart staat al gelijk aan de daad van overspel. Trouweloosheid in het huwelijk, gewelddadig verzet tegen vijanden uit wraakzucht, meegesleurd worden in de haat tegen anderen, dat alles wordt door de strafwet niet verboden. Maar in het onderwijs van Jezus is het net zozeer zonde als de in het oog vallende overtredingen van de wet. (Vergelijk de Bergrede in Mattheus 5-7)

Wie zichzelf in het licht van dit begrip van de zonde heeft leren kennen, zal moeten instemmen met de Bijbelse diagnose. Dat de mens vervuld is van allerlei ongerechtigheid. Dat mensen kwaadaardig en hebzuchtig kunnen zijn. Dat wij afgunst voelen en geneigd zijn tot bedrog. Al die dingen die Paulus opsomt in Rom. 1:29 en 30 zijn wij van nature. Ook wanneer wij ze niet doen worden we erdoor gekenmerkt, en sleuren anderen die het wel doen ons met hen mee. Het is een beschrijving van de defecten in ons morele DNA. Het zijn de aangeboren afwijkingen in onze cultuur waardoor wij de kans lopen het een of het ander ook daadwerkelijk te doen.

David kende zijn “ellende”. Onze cultuur heeft zich tegen dat besef ingeënt. Wat nodig is is het heilzame besef van onze morele armoede. Opdat wij kunnen bidden:

“Wend U tot mij en wees mij genadig,
want ik ben eenzaam en ellendig.
De benauwdheden van mijn hart hebben zich wijd uitgestrekt,
bevrijdt mij uit mijn angsten.
Zie mijn ellende en mijn moeite,
neem weg al mijn zonden.” (Ps. 25:16-18)

Als wij onze ellende weer kennen, dan kunnen wij onze troost benoemen: “Dat ik met lichaam en ziel, beide in het leven en sterven, niet van mij ben, maar van mijn getrouwe Zaligmaker Jezus Christus het eigendom ben, Die met Zijn dierbaar bloed voor al mijn zonden volkomen betaald heeft en mij uit alle heerschappij van de duivel heeft verlost.” Dan zullen wij tot Jezus komen in vertrouwen dat Hij onze zonden heeft gedragen en ons een nieuwe “natuur” wil schenken. En dan zullen we tenslotte drinken van het levende water dat Hij ons aanreikt. Dat was ik vergeten te zeggen afgelopen zondag.

Wie dorst heeft, kome – avonddienst 21 mei 2017

Verkondiging over Joh. 7:37-43.
Midden op het Loofhuttenfeest nodigt Jezus met een luide schreeuw nog één keer uit om in Hem te geloven. De laatste openbare uitnodiging tot allen. Juist in het kader van het Feest van de herdenking van Gods voorzienige zorg in de woestijn, met de vooruitverwijzing naar de nieuwe messiaanse tijd waarin God Zijn koninkrijk zal oprichten.
Wie dorst heeft – zijn innerlijke nood kent – mag komen en vertrouwen op Jezus en mag dan drinken van het levende water – beeld van de wedergeboorte. Maar dan zal dat water ook worden tot een fontein van water. De zegen die is ontvangen mag worden uitgedeeld.
Hebben wij een emmer water mee kunnen nemen van de zondag? Dan moet je een geopend hart hebben, een “emmer” om dat water mee te kunnen nemen. Dat is al mooi! Maar hoe lang zal dat water toereikend zijn? Steeds opnieuw putten is nodig! En dat kan: gebed en bijbellezing geven ons steeds opnieuw dat levende water.

Wie dorst heeft, kome tot Mij en drinke! – verkondiging in de avonddienst van 21 mei 2017

Verkondiging over Joh. 7:37-43.
Midden op het Loofhuttenfeest nodigt Jezus met een luide schreeuw nog één keer uit om in Hem te geloven. De laatste openbare uitnodiging tot allen. Juist in het kader van het Feest van de herdenking van Gods voorzienige zorg in de woestijn, met de vooruitverwijzing naar de nieuwe messiaanse tijd waarin God Zijn koninkrijk zal oprichten.
Wie dorst heeft – zijn innerlijke nood kent – mag komen en vertrouwen op Jezus en mag dan drinken van het levende water – beeld van de wedergeboorte. Maar dan zal dat water ook worden tot een fontein van water. De zegen die is ontvangen mag worden uitgedeeld.
Hebben wij een emmer water mee kunnen nemen van de zondag? Dan moet je een geopend hart hebben, een “emmer” om dat water mee te kunnen nemen. Dat is al mooi! Maar hoe lang zal dat water toereikend zijn? Steeds opnieuw putten is nodig! En dat kan: gebed en bijbellezing geven ons steeds opnieuw dat levende water.

De artikelen over de heilige Geest

Onderstaande PDF bevat de artikelen over de (doop met) de Heilige Geest die ik een aantal jaren geleden schreef en publiceerde op veenpreken.wordpress.com. Omdat deze site nu alleen nog maar doorverwijst naar koinoniabijbelstudie.org plaats ik ze hier nog eens.

[embeddoc url=”http://koinoniabijbelstudie.org/wp-content/uploads/2017/05/De-artikelen-over-de-Heilige-Geest-v.3.pdf” download=”all” viewer=”google”]

Spanning in de prediking – KOINONIA LIVE! #16

Over de spanningen bij de predikant in de prediking – met zichzelf, met de gemeente en met God. Voorbeelden van tekstuitleggende prediking bij ds. Maarten Ezinga (Baptist) en ds Robbert Veen (Hervormd). Rom. 5:1-11; 2 Kor. 5:1, 2, 7.

De preek van afgelopen zondag van ds. Ezinga in de Baptisten gemeente in IJmuiden, was al eerder uitgesproken en wel in de Refobap gemeente op Urk. Terug te luisteren via deze LINK.